EIGEN (proper) 23x+3n+2m; oneigen m; proprium 3x; 015; 017; 105; 106; 117; 125; 127; 137; 149; 191; 191; 201; 240; 249; 250; 258; 259; 285; 291; 363; 433;
286 >Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is alleen onder de begeerte en niet als heel oneigen onder de wille behore];
015 eigentschappen, die dit volmaakte wezen eigen zijn, eer't volmaakt gezeid kan worden;
017 dewijl hy't geen aan God eigen is verstaat;
105 de tweede eigenschap, die wij in God eigen noemen;
106 de twede eigenschap die wij(Proprium of) eigen noemen is de Voorzienigheid;
117 soo en zullen zij dan niet met haar eigen overeen konnen komen en volgens;
125 aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wij nogtans;
127 zo zijn zij in haar eigen begrip verward geweest;
137 en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk en zij dienen;
149 zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl;
191 Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk