Sulks ik besluiten zal, ten eersten, dat een politik ofte militair Hoofd, ad vitam, wanneer het selven Kinderen en Sy-magen heeft, alle Vryheid der Republijken met der tyd overweldigen kan. Nademaal de Nederlandse Provintien, begaaft zijnde met alle bedenkelike voordelen; namentlik, Volk-rijke gefortificeerde Steden, Vroedschappen, ad vitam, en gewapende Poorters, &c. eindelik vertreden zijn geworden door hare Hoofden. Ten tweeden, dat selfs de geestelike en kinderloose Hoofden, ad vitam, de Vryheid harer Republiken hebben konnen vertreeden, soo wanneer de Sy-magen der gemelde Hoofden hebben mogen succederen. Want wat belankt de Pausen die tot heden 't selven niet hebben konnen doen, dat moet werden toe-geschreven, ten deele aan haar ouderdom naademaal die in het kerkelik bestier best past ende ten deel aan de Cardinalen geen jonge kiesen willen<de> op hoope van selfs daar naar gekoren te werden, ende ten deele aan de fundamentale Wetten dier Republiken, verbiedende een Cardinaal te doden ofte van sijn amt te setten: en twee na een volgende Pausen uit het selve geslagt te kiesen. En booven alle is seer wel te considereeren, dat deese Roomse Kerkelike Republik, hare vryheid niet lange soude hebben konnen bewaren, indien niet het Hoofd, en alle de Leeden der gemelde Republike, uit enkele ecclesiastike persoonen bestaande; tot de wapenen seer onbequaam waaren geweest. En indien niet (nulli tutius peccant quam sub pietatis [308] infulâ) aan de andere zijde, alle die onderdanen (majorem fidem adhibent homines iis quæ non intelligunt. Et cupidine humani ingenii libentius obscura creduntur.) in geloofs saaken, uit een dwase eerbiedigheid tot de Geesteliken, liever pleegen aan te neemen als te ondersoeken, alle 't gunt haar door die Kerkeliken geleerd werd; en dienvolgende aan gemelde Geesteliken een seer schoone geleegentheid geeven om (in nomine Domini incipit omne malum) met het deksel van Godes eere, conscientie, en stigtinge der Kerke, alle haare potten dekkende, haare quade desseinen uit te werken, en staande te houden.
Maar hoewel de kerkelike onder alle eenhoofdige regeeringe de beste is en dien volgende geen soo grote ontvolking heeft veroorsaakt, soo is nogtans deese Kerkelike Republik, [is] voor den Wereldlike stand, van den beginne af, soo ruineus geweest, en is nog heeden naa de Reformatie, soo schadelik voor den politiken staaten, dat men die, (tanquam nata in perniciem generis humani,) in allen manieren behoorde te verfoejen en te verdelgen gelyk warelik de Francoisen en Italianen de Regeeringe der kerkelike personen ten hoogste verfoejen wanneer sy een seer grote absurditeit of misslag in de Politie noemen un pas de clerc ende governo da prete papenwerk waarin de Duitsen van ouds meede overeenkomen seggende
Daar papen raden
Lands-knegten sieden en braden
En wyven hebben tregiment
Neemd het selden een goed end.
Ten derden, besluit ik, dat alleen de Sarasinse Republik, voorsien met een kinder- en mageloos-Hoofd, ad vitam, gekoren door oneindelik veel kinder- en mageloose militaire Leden hare vrye Regeering heeft konnen behouden. En wat belangd die Sarrasinise Republik, sy was soo monstreus, dat men die behoorde te smooren; sonder ooit diergelijke aan te queken. Sulks, ten vierden, geconcludeerd werd, dat de Republiken voorsien met een Hooft, ad vitam, eenige magt in de politie ofte in den Oorlog hebbende, waarlik Monarchien zijn, ofte werden ende dat dien volgende alle soodanige Hoofden der republiken, den gemeenen ingeseetenen 't zy onderdanen, 't zy Regeerders des Lands uitneemend seer schadelik zyn.