EUVELNEMING

EUVELNEEMING +m;

indignatio 2xE: 866 et quamvis indignatio æquitatis speciem præ se ferre videatur; 414 odium erga illum qui alteri male fecit, indignationem appellabimus

247 Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben >Van de Nijd, Gramschap en Euvelneming siet pag.86];

211 Van de haat dan komt hervoort droefheid en de haat groot zijnde, zo werktse uijt Toornigheid >Wat de uijtwerkinge van deze beijde zijn. Uijt de haat komt droefheid en groot zijnde Toornigheid.], de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt;