GOD

GOD (315x) 231x+23n+32m;

aldergodlooste;

goddelijke 4x+n+3m;

goddelijkheid; gode;

godgeleerde;

gods 27x+2n+3m;

godsdienst 3x; godt;

De* 574xE;

God exists (001sqq.). God is the cause of everything (090 sqq.). Without God nothing exists (150 sqq.). God is the most perfect subject and object of cognition (188 sqq, 320 sqq.). This Spinozistic philosophy is the real content of theology (godsdienst, 300) and politics (358 ). Methodologically the value here attributed to the proofs of the existence of God are an argument against the validity of the method with which traditional theology provided those proofs.

001ende dan het eerste namenlijk of' er een God is;

004 Indien de mensch een Idea van God heeft, zo moet **God formelijk zijn;

010 Soo nu de mensch de Idea van God heeft, zo is het klaar dat God;

019 van agteren bewijzen kan dat God is. Ja nog beter a priori;

023 alle selfstandigheid onbepaald aan' t goddelijk wezen behooren;

026 oorzaak bepaald, de welke noodzaakelijk God is;

037 geen ding in het oneijndelijk verstand Gods is als' t geen formelijk in de Natuur is;

044 wij bewijsen dat ze een eijgenschap van God is, daar uijt bewijsen wij a priori dat;

085 omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelfs heeft voort gebragd;

092 5. Ten vijfden. God is een Voornaame oorzaak van sijne werk;

093 Ten zesden. God is alleen de eerste ofte Beginnende oor[zaak];

094 Dat God het geene hij doet zoude konnen laten;

097 Voorder, als God iets zoude nalaten te doen, zo most dat;

093 8. Ten Aghtsten. God is de naaste oorzaak van die dingen die;

099 als of ik zeide: om dat God wil dat bij God is, daarom is hij God, ergo' t is;

099 Het goet is daarom alleen goet, om dat God het wil en dit zo zijnde, zo kan hij;

100 Doch' t verre daar af, want zij al voor God iets stellen te zijn aan het welk hij;

108 De derde eigenschap is zeggen wij, de goddelijke praedestinatie;

121 die de menschen gemeenlijk van God hebben;

124 een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben, zo mogen wij dan nu eens;

128 waarmede zij haar onwetenheid van gods kennis tragten te verschoonen;

133 onderscheidelijk begrijpen, het welk God is. Gelijk ook de Thomisten;

141 in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt;

169 alle deze onwetend d' een van d' anders godsdienst en zeden;

201 tenzij wij met eenen een begrip van God hebben;

253 daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet;

260 dat God is de eerste en eenige oorzaak van al;

266 >…dat God de waarheid of dat de waarheid God is.];

300 Ook brengt ons deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste is en ons zelven alsoo hem geheel opofferen: Want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid;

301 wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is.

306 nu wij al weeten dat God en wat God is;

350 >Nader verklaringe van de vereniginge met God hoe die is en waar in die bestaat.];

358 >...het niet nodig zijn van de blijdschap in god etc. te handelen en de reden waarom.];

362 Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle;

363 [di]e niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten >Beknopte beschrijving wat goddelijke wetten zijn.];

364 De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet >Wanneer de goddelijke de menschelijke wetten vernietigen. De goddelijke wetten zijn haar zelfs laatste eijnde; de menschelijke niet en de reden waarom.];

381 [voor] het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwi[ge rust];

382 veele en die men anders voor groote godgeleerde acht zeggen;

391 De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende;

394 en aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht;

concordance: God(280x ); Gode; Gods (32); Godt.

0012] 2Maar dat de wezentheid aan de Natuur Gods toebehoort, konnen wij klaar en ondersc;

001ende dan het eerste namenlijk of' er een God is? Dat zeggen wij te konnen bewezen wo;

003 nveranderlijk blijven: De wezentlijkheid Gods is wezentheid. ERGO.

004 :[5] 5Maar de mensch heeft een Idea van God . ERGO.

004 ldus:[4] 4Indien de mensch een Idea van God heeft, zo moet **God formelijk zijn:[5;

005 03n Uijt de beschrijvinge hierna van dat God oneijndige eijgenschappen heeft konnen ;

006 bewijzen wij aldus: Als' er een Idea van God is, zo moet de oorzaak deszelfs formeli;

006 rpelijk heeft: Maar daar is een Idea van God : ERGO.

010 Idea van God heeft, zo is het klaar dat God formelijk moet zijn, dog niet uijtsteke;

010 erstand is. Soo nu de mensch de Idea van God heeft, zo is het klaar dat God formelij;

016 Dat nu de mensch de Idea van God [f. 3] heeft, zulks is klaar, dewijl hi;

017 want die dingen sijn geen eigenschappen Gods . God is wel zonder deze geen God, maar;

017 die dingen sijn geen eigenschappen Gods. God is wel zonder deze geen God, maar niet;

017 happen Gods. God is wel zonder deze geen God , maar niet door deze, dewijl ze niet ze;

017 ppen: beter is' t, dewijl hy' t geen aan God eigen is verstaat; want die dingen sijn;

019 alleen door uijtterlijke oorzaaken. Dog God , de eerste oorzaak aller dingen en ook ;

019 zegge van Thomas Aquina, namentlijk dat God a priori niet en[f. 4] zoude konnen be;

019 posteriori) van agteren bewijzen kan dat God is. Ja nog beter a priori. Want de ding;

020 adat wij nu als boven bewezen hebben dat God is, zo zal het nu tijd zijn te tonen wa;

021 schappen moet hebben en dienvolgende dan God de volmaakste, de oneijndige, de alle I;

022 4. Datter in het oneijndelijke verstand Gods geen zelfstandigheid is als die formeli;

022 wete, dat in het oneijndelijke verstand Gods geen zelfstandigheid volmaakter kan zij;

023 ar heeft ze dat daar in ze verschilt van God ?Niet van God altijd, want die;

023 et het eerste, ergo' t leste, ergo' t is God . Deze dan zoude moeten bepaald hebben o;

024 n ze verschilt van God? Niet van God altijd, want die en heeft niet onvolmaa;

026 oorzaak bepaald, de welke noodzaakelijk God is.

027 el konde, smaakt na wangunst, dewelke in God die alle goet en volheid is, geen zins ;

029 n, maar alleen genereren. So dat dan als God schept, zo schept hij de natuur van de ;

035 genschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zij;

035 ns bewezen 1. uijt de oneijndelijke magt Gods , omdat in hem[f. 8] geen oorzaake en k;

036 enkomt met de beschrijvinge, die men van God geeft.

037 deze wijzen[f. 9] argumenteren: Indien God alles geschapen heeft, zo en kan hij ni;

037 t geen ding in het oneijndelijk verstand Gods is als' t geen formelijk in de Natuur i;

038 het is een veel grooter volmaaktheid in God , dat hij alles wat in zijn oneijndelijk;

038 aat zeggen wij, dat wij bekennen, Indien God niet alles zoude konnen scheppen wat sc;

038 Het eerste belangende, wij staan toe dat God niet meer kan scheppen. en wat het twed;

039 wij haar uijt deze bekentenisse van dat God alwetende is, doen argumenteren, dan en;

039 egen zijn volmaaktheid: Ergo. Dog indien God alles in zijn verstand heeft en door zi;

039 en kan hij dan niet meer weten: maar dat God niet meer weten kan, strijd tegen zijn ;

039 ij niet als aldus argumenteren.]: Indien God alwetende is, zo[f. 10] en kan hij dan;

040 en ons aanneemen: Aldus namelijk: Indien God nooijt zo veel kan scheppen of hij zoud;

040 gelijkelijk in het oneijndelijk verstand Gods is en dat' er geen oorzaak is, waarom d;

044 wij bewijsen dat ze een eijgenschap van God is, daar uijt bewijsen wij a priori dat;

045 van deelen[f. 13] bestaan,' t welk aan God alheel niet kan toegepast worden, dewij;

045 de uijtgebreijdheijd een eijgenschap van God stellen te zijn Dat de uijtgebreidheid ;

045 t de uijtgebreidheid een eijgenschap van God is word bewezen.], dewelke in een volma;

045 t, zo isse lijdende, dat ook geenzins in God ( die onlijdelijk is en van geen ander k;

053 et lijden heeft veroorzaakt: het welk in God die volmaakt is, geen plaats heeft.

053 na zullen zeggen gesteld, datter buijten God niets niet en is en dat hij een inblijv;

058 Tot hiertoe dan gesprooken van wat God is, zullen wij van sijn eijgenschappen;

058 en die[men] zoude eigene eijgenschappen Gods kunnen noemen, door de welke hij hem wi;

059 Al wat dan de menschen aan God buijten deze twee eijgenschappen meer t;

059 r van alle dingen, welke alle eijgen aan God zijn zonder nogtans te kennen te geeven;

060 at wijze *deze eijgenschappen nogtans in God plaats konnen hebben, zullen wij hier n;

074 an sijne begrippen, een geheel. Alzo ook God en is met zijne uijtwerkzelen of schepz;

075 k heb u, ô Theophile, hooren zeggen, dat God een oorzaak is van alle dingen en daarb;

076 gd als in opzigt van die dingen, dewelke God ( zonder eenige omstandigheeden als alle;

076 THEOPHILUS: Wanneer ik gezegd hebbe, dat God een verder oorzaak is, zoo is dat van m;

077 amen een geheel maaken, zoo schrijft gij God op de eene tijd meer wezen toe als op d;

077 n indien dit zo is, zo en kan dunkt mij, God geen inblijvende oorzaak zijn.[f. 25] ;

082 en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet, hoe naauw zij ook met hetzelve ko;

082 een geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren: en dewijl de geschapen di;

084 ook, aangezien zij niet onmiddelijk van God zijn voortgebragt, te niet konnen gaan.;

084 aar te zijn, maar dit zo zijnde, hoe kan God dan nog zijn een innerlijke oorzaak van;

084 iet en konnen te niet gaan; maar dat gij God geen innerlijke oorzaak noemd van die g;

084 leen voor zo veel haare oorzaaken zonder God niet werken nog konnen werken nog ook b;

084 lgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God eigentlijk een oorzaak is van die gevro;

085 felijk is, omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelfs heeft voort gebragd. Nu da;

085 s alle andere dingen die onmiddelijk van God afhangen, van eewigheid geschapen zijn.;

085 t te brengen als alleen de eigenschappen Gods; want om te zijn een wezen van zo een u;

086 ) en een zaake buijten de eijgenschappen Gods , dat daarom even wel God niet nalaat ee;

086 eijgenschappen Gods, dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te kon;

086 en van doen hebben als de eijgenschappen Gods )[dat] die onmiddelijk van hem van eeuw;

087 Maar om in ons een denkbeeld van[ f. 30] God voort te brengen en word geen ander bez;

087 mijne woorden hebt konnen afneemen. Want God , heb ik gezeid, word alleen door zig ze;

087 r, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te vertoonen.' t Geen gij o;

088 13 Dog dit zeg ik u dat zo lange wij van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeel;

088 ij en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd en zo onmiddelijk van hem af ;

089 ezighouwden tot naader gelegentheid en u God beveelen.

090 God zijn, maar nogtans is door deze geen God; want zij niet zelfstandigs door welke;

090 d de andere niet kan voortbrengen en dat God een wezen is, van welke alle eijgen[ f.;

090 d; want zij niet zelfstandigs door welke God alleen bestaat, te kennen geven.]. en v;

090 en wij dan met alle reeden mogen zeggen, God te zijn een oorzaak van alles.

090 n worden zonder haar Substantiva. Dat is God zoude zonder deze geen God zijn, maar n;

090 ntiva. Dat is God zoude zonder deze geen God zijn, maar nogtans is door deze geen Go;

090 te kennen geven.]. en vooreerst hoedanig God een oorzaak is van alles. Hier te voore;

091 an eens onderzoeken, hoe en op wat wijze God een oorzaak is? 1. Dan zeggen wij, dat ;

091 den waarin de waare vrijheid bestaat. 4. God is een oorzaak door zig zelfs en niet d;

091 jken, wanneer wij zullen handelen van of God kan nalaaten te doen hetgene hij doet, ;

091 ten hem niets niet en is. 3. Ten derden. God is een vrije oorzaak en geen Natuurlijk;

092 Ten vijfden. God is een Voornaame oorzaak van sijne werk;

092 e Minvoorneembeginnende oorzaak en is in God niet omdat buijten hem niet is dat hem ;

093 Ten zesden. God is alleen de eerste ofte Beginnende oor;

093 selen voort te brengen. 8. Ten Aghtsten. God is de naaste oorzaak van die dingen die;

093 ze voorgaande betooging. 7. Ten zevende. God is ook een Algemeene oorzaak,[f. 32] d;

094 Dat God het geene hij doet zoude konnen laten t;

095 maaktheid zoude zijn; zonder nogtans in God te stellen een minvoorneem- beginnende ;

095 word meede bewezen door de volmaaktheid Gods : Want het is buijten alle twijffel waar;

095 men. Ten anderen als wij besluijten, dat God niet heeft konnen nalaten te doen' t ge;

095 n te doen, want als dan en waar bij geen God .

095 t het is buijten alle twijffel waar, dat God alles eeven zo volmaakt kan uijtwerken ;

095 t van sijne volmaaktheid, dewijle het in God te konnen nalaten' t geen hij doet, een;

096 valt wederom het geschil namentlijk, of God al dat welk in zijn Idea is en hij zo v;

096 , datt dewijl alles dat' er geschied van God gedaan woort, also bij hem noodzaakelij;

096 ie nu van eeuwigheid bepaald zijn en dat God nog voor, nog zonder deze bepalinge hee;

096 na is, zo volgt daaruijt kragtelijk, dat God de dingen voo te vooren op geen ander w;

097 5] de volmaaktheid van alles is de wille Gods en als God dan zoude willen dat deze za;

097 dig is. Alzoo dat wij dan ontkennen, dat God kan nalaten te doen het geene hij doet:;

097 Voorder, als God iets zoude nalaten te doen, zo most dat;

097 ktheid van alles is de wille Gods en als God dan zoude willen dat deze zaake niet en;

097 t een volmaaktheid datze is en datze van God is veroorzaakt, want van alle onvolmaak;

098 geen plaats hebben als door gebrek. Dat God de alleen de enigste vrije oorzaak is, ;

098 e volmaaktheid: en dat dien volgende, zo God dit konde laten te doen, hij niet volma;

098 welk zommige voor laster en verkleininge Gods achten. Dog dit zeggen komt hervoort, o;

099 als of ik zeide: om dat God wil dat bij God is, daarom is hij God, ergo' t is in si;

099 . Het goet is daarom alleen goet, om dat God het wil en dit zo zijnde, zo kan hij im;

099 at God wil dat bij God is, daarom is hij God , ergo' t is in sijn magt geen God te we;

099 is hij God, ergo' t is in sijn magt geen God te wezen,' t welk de ongerijmtheid zelv;

099 sluijt alzo wel, als of ik zeide: om dat God wil dat bij God is, daarom is hij God,;

100 Doch' t verre daar af, want zij al voor God iets stellen te zijn aan het welk hij v;

100 zen. Maar die geene de welke zeggen, dat God alles' t geen hij doet daarom doet, omd;

101 en verstand toeschrijven, dat dan beide God beide en een ander wille en een ander v;

101 en volgen na de stellinge der geener die God wille en verstand toeschrijven, dat dan;

101 valt dan voorder het geschil namelijk of God , schoon alle dingen van hem op een ande;

102 heeden in zig besluijten en geenzins aan God die nu, te vooren en in alle eeuwigheid;

102 zo is men dan genoodzaakt te achten, dat God nu anders gesteld is als doen en doe an;

103 iets anders afhangt. Alzo dat alles wat God doet, dat word van hem als van de aller;

103 s.' t Welk dan valsch is. Want aangezien God de eerste oorzaak is van alle dingen, z;

104 ke even veel is als of men zeide: Indien God onvolmaakt was, zo zouden de dingen die;

105 aan tot de tweede eigenschap, die wij in God eigen noemen, en zien wat ons daaraf te;

108 ie. 1. Al voorens hebben wij bewezen dat God niet en kan laten te doen het geene hij;

112 ken. Maar nademaal het eerste alleen aan God toebehoort, zo word daar door betoond( ;

112 s nu ook al te vooren gedaan hebben) dat God namentlijk de oorzaak alleen de oorzaak;

114 re tegengeworpen: Hoe is' t mogelijk dat God , die gezeid word ten hoogsten volmaakt ;

115 als Redelijk, Dier, en diergelijke) van God zijn geschapen; en die Aristotelem volg;

115 zij te zijn in het[f. 44] verstand van God , gelijk veel van Platoos Navolgers geze;

116 e geslagte van Paard. Zij zeggen ook dat God geen wetenschap heeft van de bezondere ;

116 et de algemeene, dewijle die niets zijn. God dan is alleen een oorzaak en voorzorger;

116 Noijt heeft God zijne voorzorge gehad over Bucephalum e;

117 die zij waarlijk zijn. E. g. bij aldien God alle menschen zo als Adam voor den val ;

117 ne maar dat is de rechte volmaaktheid in God , dat hij alle dingen van de minste tot;

118 08 Wat het andere aangaat van waarom dat God de mensehen niet en heeft geschapen dat;

119 die *eigenschappen welke gemeenlijk aan God toegepast worden en echter nogtans aan ;

119 7] als mede van die door welke men poogt God te bewijzen, dog vruchteloos: en meede ;

120 n Aangaande de eigenschappen van dewelke God bestaat, die zijn niet als oneyndige ze;

120 REIDHEID. Voort alles dat gemeenlijk aan God werd toegeschreven, en zijn geen eijgen;

121 daarvan weten te zeggen. Deze dan hebben God beschreven te zijn een wezen uijt of va;

121 eldingen, die de menschen gemeenlijk van God hebben: maar wij zullen alleen kortelij;

122 een ware of wettelijke beschrijvinge van God en kan gegeven worden, aangezien geen b;

122 n geslacht en onderscheit bestaan kan en God dan geen gedaante van eenig geslagt zij;

123 Ten anderen zeggen zij, dat God niet en kan beschreven worden, om dat d;

123 lden en na haar stellinge en kan men van God niet bevestigende[f. 48] maar alleen o;

123 nder wijse weten. Ergo. Zo en kan er van God geen wettelijke beschrijvinge gegeven w;

124 een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben, zo mogen wij dan nu eens hare b;

124 arenboven wort nog van haar gezeijd, dat God nooijt a Priori en kan bewezen worden, ;

125 enschappen geven, door de welke de zaak( God ) gekend word wat ze is: maar alleen een;

125 goedt, Eeuwig en onveranderlijk enz. aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wij nog;

126 wij eens bezien die dingen de welke zij God toeschrijven en nochtans aan *hem niet ;

127 ds gezeid hebben, verstaan; te weten dat God onveranderlijk is en een oorzaak van al;

127 kwaad, meijnende de mensch zelfs en niet God oorzaak is van zijn zonden en kwaad, he;

131 Wat het ander aangaat van dat God [niet] van ons gekend zoude konnen word;

132 hier vooren al geantwoord aangezien dat God oorzaak is van zig zelfs, zo is' t geno;

132 en op het derde van dat God niet en zoude konnen apriori bewezen wo;

133 meene bestaat in alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen. Waarvan wij in he;

133 nde onderscheidelijk begrijpen, het welk God is. Gelijk ook de Thomisten bij het zel;

133 s. Gelijk ook de Thomisten bij het zelve God verstaan hebben, doch haare Natura natu;

134 wijsen of schepzelen die onmiddelijk van God afhangen ofte geschapen zijn, dezer en ;

135 ,[f. 55] of uijtwerksel onmiddelijk van God geschapen.

136 ne, maaksel, of onmiddelijk schepzel van God , ook van alle eeuwigheid van hem gescha;

141 60] Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen;

141 pen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt. Van wat de ziele is ;

143 t in zijn geslacht en een eigenschap van God . 4. Een volmaakte denking moet hebben e;

148 van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. en wederom alles' t g;

148 desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is.

150 bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan worden[;

150 nt wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan wor;

178 tot een klaar verstand door' t welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk d;

188 hem zo geniet En alder volmaakst als zij God tot een voorwerp heeft].

188 t is de volmaaktste mensch, de welke met God die het aldervolmaaktste wezen is, vere;

191 siet pag. 53 et seq.].. Maar de derde is God off' t welk wij voor een en' t zelfde n;

201 die sonder God niet en konnen kennen en God kennende onmogelijk die zouden beminnen;

201 el gebruijken, wij zouden konnen nalaten God te beminnen Omdat het maar alleen zijn ;

201 konnen vereenigen, dewijl wij die sonder God niet en konnen kennen en God kennende o;

201 nde onmogelijk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wij niet laten hem mete;

201 pen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is,;

201 r alleen zijn wijsen die onmiddelijk van God afhangen en met haar niet en konnen ver;

201 r( *) wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. en dewijle de natuur deser so;

202 zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid ;

202 1) *vooreerst omdat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere;

202 hebben dat als wij iets beminnende Omdat God alleen wezen heeft en alle andere dinge;

203 erste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor( ex rerum natura) vol;

203 isse van alle andere dingen En zoo staat God noodsakelijk voor in kennisse van alle ;

203 n in haar oorzaaken.]: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorza;

203 onnen uijtstorten als op den Here onse32 God ? Want hij is alleen heerlijk en een vol;

205 ig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten.( *) Het gene wij dan van d;

218 is God voor alle dingen te kennen.]. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste;

218 niet sijn plicht wel waarneemen, dat is God voor alle dingen te kennen.]. Nu God al;

218 erstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God ' t eerste kennen Hij kan ook niet sijn;

228 die die gewaant hebben en wanen, men[t] God wonder wel te staan, en door de selve v;

245 elijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen. In de Bespotter geven zij een;

259 n waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben Nota;

260 komt te volgen en welke die is.], 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al o;

260 eel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onverander;

260 s hij zijn even mensch niet en bemind om Godt . Doch in tegendeel van alle deze zo 47w;

266 ard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat de waarheid God zelv;

266 id God zelve is En ook eenigzins van dat God de waarheid of dat de waarheid God is.];

266 n dat God de waarheid of dat de waarheid God is.].

266 n dat God de waarheid of dat de waarheid God zelve is En ook eenigzins van dat God d;

275 scheppinge: namentlijk, dat in God vereijscht word een zelve werk om in' t;

276 rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerken;

276 Maar men moet zeggen, dat God die geschapen heeft gelijkse is: want a;

294 , dat wij 60waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn Dat wij slaven en dienaars Gods zi;

294 ven Gods zijn Dat wij slaven en dienaars Gods zijn.] en dat het onse grootste volmaak;

294 zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer wijnig is' t of niet dat;

295 r dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en a;

299 ere voor de duijvel En van de vreze voor God gelijk andere voor de duijvel.] die zij;

299 t ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voo;

299 waad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zel;

300 aan God toe eigenen Ook aangepord om aan God alles toe te eigenen.], hem alleen bemi;

300 deze kennisse daar toe dat wij alles aan God toe eigenen Ook aangepord om aan God al;

301 ' t geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene.

301 t welk wij niet en waren.]. Doch indien God ( om zo te spreeken) zoude willen, dat d;

302 tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods ( die wij hebben aangemerkt onse hoogste;

305 ervolgen te spreeken van onse Lievde tot God .Om dan nu te toonen datter een l;

306 ar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is Hoe bewezen word dat in d;

306 en zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is Hoe bewezen word dat in de natuur ee;

306 is, namentlijk uijt het weten dat en wat God is; zie pag. 1 tot 33.]: De welke wij h;

320 gezeit hebben volgt dat zoo wij God kennen met soo klaaren kennis als wij';

320 olgt daaruijt klaarlijk, indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo;

334 groot onderscheid is: want de Idea' s in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt ee;

334 kheijd der dingen met het wezen zamen in God , maar niet van die Idea' s welke de din;

348 ortkomt en gevolglijk de vereeniging met God door de liefde uijt deze ware kennisse ;

348 roorzaakt. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk( ;

349 an 3e, pag. 66.] die daar is de kennisse Gods , niet en is door gevolg van iets anders;

349 n worden. en hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, ;

350 Nader verklaringe van de vereniginge met God hoe die is en waar in die bestaat.]. Wi;

350 werkinge van de Idea met die zaak of met God zelve.

351 de zone Gods noemden. Want aangezien dat God van eewigheid geweest is, zo moet ook z;

351 n de Natuur zijn moet en dat wij de zone Gods noemden. Want aangezien dat God van eew;

352 vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God . en dewijl nu het lichaam het aldereers;

356 aam van het welke zij de Idea is, of met God De ziele kan vereenigen met het lichaam;

356 an vereenigen met het lichaam en ook met God .], zonder de welke zij noch bestaan noc;

357 ok onveranderlijk moeten blijven Soo met God , wat dan daaruijt volgt, namelijk dat z;

358 am getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, name;

358 n andere dingen, als van de blijschap in God , gerustheid des gemoeds enz Na al dit v;

359 een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wannee;

359 , offer namentlijk een liefde is die van God valt op de mensch.]? Maar voor eerst wi;

359 .]: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haa;

359 an ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, 86dat is of God ook de mensche;

359 ar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de w;

359 wij gesprooken van de liefde van ons tot God ) offer ook een liefde van God tot ons,;

360 ch te zijn. Daarenboven zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid mo;

360 schoon zij hem lieven want dit zoude een God vereischen die veranderlijks is.], die ;

361 alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaa;

361 e zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig besta;

361 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo;

361 ezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat.

362 gedaan heeft te belonen. Want de wetten Gods en konnen niet werden overtreeden, zo m;

362 konnen overgetreden worden Zoo en stelt God ook een wette den mensch voor om hem al;

362 worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle;

362 en hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wannee;

362 e belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, ;

364 het met die eeuwige wetten[van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt;

366 en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft me;

366 Dus verre dan van de wet van God gesteld. 91Staat dan ook aan te merken;

366 l gebruijkt en tot kennisse van God komt. en deze worden veroorzaakt en doo;

367 wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar be;

367 gende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan lat;

368 an een zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men m;

368 te zoude konnen ontstaan.], hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of ;

369 en zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeke;

369 Wij antwoorden Deze word beantwoord. God en kan zich zelfs niet met woorden aan;

369 er en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hi;

369 esproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben ;

369 eweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat ;

369 niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. en het zelve dat wij hier van de w;

369 raeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God , zo mosten zij dan al te vooren geweten;

370 et door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen;

370 Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve.Het is ook onmogelijk d;

370 Want aangezien dat geene in ons' t welke God moet kennen, het Verstand is en dat dat;

371 door iets anders God te konnen verstaan God en kan niet verstaan worden als onmidde;

371 94Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan God en kan niet vers;

371 e klaarlijk getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en ;

371 ls dan meer zoude moeten bekend zijn als God zelfs, het welk opentlijk strijd tegen ;

372 is en kan niet beslooten worden dat het God is en de rede waarom.].;

372 het ons al bekender was, tot de kennisse Gods konnen geraaken: Want hoe is' t mogelij;

373 o dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God , om zich zelfs aan de menschen bekend t;

374 is, dat t' eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overe;

374 ijvel een dink is, dat t' eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt;

374 wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant, zeker zo is hij wel ellendig. en ;

376 ge wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze v;

379 tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken.

381 uste gelijk wij getoond hebben Men zoude God lief hebben al kwam er geen eeuwig leve;

382 en is.]. Namelijk bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen, z;

382 het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders zeggen?

382 s of zij iets dat beter was als God zouden uijtvinden. Met een zeer ardie e;

384 en te zijn tot de kennisse en liefde van God , zo is' t dan hierom hoog nodig geweest;

384 oeken Het welk zonder kennisse en liefde Gods geen voortgank konnende hebben zo is' t;

384 s' t dan hierom hoog nodig geweest deze( God ) te zoeken Het welk zonder kennisse en ;

391 stelling] De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende:;

393 1 1. Eerste gevolg.] Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneij;

393 er als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer he;

394 en uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God , zoo en kan het van de zelve geen veran;

394 volgens de 3e stelling. en aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en ;

397 is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige ;

399 nd door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich zelve;

414 hoedaanig zijn alle andere eigenschappen Gods . Indien het 2e, zoo isse noodzakelijk o;

414 n eigenschap van God of ze heeft buijten God geweest een oorzaak van zig zelfs. Indi;

414 ntlijk is, zo isse of een eigenschap van God of ze heeft buijten God geweest een oor;

418 zen van de alleen heerlijke en gezegende God .

422 4 en zijnde het zodanig dat de Natuur of God een wezen is van welke oneijndige eijge;

430 genoemt heb een schepzel onmiddelijk van God geschapen aangezien ze in zich voorwerp;

437 een deel is van de oneijndige Idea, van God onmiddelijk ontstaande) kan klaarlijk g;

437 ijk ook omdat onse ziel vereenigt is met God en een deel is van de oneijndige Idea, ;