GEBRUIKEN

GEBRUIKEN (use):

gebruijken 12x+2n+2m;

gebruijkende 3x+m;

gebruijkt 6x;

43xB;

uti* 1xE: Quicquid ex ratione conamur, nihil aliud est quam intelligere nec mens quatenus ratione utitur, aliud sibi utile esse judicat nisi id quod ad intelligendum conducit, 4,26;

040 tegen haar even de zelve wapenen konnen gebruijken, die zij tegen ons aanneemen;

156 de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijkt zijnde, bedrogen beeft;

176 hij(de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen;

180 so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende;

201 dat als wij ons verstand wel gebruijken;

203 Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij;

212 dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake;

212 Hieruijt volgt dan dat wij ons reden wel gebruijkende geen haat of afkeer tegen eenige zaak k[unne hebben];

215 in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort;

218 dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen;

218 Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God't eerste kennen;

243 veel menschen(die haar verstand wel gebruijken ) somtijds(vermids haar die hebbelijkhe[id] om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen:;

250 >Hoe wij evenwel de zelve hebben te gebruijken.]. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen;

257 >. zo wij maar de reeden wel gebruijken.].;

257 dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze;

281 alle die welke ten eenenmaale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen al;

303 dat als wij ons verstand maar wel gebruijken;

323 maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg;

343 of wij hier't woord opinie of passie gebruijken en zo is't klaar waarom;

365 als een werktuijg van haar moet gebruijken;

366 De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse van God komt;

368 onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen?

373 [noch enig] ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken;

386 die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken;

432 de oorzaak waarom wij in de beschrijving gebruijkt hebben deze woorden, dat de Idea is;