HAAT

HAAT 32x+14m;

gehat;

gehatene;

haaten 2x;

haten 2x+m;

hater;

Esau hatede Jacob om dien zegen, daer mede sijn vader hem gezegent hadde, Gen.27:41; Wanneer een man twee vrouwen heeft, eene beminde, ende eene gehaette, Deut. 21, 15; Ende Simsons huysvrouwe weende voor hem, ende seyde; Gy haett my maer, ende en hebt my niet lief, Richt.14:16; Doet wel den genen die u haten, Matth.5:44; Ende gy sult gehatet worden van alle, om mijns naems wille, Marc.13:13; Die seght dat hy in het licht is, ende sijnen broeder haet, die is in de duysternisse tot noch toe, 1Joh.2:9; Wanneer gy uwes haters ezel onder sijnen last siet liggen, sult gy dan enz.? Exod.23:5 (verg. in vers 4: uwes vyants osse); Ende gy gaeft my den necke mijner vyanden, mijner hateren, 2Sam.22:41; Ende sy (de Joden) doodden onder hare haters vijf ende seventigh duysent, Esth.9:16; Soo ick verblijt ben geweest in de verdruckinge mijnes haters, Job31:29; Laet my gereddet worden van mijne haters, Ps.69:15; Mijn heere, de droom wedervare uwe hateren, ende sijne uytlegginge uwe wederpartyders, Dan.4:19; Daer na hatede haer Ammon met eenen seer grooten haet, 2Sam.13:15; Sy haten my met eenen wreveligen haet, Ps.25:19;

Odium est tristitia concomitante idea causæ externæ, defaff7; odium 45xE; odio (habere) 128xE; odii 22xE (Præterea hoc odium erga rem amatam majus erit pro ratione; Id enim quod formam amoris vel odii constituit, est lætitia vel tristitia; hac igitur sublata, amoris vel odii forma simul tollitur);

168 De Haat dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt >De haat het tegendeel van de liefde, ontstaat uijt waan.]. Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen;

169 en is dan zo een ellendbeminner niet veel eer erbarmens als haat waardig? De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren zeggen alleen;

204 n Het geen van de liefde noch meer te seggen is, zal van ons gedaan worden pag. … en so zullen wij vervolgende voortgaan en betoonen wat ons de 3e uijtwerkinge van 't gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwijsen;

206 De Haat is een neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft >Dat de haat is een nijginge van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.];

207 wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden >Dewijl wij dan nu sonder passien konnen werken, wat sal dan best zijn, of dat wij de geene die ons kwaad veroorsaken met haat vlieden of dat wij hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan?], of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan;

209 Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saaken met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien. Wat de haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen plaats hebben > Zo de haat uijt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.]... Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden >Maar staat te ondersoeken of sij ook niet ontstaat door ware redenering. Hier toe sal nodig zijn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.];

210 De haat is een ontstelling in de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten;

211 Van de haat dan komt hervoort droefheid en de haat groot zijnde, zo werktse uijt Toornighe[it] >Uijt de haat komt droefheid en groot zijnde Toornigheid.], de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van' t gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is;

212 Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen haat ooijt tegen iemand en konnen hebben >Hieruijt volgt dan dat wij ons reden wel gebruijkende geen haat of afkeer tegen eenige zaak konnen hebben: zo en kan die dan uijt de ware redenering niet zijn, noch ook tegen eenig mensch en om wat reden.];

214 En heeft de haat in zich zo veel onvolmaaktheden;

239 (als in de beschrijvinge van de haat getoond is);

247 erinneren' t geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben;

259 maar die dingen die door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp;

296 maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen > Dat wij onse naasten liefhebben en nooijt haten.];

313 >.begrip van zaaken uijt de welke liefde haat of droefheid etc. volgt.];

359 -360 Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft;

veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten. ... Daarenboven zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit is de ongerijmtheid zelve.