6. 2.2.6 Het derde grootste gebrek der Aristokratike Regeeringe, bestaat in Oligarchie, Dominatio Paucorum, stato da pochi, een regeering van weinig menschen.

Behalven deeze twee afzienelikke, is in de Aristokratike Regeering nog een zeer schadelik gebrek te vinden, namentlik: als de Leeden der souveraine vergaderinge zoo weinig zijn, dat in deselve soo weinige verscheide interesten zyn, dat sy souden seer wel konnen varen, schoon genomen sy de andere gemeene ingeseetenen seer qualik doen varen souden ende dat iemand [dat men] met zeven ofte acht stemmen te winnen, zig waarschijnelik kan inbeelden, een resolutie naar zijn eige zinnelikheid te zullen konnen uit[349]werken. Want ook sonder Hooft, en met balotteren, is als dan onmogelik te beletten, dat die weinige Regeerders haar eige welvaren nooit tot naadeel van't gemeen soeken ende dat niet eenige weinigen uit die vergaaderinge, alle de kragt der Regeeringe tot zig trekken, 't zy uit kragt van Familie, Verstand, Welspreekendheid, Vlijt, Magistrature, Penne, ofte Swaard te voeren. Dewelken als dan veeltijds speelen, (hodie mihi cras tibi. casus pro amico, casus pro innimico.) Nu is het mijn beurt, mergen de uwe. Laat ons een Vriend een slag voegen, ofte een Vyand de kaats teekenen; sulks deeze, die op een dak kaatsen, malkanderen alle ballen van profijt, eere en magt in de handen speelen: tot naadeel van haare andere Mede-leeden, en andere goede Ingezeetenen: welk spel gemeenelik hier op uitkomt.

Six cinq geeft niet:

Deux as heeft niet,

Quatre trois moet geeven,

Om six cinq en deux as te doen leeven.

Dienvolgende kan een yder klarelik sien, hoe ligtelik de Leeden, die door deese regeeringe minst werden gebaat, de andere magtiger kuipers, by den gemeene onderdanen seer gehaat maken, en door de gonst der gemelde Onderdanen, aan de andere zijde gesterkt zijnde, een verfoejelike scheuring in de regeeringe veroorsaken konnen.

En eevenwel is waaragtig, dat deeze Oligarchie (Dominatio Paucorum, Stato da Pochi) nog veel beter is, als een regeering door Partizans ver[350]deeld: want vermits die Leeden, niet soo ligtelik oproer konnen maken, en dat zy nogtans, als menschen in zoo avantagieuze deelingen, zig niet konnen verstaan, om al te veel booter op een andermans [eene] koek te doen, terwyle een yder die liever op syn eigen soude hebben zoo moeten daar dikwils questien rijsen, die door Wetten en Resolutien werden needergelegt; het welk in Republiken zeer veel goeds doen kan, en geen bewijs hoefd, vermits meest alle Nederlandse Steden aldus werden geregeerd, en nogtans, ten respecte van andere Landen, van oover langen tijd zeer welvaarende zijn geweest. Maar of dat welvaaren, lange in de Vereenigde Neederlanden, voorneementlik in Holland, zal duuren, is reeden te twijffelen: Want vermits de Steeden zoo zeer zijn vergroot, en in menschen oneindelik toegenomen, zonder dat de Raaden zijn vermeerderd; jaa ter contrarie seederd den jare 1650 teegen alle goede politie in verscheide Steeden zijn verminderd, zoo is die disproportie, tusschen Regeerders, en Onderdaanen veel grooter geworden; en is te vrezen dat die (Paucorum Dominatio) Heersching van weinig menschen, die nu aldaar door twee seer wel bekende binnenlandse teegen-streevers werden in den toom gehouden, die ongemakken niet soo haast sal te boven gekomen weesen of sal tot grote Hovardie, laatdunkenheid en strenge regeeringe vervallen; gelyk aan de andere syde soodanige weinige regeerders alsdan by verminderinge van neering, en welvaaren, by leedige en ongemakkelike Onderdaanen, niet zal konnen werden lang gedragen.