Maar hier teegen staan ons weederom te considereeren, alle de volgende Naadeelen der Republiken in het generaal; Namentlik:
Ten eersten; alle vergaaderingen vereissen zeekere bepaalde plaatse, alwaar de stemmende Leeden zouden konnen by-een-komen; zulks [325] die zig meester van de plaetse kan maken, ook genoegsaam meester van de Republik is.
Ten tweeden, werd vereist zeekere bepaalde tijd om by een te komen, en de nature noodsaakt, dat men in het korten weederom scheiden moet. Sulks een yder, die de resolutien van zoodanige vergaderinge vreest, ligtelik een stok in 't wiel kan steeken, of door hem zelven, of door eenige vrienden, zulks de tijd doorslippende, de vergaderinge van dien dage werd kragteloos gemaakt, en ondertusschen kan groote veranderinge voorkomen, en d'occasie, van de Republike wat goeds te doen, voorby gegaan wezen.
Ten derden, alle leeden der vergaderingen, zijn particuliere menschen, haar eigen bysonder goed, verscheiden van het gemeen, bezittende; en wanneer eigen tegen gemeen komt te stooten, gaat eigen altijd kennelik voor, (piu pesa un oncia d'util proprio, che cento libre di stato,) wie brengd water aan zijn buyrmans huis als eigen in brand staat? En dewijl daar-en-boven de wijze en deugdlievende menschen, die haar eigen welvaaren aan 't gemeen koppelen, altijd in de wereld het minste deel uitmaken, (à potiori & ordinario fit denominatio,) mag men zeer wel zeggen, dat de regeerende Leeden altijd in de Vergaderinge verschijnen, en swanger gaan met haar eigen particulier intrest te bejagen, ook tot nadeel van het gemeen; en vermits de Leeden der vergaderinge alle met eede aan, (Salus Poluli.) [326] 's Lands welvaaren verbonden werden, en de particuliere interesten veelzins tegen malkanderen stryden, sulks zy alleen dragelik werden voor Leeden die daar door niet werden gebaat, (nemo gratis nequam, alle boosheid heeft zijn waarom,) als die particuliere interesten teegen het gemeen niet stooten, zoo tragt een yder zijn eigen interest zoo op te pronken, en voor te doen, gelijk of 's Lands welvaaren daar aan ten hoogsten gelegen waare.
Hoogstraten 66
En dit is 't gunt de Ouden ons hebben geleerd met deeze Fabul: volgens het eenparig oordeel aller borgeren, teegen het geweld der opkomende vyanden van buiten dienstig zijnde dat zekere groote oope Vlek wierde beslooten, riep men daar na op dit point hoe hetselven in het werk te stellen [op dat point] alle Borgers by een, en vond men in dat stuk niet dan verschillende avisen. Want de Landluiden, Delvers, zeyden aarde-wallen de besten waaren, en de Metselaars zeiden, dat die al te gemakkelik konden werden beklommen, sulks een goede steene muyr alles oovertreftede, en dat beiden te maken al te kostelik zoude weezen. Waar op de Timmer-luiden zeiden, dat een van twee veel te kostelik was, en dat by vergrooting der Stad alle die onkosten onnut wierden bevonden; sulks het veel raadsamer was die te sluiten met onkostelike planken, die men in allen gevalle, zeer ligt verzetten konde. De Glaazemaakers hadden in steene ofte houte muuren eeven groot gevallen, op conditie dat daar in glaaze vensters wierden gemaakt, om door te konnen zien. De Smeeden vonden dit ook goed, mits daar in yzere gaarden teegen een [327] inbreuk wierden gezet, en dat zy smeeden alleen, het yserwerk en nagels zouden leeveren, zonder dat eenig vreemd van buiten inquaame. De Rentiers en Koopluiden zeiden, dat gansch geen onkosten daar toe van nooden waaren, maar alleen goede ordre, dat alle de peuin en vuilnisse ofte slijk der straaten, ter bestemder plaatsen rondom het Vlek wierde gevoerd; En dit avis wierd van den Wijnkoopers en Brouwers hoog geroemd, zeggende dat haar uitgeperste wijndruiven, wijnmoer en draf, met der tijd alleen genoeg zoude weezen om de Stad te sluiten, waar meede de anderen spotteden, zeggende: Wat schoone Wallen zoud gy ons verschaffen, die van de Zwijnen opge-eeten zouden werden? En dus verliep de tijd, zonder ietwes beslooten te hebben, en met een groot onderling misnoegen.
Ten vierden, vermits onder de menschen niet alleen verscheidenheid van interest, maar ook van oordeel is; zoo moet noodsaakelik volgen, dat in alle vrye vergaderingen veelerley propositien werden gedaan, en dat een yder, of zijn eige welvaaren, of zijn eigen popjen lievende, alle zijn kragten en welspreekendheid zal gebruiken om zijn propositie te doen voor goed opneemen. Uit welke consideratien ook groote jalouzyen veroorzaakt, en veele goede conclusien, niet alleen uitgesteld, maar voor altijd, belet werden. [328]
Ten vijfden, vermits de menschen niet onweetende alleen, en haare eigen lievende, maar zeer nydig oover een andermans eere en welvaaren zijn, zoo volgd ook noodsaakelik, dat alle propositien, hoe dienstig de zelven mogen zijn, in alle vrye vergaderingen veel teegenspreekens moeten lijden, door welke verscheide propositien, en dwersdrijvingen, veel tijds moet werden verlooren, Dum deliberant Romani perit Sagunthus.
Twee honden vechten om een been,
En gaat de derde daar mee heen.
Ten Zesten, vermits in vergaderingen met meerderheid van stemmen moet werden geconcludeerd, zoo tragt een yder voor af, met kuipen zoo veel stemmen te winnen als mogelik is, en 't argsten van allen is, dat de besten, zig op de geregtigheid haarer zaake verlaatende, niet alleen in 't kuipen, maar ook in het proponeeren, en teegenspreeken de discreetste zijnde, zig aan formaliteiten binden: Want voorwaar de goede ordre en justitie is heilig, indien in weereldse zaaken ietwes heilig te noemen is. Waar tegen de Boozen, zeggen dat de Weereld met de Pater noster in de handen niet te regeeren is;
Maar dat men met de Wolven moet huilen,
En met het kussen moet kunnen werpen builen, [329]
In schaamteloos liegen, en niet min verzaaken,
Om Heerlik door de wereld te geraaken;
Als meede dat een yder zig moet krommen,
Indien hy wil door deeze weereld kommen.
En daarom zetten gemelde Booze menschen alle schaamte, ordre en Wetten ter zijden, zulks zy, goede en quaade konsten om tot haar voorneemen te koomen, gebruikende; een groot voor-deel boven deugdsaame menschen hebben: waar door men altijds ziet, dat stoute luiden het beste deel van de wereld hebben: Want (qui en a le proufit en a l'honneur,) die zig voor schaade niet kan wagten, is nooit van schande vry.
Ten zeevenden, is daar-en-booven kennelik, dat in alle vergaaderingen behoeftige en ondeugende menschen gevonden werden, die zoo wel van in- als van buitenlandse Heeren, kragtiglik konnen werden gecorrumpeert, ofte omgekoft. In allen gevalle is immers klaar, dat, in een Republik, zoo veel voordeels niet kan werden verkreegen met wel regeeren, als met ambitie, corruptie, trouwlooze avisen, verraderse daaden, en binnelandse oorlogen. Tarda sunt quæ in communi expostulantur, privatam gratiam statim mereare, statim recipias. C. Tacit.
Ten agtsten is kennelik, dat selden iemand wil, ten voordeele van het Gemeen, particuliere vyanden maaken, met boosaardige leeden oover lijf en [330] goed oopentlik aan te klaagen, in een vergaderinge, zonder dobbeld bewijs: alzoo ter contrarie altijd menschen gevonden werden, die tot nadeel van 't Gemeen, zig met Vrienden sterken [willen], en den schuldigen vryspreeken willen; want dit is het gunt, waar oover een yder in de Republiken klaagt, dat niemand aldaar naar behooren kan werden gestraft, 't welk alle menschen boos maakt. Licentia fimus omnes deteriores.
Ten neegenden, de resolutien genomen zijnde, gebeurt veeltijds, dat de zorgeloosheid en 't afweesen van eenige weinigen veroorzaakt, dat de contrarie partye die ooverstemd is geweest, ende door de genome resolutie beschadigd, ofte door de contrarie resolutie gebaat meend te sullen konnen werden dezelve zaak weederom in deliberatie legt, en contrarie resolutie doet neemen.
Ten tienden, de partydigheid kan in vergaaderingen zoo hoog loopen, dat men om eigen interest, scheuring, regeering in regeering, en binnelandse oorlog veroorzaakt: alsoo door het twisten ten weedersyden alle magt ingespannen zynde geweest, openbaar is geworden de boosheid der magtigste, ende de swakheid der anderen. Sulks de selve van hare partye het allerargste vreesende gemeenelik hulp van buiten de Vergaderinge inroepen, om de sterkste partye te konnen ooverweegen; welke hulp nogtans veeltyds den ondergang der Republike veroorsaakt.
Ten elfden, vermits in Republiken de Executeurs der resolutien en Wetten voor zeer korten tijd werden gesteld, zoo hebben de Magistraats-persoonen daar toe in het eersten niet bequaamheids genoeg; en op het laatsten verzuimen zy alle haatelike zaaken, ten lasten van haar Naavolgers. In allen gevalle werd alles zeer flauwelik, ten voordeele van 't gemeen, behertigt terwyle veeltijds in Magistrature zijn, ofte komen andere menschen, die aan het contrarie gelegen is, ofte die onder de dissentieerende Lee[331]den zijnde geweest, haare eere schijnen te vergrooten, met een zaak die zy hebben ontraden, qualik te doen uitvallen.
Ten twaalfden is kennelik, dat in Republiken een secreet niet wel kan werden bewaard, zulks aldaar onmogelik is, door omkoopen, ofte haastigen ooverval, de vyanden te beschaadigen, ofte schaadelike leeden der vergaaderingen, en andere ingezeeten tegen te gaan.
[Alle welke Voordeelen, teegen de Naadeelen der Vryheid in het generaal gewoogen zijnde, soo swaar schijnen te weezen, dat de Monarchale Regeering daar teegen gansch geen schaal houden kan. En dienvolgende schijnt, dat men ten voordeele der Vryheid nu wel soude mogen concludeeren. Maar het dunkt my geraden, die saak nog eerst in het particulier te ondersoeken, en voor te stellen.]