GEHEEL

GEHEEL (whole) 50x+9n+m; gheel +n; heel 11x+5n+2m; +al; 014; 023; 043; 046; 046; 046; 047; 048; 048; 048; 049; 062; 065; 071; 071; 072; 072; 074; 074; 077; 077; 078; 079; 081; 083; 091; 107; 107; 163; 197; 198; 212; 227; 236; 237; 258; 267; 268; 269; 276; 283; 286; 286; 293; 294; 300; 305; 312; 332; 333; 335; 336; 340; 340; 352; 352; 354; 363; 365; 365; 374; 377; 386; 390; 391;

geheel 106xB;

014 Alsoo dat indien hij niet was, ik al heel van hem niets en zoude konnen bevestige;

023 zoude zij haar geheel wezen moeten verandert hebben;

043 omdat wij klaarlijk zien dat zij al heel geen gemeenschap te zamen hebben als;

046 1. dat deel en geheel geen waare of daadelijke wezens zijn, maar alleen Wezens van reeden en dien volgende en zijn *inde Natuur nog geheel nog deelen. Ten 2. een zaake te zaamen gezet van verscheide deelen, moet zodanig zijn, dat de delen deszelfs in het bezonder genomen de een zonder de ander kan bevat en verstaan worden. Als bij Exempel in een uurwerk, dat van veele verscheide raderen en touwen en anders is te zaamen gezet: daar in kan zeg ik, een ijder rad, touw, etc. bezonder bevat en verstaan worden zonder dat het geheel zo als 't samengezet is daar toe van nooden is;

047 en verstaan worden en bestaan zonder't geheel;

048 n In de natuur dat is in de zelfstandige uijtgebreidheid: want die gedeeld wordende, zo word haar natuur en wezen t'eenmaal vernietigt, als die alleen bestaat in oneijndige uijtgebreijdheid of geheel te zijn, dat het zelfde is. Maar zult gij zeggen: iss'er geen deel in de uijtgebreijdheijd voor alle wijse? Geenzins, seg ik. Maar zegt gij, alss'er beweging in de stof is, die moet in een deel van de stoff zijn, want niet in 't geheel, dewijl die oneijndig is, want waar heen zou die bewogen worden? Buijten haar is niet; ergo dan in een deel. Antwoord: daar is geen beweging alleen, maar beweging en stilte zamen; en deze is in het geheel en moet daar in zijn, want daar is geen deel in de uijtgebreijdheijd;

049 n Zo gij nog al Ja zegt, zegt mij dan: als gij de heele uijtgebreidheijd deeld, dat deel dat gij met U verstand van haar afsnijd, kont gij ook na de natuur van alle deelen daar van afscheide; dat dan gedaan zijnde, vraag ik: wat iss'er tusschen dit afgesneede deel en de rest? .... Ergo dan het derde en zo en iss'er geen deel, maar de uijtgebreidheid geheel;

062 Z [ik be]schouw de Natuur niet anders als in sijn geheel oneijndelijk en ten oppersten volmaakt;

065 Z het welk immers in een geheel buijten't welk geen ding is, geen plaa[ts kanhebben];

071 Z alle Philosophen zeggen eenparig, dat het geheel is een tweede kundigheid en dat in de N[atuur];

072 Z u]jt u Exempel afneem, zo vermengd gij het geheel met de oorzaak: want gelijk ik zegge, het geheel bestaat alleen van of door sijn deelen

074 Z en daarom word ook het verstand van mij (voor zo veel of in opzigt het van zijne begrippen afhangd) genoemt een oorzaak. en wederom in opzigt het bestaat van sijne begrippen, een geheel. Alzo ook God en is met zijne uijtwerkzelen of schepzelen geen Ander als een Inblijvende oorzaak, en ook een geheel in opzigt van de tweede aanmerkinge;

077 Z maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt... Want zo hij en 't geene van hem is voortgebragt te zamen een geheel maaken, zoo schrijft gij God op de eene tijd meer wezen toe als op de andere tijd;

078 een ander zaak met dewelke het een geheel maakt;

079 en maakt van deze twee een geheel, hetwelk het bovenste gedeelte van een;

081 maaken wij een geheel ofte('t welk hetzelfde is) een wezen v[an reden];

083 Doet hierbij dat het geheel maar is een wezen van Reeden en niet;

091 en geen Natuurlijke gelijk wij dat heel klaar zullen toonen en doen blijken;

106 is als die poginge die wij en in de geheele Natuur en in de bezondere dingen onderv[inden];

107 De algemeene is die door de welke ieder zaak voortgebragt en onderhouden word voor zoveel zij zijn deelen van de geheele Natuur. De bezondere voorzienigheid is die poginge die ieder ding bezonder tot het bewaren van zijn wezen heeft voor zo veel ze niet als een deel van de Natuur, maar als een geheel aangemerkt word. Het welk met dit navolgende exempel verklaart word: Alle de leeden van de mensch woorden voorzien ende voorzorgt voor zo veel zij deelen van de mensch zijn, het welk de algemene voorzienigheid is: en de bezondere is die poginge, die ieder bezonder lit (als een geheel en geen deel van de mensch) tot het bewaren en onderhouden van zijn eijgen welstand heeft;

116 maar wel over het geheele geslagte van Paard;

163 of wij hebben dit gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent;

197 [met dez]elvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken;

198 >eere, Rijkdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig.];

212 zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen haat ooijt tegen iemand;

227 maar brengt ons ook geheel tot ons verderf;

236 en de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid;

237 zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van;

243 dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn;

258 Maar geheel anders is't geleegen met die de welke;

267 met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende;

268 Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt;

269 en dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't;

276 want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik;

283 zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent;

286 en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden >Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is alleen onder de begeerte en niet als heel oneigen onder de wille behore.];

293 dat de mensch als zijnde een deel van geheel de Natuur van welke hij afhangt;

294 dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van Hem, zijn;

300 en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat;

305 dat wij ons geheel zo ten aanzien van't lichaam als ten a[aanzien vande geest];

312 en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken;

332 konnen maaken, dat een lichaam het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te [bewegen];

333 want't is als een deel van't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder't lichaam;

335 zo zal dat ons deze zwarigheid heel licht weg konnen nemen;

336 onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen w[orden];

340 n Ex. gr. als de heele muur wit is, zo iss'er geen dit of dat in, etc. ... doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is: want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz;

352 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, ... >Dat is onze ziel, zijnde een Idea van 't Lichaam, heeft uijt het lichaam sijn eerste wezen; want ze is maar en reprezentatie van 't lichaam, zo geheel als bijzonder, in de denkende zaak.];

354 de geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt;

363 niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel;

365 de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken;

374 dat al heel geen goet noch wil noch doet;

377 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvele;

386 Het besluijt van dit geheel werk zal dan zijn de verhandeling van;

390 en dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaa[ke];

391 dat het met dezelve te zamen een geheel maakt;

422 de welke in zich voorwerpelijk bevat de geheele natuur;

434 soo en zoude in de geheele uijtgebreidheid niet konnen aangewezen [werden];