11. 1.3.11 Werd met een Fabul afgebeeld hoe groot een schelmstuk het zy in zijn vry Vaderland een Monarchaale regeering in te voeren.

En van dit grouwelike land-verraad dat men begaat, als men sijn eigen vry Vaderland tot een Monarchale staat doet vervallen, heeft Trajano Boccalini de 21. zoo leeswaardige Fabul versiert, dat het my der pijne waardig dunkt, die aldus te vertaalen:

Om dat Apollo zeekerlik geloofd dat in de Republiken meer als in de Monarchaale regeering, de wetten werden gemaakt ten voordeele van 't gemeen; en dat de Ingezeetenen aldaar meer werden opgewekt tot deugdsaame werken; als meede dat alle weetenschappen en borgerlikke politie, aldaar meer bloejen: soo vervloekt hy ten hoogsten alle [269] Tirannen die zig meester maken van de vryheit eener welgestelde Republike. Naademaal zy, zig in die geroofde Hoogheid, niet konnen vesten, dan met alle grote [uitsteekende] deugden der uitsteekende Ingezeetenen te haaten, en die also strengelik te vervolgen, als de wettige Princen de vuile misdaaden straffen. En deeze wreed- ofte boosheeden, werden zy, volgens de regulen der politie, genoodsaakt te begaan, alzoo waarelik (nemo unquam imperium flagitio quæsitum bonis artibus exercuit. C. Tac.) nooit is gebeurt dat iemant door schelm-stukken verkreeg een Heerschappye, die hy daar naa loffelijk bekleedede. Sulks zijn Majesteit, om alle borgers van een Republik af te schrikken van zoodaanig schelm-stuk, door een booven maaten droevige vertooning, gisteren op het vermaart toneel van Milpomene deede vergaderen, alle Raads-Heeren der Republiken, resideerende in zijn Staat.

En naa dat hy aan het ander eind des Toneels had doen verschijnen Julius Cæsar met Actia zijn zuster, en Augustus, zijn neef, met desselven dogter Julia, en haare zoonen die zy had by haren man Marcus Agrippa, namentlik, Lucius, Cajus, en Agrippa Posthumus. Als meede Julia; en Agrippina met haar huis vol kinderen verwekt by haar man Germanicus: Soo was het voor Cæsar, een uitneement ellendig en beklagelike zaak, te zien, dat hy met zijn beestagtige heerzugtigheyt, niet alleen zijn eige wreede dood ver[270]oorsaakt had, maar dat daar op in korten tijd de uitroejinge van zijn gansch geslagt was gevolgt. Waarelik, hoe soude hy [wie zoude] zonder groote smart hebben konnen zien, dat onder zoo veele afkomelingen van Octavia en Julia, Suster en Dogter van Augustus, geen was, dan die men door vergift, honger, 't swaart ofte eenige andere ellendige dood had omgebragt? En nogtans kreeg Cæsar, in deze smertende wont, nog een andere zoo pijnelike harde slag, dat hy niet min raazende wierd als een dollen stier, naamentlik als hy zag dat het Keiserrijk, verkreegen door zoo grooten smet in zijn reputatie, en door het storten van alle zijn bloed, naa Augustus dood oovergegaan was, in den perzoon van Tiberius, tot die wreede en onmenschelike familie van Claudius, die met een Tigerlike wreedheit vervolgde de Juliussen, van wien zy dat Rijk hadden ge-erft. En alle andere aanschouwers werden niet min in haar gemoed onstelt, ooverdenkende de gewoonelike ellende der Tirannen, die niet konnende Gods onvermijdelijk oordeel ontgaan, niet alleen genoodsaakt werden haare geroofde niewe heerschappye en souverainiteit te fondeeren met haare eige bloedige dood: Maar dat om die ambitieuse schelmstukken te straffen, God in zijn streng oordeel ook wilde, dat het bloed eener, die zoodanig uitsteekende schelm-stuk had bedreven, niet lange tijd die heerschappye bezat. Zulks God die magt en heerschappye, zeer [271] haast overgaf aan een ander geslagt, Welk, volgens de regulen eener goede politie, zig genoodzaakt vindende het bloed des eersten Tyrans uit te roejen, een wel verdiende publike straffe oeffende, oover die Verkragters en Moorders der vryheid hunnes eigen Vaderlands.

En behalven deeze wierd nog vertoont een andere rampzaligheyd, welk nog oog, nog hart der wreedste en heersugtigste [eergierigste] menschen deeses schouwburgs konde verdragen; zulks dezelve de traanen uit de oogen perstede allen die eenige deugt beminden. Namentlik: Wie zoude hebben konnen aansien een vertooning, waar in de nieuwe heerschappy wert gebouwt, niet met steenen, maar in plaatse van dien, met vermoorden menschen-vleesch; en in plaatse van kalk, met duivelsche meineedige ongeregtigheeden, en met ysselike wreedheden, als meede in plaatse van water met stroomen van bloed? Hier op riep Apollo met zoo een yslike stemme, dat zy een yder verbaesde; heerzugtige Tirannen, zie, dus eindigen uwe hoovaerdige gedagten in ongelukkige tragœdien, veroorsaakt door uwe ooverdaadige geld- en heersucht! Zie tot deeze Hoogheden stijgen de familien der geenen die godlooselik de vryheid hunnes Vaderlands verkragten. Vervloekte Cæsar! die zoo boos-aardiglik de Edele Roomsche Republik tot uw' slavin maakende, getoont hebt, God niet te kennen, ofte ten minsten hem niet te vreezen. Zie, aanschouw en let nu, hoe hy u en uws gelijken met al haar [272] geslagt tot deeze onuitspreekelike ellenden kan brengen.

En hoewel Cæsar genoeg liet blijken, hoe zeer hy oover dese woorden verbaast en treurig was; Soo vond nogtans Apollo goed, de ziel deezes heerzugtigen mensche nog wreedeliker te pijnigen, en in teegendeel te vertroosten de, door gemelde vertooningen onstelde, gemoederen der eerlike borgeren, en aller Republiken Raads-Heeren aan te moedigen, tot handhaavinge der vryheid hunnes Vaderlands; sulks hy op het tooneel deede koomen dien anderen Neptunus, dien Zee-Held en doorlugtige Prins Andrea Doria, neevens zijn geheel uitsteekend geslagt. En Cæsar, ziende dit geluk van die vermaarde familie, en der gemelde Heeren glans in haar vry Vaderland, en dat zy van de Genuésen, indagtig der onuitsprekelike weldaad, ontfangen door den Stigter der teegenwoordige Vryheid; wierden als Vaders des Vaderlands geagt, ge-eert en bemind: Als meede dat die onsterffelike Prins, wegens zijn zeedigheit, die doorlugtige faam onder zijn Burgers had verkreegen; Soo wierd Cæsar door de nijt oover de grootheit deezer Helden, meer geplaagt, als door zijn eigen quaad. Want toen sag hy zeer wel, dat het voor hem en zijn af-komelingen veel zaaliger en glorieuser zoude zijn geweest, indien hy, na het overwinnen van Vrankrijk, den weg des doorlugtingen Vorste, Andrea Doria, was ingegaan,[273] met de Vryheit zijns Vaderlants, vervallen tot een verwerde populare regeering, te herstellen en de zelve waapenen, door de welken hy zoo schelmatig de authoriteit des Senaats had vertreeden, te gebruiken, om te vernietigen die hoovaardige en onweetende Tirannye des Graauws, en ter contrarie in zijn Vaderland te stiften een volmaakte Aristokratike Regeeringe, en dienvolgende te verkrijgen die hoogdraavende titul, en dat doorlugtig voor-regt, van te zijn de tweede Fundateur der Roomse Vryheid; Naademaal hy en zijn posteriteit, door zoodaanige resolutie, alzo vermaard en beroemd zoude hebben geweest binnen Romen, als de beroemde, en vermaarde familie van Doria is in de eedele Republike van Genua [is]; alwaar zy zal weezen geagt en ge-eert zoo lang als de muuren der stad overeinde zullen staan, en zoo lange als men eenige Genuésen op den aardboodem zal vinden.

Deese Fabul leerd: Dat alle Ingezeetenen, en voorneementlik de Geesteliken, in haar vry Vaderland, zoo binnens huis, als in haare publike (Hymnis) gebeden en lof-zangen tot God, daageliks behoorden te bidden, à furore Monarcharum libera nos, Domine. Item:

Stet quicunque volet potens

Aulæ culmine lubrico,

Me dulcis saturet quies,

Obscuro positus loco [274]

Leni perfruar otio,

Nullis nota Quiritibus

Ætas per tacitum fluat.

Sic cum transierint mei

Nullo cum strepitu dies

Plebejus moriar senex,

Illi mors gravis incubat

Qui notus nimis omnibus

Ignotus moritur sibi.

Senec. Trag.

O goede God! bewaar ons voor een woedend Heer;

Heeft vryheid last geleên, geef ons die zuiver weêr.

EINDE.