GEDAANTE

GEDAANTE 7x+m;

geslacht 10x+2n;

geslagt 21x;

gestalte 13x+n;

ontstellen;

ontstelling m;

ontsteltenisse 4x+3m;

slach 3x;

slag 3x+2n+5m;

soort;

soorten;

zlag;

gedaante 74xB (appearance); slag* 34xB (battle only); geslacht 526xB (gelachtregister);

specie* 55xE; gen* 64xE (+cognitionis 36x): Per bonum hic intelligo omne genus laetitiae 3,39s; Tertium cognitionis genus 5,25d etc; Ea res dicitur in suo genere finita quae alia ejusdem naturae terminari potest 1d2; Dico absolute infinitum, non autem in suo genere ; quicquid enim in suo genere tantum infinitum est, infinita de eo attributa negare possumus; quod autem absolute infinitum est, ad ejus essentiam pertinet quicquid essentiam exprimit et negationem nullam involvit 1d6e; Cum autem natura divina infinita absolute attributa habeat (per definitionem 6) quorum etiam unumquodque infinitam essentiam in suo genere exprimit 1,16d; commotio* 4xE: animi/ae commotiones; (animi) fluctuatio 15xE; figura 4xE; 1,16d Cum autem natura divina infinita absolute attributa habeat quorum etiam unumquodque infinitam essentiam in suo genere exprimit, 1,16d; Dico absolute infinitum, non autem in suo genere; quicquid enim in suo genere tantum infinitum est, infinita de eo attributa negare possumus; quod autem absolute infinitum est, ad ejus essentiam pertinet quicquid essentiam exprimit et negationem nullam involvit, 1d7expl; hinc sequitur I° quod Deus sit rerum immediate ab ipso productarum causa absolute proxima, non vero in suo genere ut aiunt, 1,18s;

Related concepts: beschrijving.

KV uses the logical terms genus (geslacht), species (gedaante) and figura (gestalte) the way Kok translated them (Kók p.XLIn2; XL), be it not consequently: 'gedaante' and 'geslacht' are both used for genus and species. KV explicitly denies the usefulness for Spinoza's philosophy of the Scholastic Neo-Aristotelian epistemologic theory by defining in genus and differentia specifica (128 , 288 , 122 sqq.). Instead Spinoza adds the proportion of motion and rest of his epistemology as a quantitative content to the term figura (slag, gestalte) and by substitution of slag en gedaante also to concept of species (323 , 148 sqq.). The ordinary language term disturbance (ontsteltenis) thus became disproportionation of motion and rest as a second interpretation (207 sqq.).

014n want als in de tweede soorte van Ideen getoont is, zonder mij zijn zij't geene datze zijn;

020 eijgenschappen een ijder deszelfs in zijn geslagte oneijndelijk volmaakt is;

022 maar dat alle zelfstandigheid in zijn geslagte oneijndelijk volmaakt moet zijn;

030 omdat ieder zelfstandigheid in sijn geslacht volmaakt is;

036 van de welke een ieder deszelfs in zijn geslagt volmaakt is;

076 Z Wanneer ik gezegd hebbe, dat God een verder oorzaak is, zoo is dat van mij niet gezegd als in opzigt van die dingen, dewelke God (...) onmiddelijk heeft voort gebragt; maar geenzins dat ik hem absoluijt een verder oorzaak hebben genoemt: hetwelk gij ook uijt mijne woorden klaar hebt konnen afneemen. Want ik heb ook gezeid, dat wij hem in eeniger manieren een verder oorzaak konnen noemen;

079 Een beeldhouwer die heeft van houwt gemaakt verscheijde gedaante na de gelijkenis van de deelen eenes menschelijken lighaams; hij neemt een van deze, 't welk de gedaante heeft van een menschelijke borst, hij voegd het te zamen met een ander, dat de gedaante heeft van een menschelijk hooft en maakt van deze twee een geheel;

082 Z en om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is;

083 Z dat het Algemeen maar begrijpt deelen van hetzelve geslagt , maar het Geheel deelen en van hetzelve en van een ander geslagt ;

115 [nie]t over de bezondere, maar alleen over de geslagte uijtstrekt;

116 maar wel over het geheele geslagte van Paard ;

122 Eerstelijk zeggen zij, datter geen ware of wettelijke beschrijvinge van God en kan gegeven worden, aangezien geen beschrijvinge na haar waan, als van geslacht en onderscheit bestaan kan en God dan geen gedaante van eenig geslagt zijnde, zo en kan hij niet regt of wettelijk werden beschreeven;

128 1. Zij zeggen dan vooreerst, dat een wettige beschrijvinge bestaan moet van een geslagt en onderscheid . Even wel alschoon alle de Logici dit toestaan, ik en weet niet van waar zij dit hebben. en zeker zo dit waar moet zijn, zo en kan men niets niet weten: Want indien wij volmaaktelijk een zaak door de beschrijvinge van geslagt en onderscheid bestaande, moeten al vooren kennen, zo en konnen wij dan nooijt volmaakt kennen het opperste geslagt , het welk geen geslagt boven hem heeft;

129 Indien dan het opperste geslagt het welk een oorzaak is van de kennisse aller andere dingen, niet gekent word, veel minder dan konnen de andere dingen die door dat geslagt verklaart worden, verstaan noch gekend worden;

130 Dienvolgende dan moeten de beschrijvinge zijn van twee geslagten (of soorten ). 1. namelijk van de eigenschappen, die van een zelfs bestaande wezen zijn en deze behoeven geen geslagt of iets waardoor zij meer verstaan off verklaart worden: want aangezien zij als eijgenschappen van een wezen door zig zelfs zijnde zijn, zo worden zij ook door hun zelfs bekent. De twede zijn die die niet door hun zelfs bestaan maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zij de wijsen zijn en door de welke zij als haar geslagt zijnde, verstaan moeten worden. en dit is wat aangaat op haar stelling van de beschrijvinge;

135 dat z' oneijndig is in haar geslacht ;

143 n De zelfstandige denking dewijl ze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God;

148 en wederom alles' t geen hij heeft van gestalte , beweginge, en andere dingen zijn [desgelijks [=dat] van die andere eigenschap[=extensie] Gods];

149 dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk lichaam was;

151 Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving;

170 t is zeeker datze [=begeerte] in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet >

De begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uit waan.].;

171 Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen;

181 Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een Wezen van reden;

206 Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn;

207 Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of met, of zonder Passien gedaan worden, zo achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden >Dewijl wij dan nu sonder passien konnen werken, wat sal dan best zijn, of dat wij de geene die ons kwaad veroorsaken met haat vlieden of dat wij hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan?], of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan;

210 De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten >De haat is een ontstelling in de ziel tegens die ons willens en wetens misdaan heeft en de afkerigheid is een ontsteltenisse in ons tegen een zaak die uijt haar natuur ons of in waan of waarlijk heeft beledight.]. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse , die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten, gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft;

215 > Een zeker slag van blijdschap zijn dese volgende: 1. De Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheijd 2. Verzekertheid 3. 't Laghen 4. de Eere];

216 >Van de droefheid. Ontstaat alleen uijt de waan en is nodig daar af bevrijd te zijn omdat ze ons hindert. Een zeker slag van droefheid zijn dese: 1. De Wanhoop 2. 't Berouw en Knaging 3. Beschaamtheid 4. Beklag.];

232 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als] een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid. en wederom als wij de mogelijk komende saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen;

233 hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een zeekere slach van droefheid ;

235 zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen;

238 zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen;

244 Schadelijk zijn zij [sc.knaging en berouw] dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid >Zijn een zeker slag van droefheid .];

246 en omdat het [sc.lachen] is een seeker slach van de Blijdscbap >Is een zeker slag van blijdschap . Siet pag.91.], zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is;

248 De eerste [sc.eer] is een seeker slag van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen;

255 Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben;

256 en dewijl het [sc.kwaad] een zeeker slach is van droefheid , zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt >Is een zeker slag van droefheid en als sulks te schuwen, siet pag.89. Dog voornamelijk pag.91.];

268 Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft;

285 Doch de Begeerte is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen;

288 Na Aristotelis beschrijving scheijnt Begeerte een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende;

305 dat in de Natuur een lichaam is, door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden;

306 die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan;

312 niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word;

323n Die [sc.voorwerpen] dan van de welke wij aldermaatigst (na de proportie der beweeginge en ruste waar af wij bestaan) bewogen worden, zijn ons alder aangenaamst en hoe zij daar verder en verder afwijken alder onaangenaamst. en hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag ;

327 worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaa[ke heeft];

329 [de macht de geesten te bewegen kan de ziel ontnomen worden wanneer door het] algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word;

330 [droefheid kan worden verholpen door herstel] van de geeste in haar eerste gestalte , dat is hem van die pijnlijkheid te bev[rijden];

333n 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5.;

339 Want zij [sc.de stilte] en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld. Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is;

413 en ten oppersten volmaakt in zijn geslacht ;

414 ten hoogsten volmaakt in zijn geslagt ;

417 en eijndelijk zoude ze door haar natuur niet konnen zijn oneijndig en ten oppersten volmaakt in haar geslacht tegen de 3e propositie;

418 dezelve oneijndig en volmaakt in zijn geslacht , aan welkers wezen de wezentlijkheid;

421 noch ten hoogsten volmaakt in haar geslacht tegen' t geen nu al bewezen is;