EI(J)GENSCHAP(PEN)127x+3m; attributa 2x; 005; 011; 014; 015; 015; 016; 016; 017; 017; 020; 020; 021; 021; 021; 021; 021; 021; 024; 031; 032; 034; 035; 036; 041; 041; 041; 041; 044; 044; 045; 045; 057; 057; 058; 058; 058; 059; 060; 063; 065; 069; 070; 082; 082; 084; 085; 086; 086; 090; 105; 106; 108; 120; 120; 120; 125; 125; 126; 130; 130; 130; 130; 130; 133; 136; 141; 143; 148; 148; 149; 156; 306; 306; 306; 306; 308; 308; 313; 315; 315; 333; 335; 335; 335; 337; 403; 403; 404; 404; 409; 413; 414; 414; 418; 419; 419; 419; 420; 420; 421; 421; 422; 424; 425; 425; 426; 426; 426; 426; 427; 427; 427; 427; 428; 428; 429; 429; 430; 430; 430; 430; 431; 431; 431; 431; 432; 433; 435;
~B;
attribu* 128xE; (~verbum);
Related concepts: zelfstandigheid.
'Eigenschap' is used both for the infinite properties and the two Cartesian attributes (120 ) but also in accordance with ordinary language use.
005n Uijt de beschrijvinge hierna van dat God oneijndige eijgenschappen heeft konnen wij sijne wezentheijd aldus bewijzen: al dat wij klaar en onderscheide zien tot de natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen: maar aan de natuur van een wezen dat oneindige eigenschappen heeft, behoort een eigenschap dewelke is Zijn. Ergo. Hierop nu te zeggen dat dit wel bevestigt [word] van de Idea, maar niet van de zaak zelfs is vals: want de Idea en bestaat niet materialiter van de eigenschap die tot dit wezen behoort, alzo dat het geen 't welk bevestigt wordt, en is noch van de zaak noch van datgeen 't welk van de zaak bevestigt word; 011n dat daarna van die zelve in ons verstand veel besondere worden versiert, die wij dan ook veel andere en van andere saaken afgetrokkene eijgenschappen konnen toedigten; 014n Behalven dan dat uijt het tot noch toe geseide klaar blijkt dat de Idea van oneijndigeeigenschappenaan het volmaakte wezen geen verzierzel; 015n Na voorgaande overweginge van de Natuur, zo en hebben wij in deselve tot nog toe niet meer konnen vinden als alleen twee eijgenschappen die aan dit al volmaakte wezen toebehoren. en deze en geven ons geen vergenoeginge door dewelke wij onszelve konnen voldoen: Want dat deze het al soude zijn, van de welke dit volmaakte wezen zoude bestaan, ja maar integendeel bevinden wij in ons zulks iets het welk ons opentlijk aanzeid van niet alleen nog meer, maar ook van nog oneijndige volmaakte eigentschappen, die dit volmaakte wezen eigen zijn, eer 't volmaakt gezeid kan worden. en van waar is deze Idea van volmaaktheid? Dit zulks iets dan en kan niet voortkomen van deze twee: Want twee en geeft maar twee en geen oneijndige, ergo dan van Waar? Van mij altijd niet, of ik most ook dat ik niet hadde konnen geven. Vanwaar dan anders als van de oneijndige eigenschappenzelve, die ons zeggen dat z'er zijn zonder nogtans ons tot nog toe te zeggen wat zij zijn. Want van twee en weten wij maar wat zij zijn; 021n De reden is omdat de Niet geen eigenschappenkonnende hebben, de Al dan alle eigenschappen moet hebben: en zo dan de Niet geen eigenschappenhebbende omdat hij niet is, zo heeft de Iet eigenschappen omdat hy Iet is. Ergo dan hoe meer Iet is hoe hij meer eigenschappenmoet hebben en dienvolgende dan God de volmaakste, de oneijndige, de alle Iet zijnde, zo moet hij ook oneindige, volmaakte en alle eigenschappenhebben; 035 Ten vierden, dat er geen zelfstandigheid of eijgenschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zijn, dat kan en word van ons bewezen; 036 Uijt alle deze dan volgt: dat van de Natuur alles in allen gezeijt word en dat alzo de Natuur bestaat van oneijndelijke eijgenschappen , van de welke een ieder deszelfs in zijn geslagt volmaakt is; 041 De reeden dan om dewelke wij gezeijd hebben, dat alle deze eijgenschappen die inde Natuur zijn, maar een eenig wezen is ... die zijn deze: 1. omdat wij nu al vooren gevonden hebben, dat'er een oneijndelijk en volmaakt wezen moet zijn, door hetwelke niet anders kan verstaan worden als zodaanig een wezen van 't welke alles in allen moet gezeijt worden. Want hoe aan een wezen 't welk eenige wezentheijd heeft, moeten eijgenschappen gezet worden en zo veel wezentheijd als men het meer toeschrijft, zo veel eijgenschappen moetmen het ook meer toeschrijven en gevolglijk zo het wezen oneijndelijk is, zo moeten ook zijne eigenschappen oneijndelijkzijn en even dit is het dat wij een volmaakt wezen noemen; 045 Uijt dit alles dan dat wij nu dus verre gezeijd hebben, blijkt dat wij de uijtgebreijdheijd een eijgenschapvan God stellen te zijn >Dat de uijtgebreidheid een eijgenschapvan God is word bewezen.]; 057 door zig zelfs bestaande en anders geeneijgenschapen hadde als lang, breet, en diep; 059 Al wat de menschen aan God buijten deze twee eijgenschappen meer toeschrijven, dat zal (indien het anderzins tot hem behoord) moeten zijn off een uijtwendige benaming; 060 Edog hoe en op wat wijze deze eijgenschappen nogtans in God plaats konnen hebben, zullen wij hier na in de volgende hooftdelen zeggen; 065 zo ontbreeken hem dan alle deeigenschappendie deze twee toebehooren; 069 van alle de andereeigenschappeneen onderhouder is; 082 Z Ik heb duijdelijk gezegd, dat alle eijgenschappen die van geen ander oorzaak afhangen en om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren: en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn een eijgenschapte stellen, zo en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet, hoe naauw zij ook met hetzelve komen te vereenigen; 086 Z 'T is waar, ERASME, dat die dingen (die om haar wezentlijkheids wille geen andere dingen van doen hebben als de eijgenschappen Gods) [dat] die onmiddelijk van hem van eeuwigheid geschapen zijn; 105 nu zullen wij overgaan tot de tweedeeigenschap, die wij in God eigen noemen; 106 De twedeeigenschapdie wij( Proprium of) eigen noemen is; 108 De derdeeigenschapis zeggen wij, de goddelijke praedestin[atie]; 120n Aangaande de eigenschappenvan dewelke God bestaat, die zijn niet als oneyndige zelfstandigheeden van de welke een ieder des zelfs oneindig volmaakt moet zijn. ... Doch datter van alle deze oneindige tot nog toe maar twee door haar zelf wezen ons bekend zijn, is waar; en deze zijn de DENKING en UYTGEBREIDHEID. Voort alles dat gemeenlijk aan God werd toegeschreven, en zijn geen eijgenschappen, maar alleen zeekere wijzen, de welke hem toegeeigent mogen werden of in aanmerkinge van alles, dat is alle zijne eigenschappen, of in aanmerkinge van Een EIGENSCHAP; 125 wij en zien niet, dat zij ons hier eenige attributaof eigenschappen geven, door de welke de zaak (God) gekend word wat ze is: maar alleen eenige propria of eigenen; zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigenschappen (Attributa) die wij tot nogh toe beschreven hebben); 130 Wij hebben nu al gezien, dat de eigenschappen(of zo andere die noemen, zelfstandigheden) zaaken of om beter en eigentlijker te zeggen, een door zich zelfs bestaande wezen is en der halven door zich zelve, zig zelfs te kennen geeft en vertoond. De andere dingen zien wij dat maar wijzen van de eigenschappenzijn en zonder dewelke zij ook niet en konnen bestaan noch verstaan worden. Dienvolgende dan moeten de beschrijvinge zijn van twee geslagten (of soorten). 1. namelijk van de eigenschappen, die van een zelfs bestaande wezen zijn en deze behoeven geen geslagt of iets waardoor zij meer verstaan off verklaart worden: want aangezien zij als eijgenschappen van een wezen door zig zelfs zijnde zijn, zo worden zij ook door hun zelfs bekent. De twede zijn die die niet door hun zelfs bestaan maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zij de wijsen zijn en door de welke zij als haar geslagt zijnde, verstaan moeten worden; 133 Door de Natura naturans verstaan wij een wezen dat wij (door zig zelfs en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigenschappen (Attributa)die wij tot nogh toe beschreven hebben) klaar ende onderscheidelijk begrijpen, het welk God is; 136 Het angaande het Verstaan in de denkende zaak, deze zowel als het eerste is meede een Zone, maaksel, of onmiddelijk schepzel van God, ook van alle eeuwigheid van hem geschapen en in alle eeuwigheid blijvende onveranderlijk: deze sijne eigenschapis maar een, namenlijk: alles klaar en onderscheiden in alle tijden te verstaan; 143n 3. De zelfstandige denking dewijl ze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en eeneigenschapvan God; 148 zodat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschapdie wij aan God toegepast hebben; 333n 5 Daar moet ook eeneijgenschapzijn van denken pag...; 403 hebben of verscheideeigenschappengelijk als Denking en Uijtgebreijdheid; 403 app ax3. De dingen welke dadelijk onderscheiden worden, hebben of verscheide eigenschappengelijk als Denking en Uijtgebreijdheid of worden toegepast aan verscheide eigenschappen als Verstaning en Beweeging; 404 ax4. De dingen welke verscheide eigenschappen hebben als mede de dingen welke behooren tot verscheide eigenschappen, en hebben in zich geen dink de eene van de ander; 413 ] Alle eijgenschappen of zelfstandigheidis door haar natuur oneijndig en ten oppersten volmaakt in zijn geslacht; 414 Geen zelfstandigheid is veroorzaakt van een ander [Prop.2] en bij gevolg zoze wezentlijk is, zo isse of een eigenschapvan God of ze heeft buijten God geweest een oorzaak van zig zelfs; 418 Zij [sc. de natuur] bestaat van oneijndigeeigenschappen, een ieder van dezelve oneijndig en volmaakt in zijn geslacht; 419 De mensch aangezien hij een geschapen eijndige zaak enz. is, zo is 't noodzaakelijk dat het geen hij heeft van denking en 't welk wij de Ziel noemen, zulks zij een eigenschapvan die eigenschap die wij denking noemen zonder dat tot sijn wezen eenig ander ding als deze wijzing behoort: en dat zo zeer dat zo deze wijzing te niet gaat, de ziel ook vernietigt word alschoon dat de voorgaande eigenschaponveranderlijk blijft; 422 en zijnde het zodanig dat de Natuur of God een wezen is van welke oneijndige eijgenschappen gezeid worden en de welke in zich bevat alle wezens van de geschaape dingen; 424 Waar uijt klaarlijk besloten word, dat de natuurlijke liefde die in ieder zaak is tot behoudinge zijns lichaams (ik zeg de wijzing) niet en kan eenige andere oorspronk hebben als van de Idea of het voorwerpelijk wezen het welk van zoodanig lichaam is in de denkende eigenschap; 426 Verder aangezien tot het wezentlijk zijn van een Idea (of voorwerpelijk wezen) geen ander dink vereijscht word als de denkende eigenschapen het voorwerp (of vormelijk wezen), zoo is't dan zeeker 't geene wij gezeid hebben, dat de Idea of 't voorwerpelijk wezen, de *alderonmiddelijkste wijzing is van deeigenschap>Ik noem de alderonmiddelijkste wijzing van de eigenschapdie wijzing de welke om wezentlijkte zijn niet van noden heeft eenige andere wijzing in de zelfde eigenschap.]; 427 Eijndelijk indien wij zouden willen voortgaan en aan het wezen van de ziel toeschrijven dat geene door het welke zij wezentlijk zoude konnen zijn, men zoude niet anders konnen vinden als die eigenschapen het voorwerp van de welke wij nu gesprooken hebben: en geen van deze en kan behoren an't wezen van de ziel aangezien het voorwerp van de denking niets en heeft en van de ziel dadelijk onderscheiden word: en de eigenschapaangaande, wij hebben nu ook al bewezen dat ze tot het voorgenoemde wezen niet en kan behoren, 't welk door't geene wij daar na gezeid hebben, noch klaarder gezien word: Want de eigenschap als eigenschapen is niet vereenigt met het voorwerp, dewijlze noch veranderd noch vernietigt alschoon het voorwerp veranderd of vernietigt.; 428 Ergo dan zo bestaat het wezen van ziel alleen hierin namelijk in het zijn van een Idea of voorwerpelijk wezen inde denkende eigenschap, ontstaande van het wezen eenes voorwerps 't welk inderdaad in de Natuur wezentlijk is. Ik zeg van een voorwerp dat dadelijk wezentlijk is enz. zonder meer bezonderheid. Om dan hieronder te begrijpen niet alleen de wijzingen van de uijtgebreidheid, maar ook de wijzingen van alle de oneijndige eijgenschappen de welke mede zo wel als de uitgebreidheid een ziele hebben; 430 en eijndelijk dat alle de eigenschappen zijn eigenschappenvan Een oneijndig wezen. Waarom ik ook deze Idea in het IX. Cap. van het 1 deel genoemt heb een schepzel onmiddelijk van God geschapen aangezien ze in zich voorwerpelijk heeft het vormelijk wezen van alle dingen zonder te nemen of te geven. en deze is noodzakelijk maar een, in acht genomen, dat alle de wezens van de eijgenschappen en de wezens van de wijzingen begreepen in deze eijgenschappen, het wezen zijn van een alleen oneijndig wezen; 431 Maar staat nogh aan te merken dat deze wijzingen in aanmerkinge dat geen derzelver dadelijk is, zij nochtans gelijkmatig begrepen zijn in haare eigenschappen: en dewijl in de eigenschappen geen ongelijkheid ter wereld is noch ook in de wezens van de wijzingen, zo en kan'er in de Idea geen bezonderheid zijn aangezien die in de natuur niet zijn: Maar zo wanneer eenig van deze wijze haare bezondere wezentlijkheid aandoen en haar door de zelve op eenige wijs onderscheiden van haare eigenschappen(dewijl als dan hare bezondere wezentlijkheid welke zij in de eijgenschaphebben, het onderwerp is van haar wezen), als dan vertoonter zig een bezonderheid in de wezens van de wijzingen en gevolglijk in de voorwerpelijke wezens, die van de zodanige noodzaakelijk begrepen worden in de Idea; 433 Maar aangezien wij van de overige eigenschappen niet en hebben zoodanige kennisse als wij hebben van de uijtgebrei[d]heid;