6. 3.1.6 Naader Consideratien oover de gebreeken der Populare Regeeringe.

Tot hier toe zeer wijdloopig [hebbende] gesprooken, en gesteld hebbende meestendeels het gemeen gevoelen aangaande de voor- en naadeelen der Populare Regeeringe, en die weederzijds zodanig zijnde, dat men ten eersten opslagen niet schijnd te konnen zien, of men deese Regeering boven, ofte beneeden een Aristokratike behoorde te stellen; zoo heeft het my goed ge[558]dagt, om den Leeser in deese twijffelinge te helpen resolveeren, deesen aangaande nog ietwes te zeggen.

Namentlik, indien de practijk en de effecten, ofte vrugten der Populare Regeeringe, kennelik beeter zijn als die van eenige andere regeering, zoo moet noodsaakelik alle speculatie van perfectie ofte imperfectie daar teegen strijdende, zig gevangen geeven. Want Menschen zijn geen Engelen, maar volgen in de prattik warelik haare passien veel meer als de speculatien, ende de goede reeden.

Waar op ik, verder bouwende, zeg klaar te weezen, dat alle bekende Populare Regeeringen, uit zig zelven altijd, (ten zy dezelve door grooter uitheems geweld zijn verslonden, het welk alle Regeeringen gelijkelik drukt,) hebben veroorsaakt zeer groote, en meest Koop-steeden, oovervloejende in rijkdom, wettig verkreegen, en in alle konsten, weetenschappen en Deugden; namentlik, Sidon, Tyrus, Athenen, Syracusen, Rhodes, Chios, Venetien, &c. Ja dat meer is, alle die andere Republiken, die zig voor deesen door roof en oorlog hebben konnen verrijken, vergrooten, en zeer beroemt maaken; zouden dat zelven niet hebben konnen doen, indien haare Aristokratike Regeeringe niet waare vermengt geweest met een Populare: als Sparta, Carthago, Roma en dat de grote steeden oneindelik meer voordeelen den inwoonders aanbrengen als kleine magtelose steeden, kan niet werden ontkend; ende daarenboven is in alle gevallen [is] klaar, dat seer kleine Steden, en Dorpen door de minste Oorlogen werden verdistrueert, en voor altijds vernietigd; daar ter con[559]trarie, alle groote Steden, voornamentlik die haar eigen meester zijn, niet dan door uitneemend landurige en swaare Oorlogen werden vermeestert: En geplondert ofte verbrand zijnde, steeken deselve groote Steeden kort daar naa, weederom het hooft soodanig boven, als men aan Tyrus, Sidon, Athenen, Roomen, Luyk, &c. menigmaalen heeft gesien. En wat belangd de Koninglyke Residentie-Steden, die gemeenelik ook zeer in grootheid en rijkdom toenemen, dezelven komen hier gansch niet in consideratie alsoo dezelven werden gebouwd, vergroot, en verrijkt door het vleesch, bloed, sweet, en goed aller andere onderdaanen; Sulks 'tgunt men van de altyds oorlogende Romainen pleeg te seggen, namentlik ([van de Romainen segt men] si spolia redderetis, ad tuguria & casas redeundum vobis esset. Indien gy 't geroofde goed wederom gaaft, zoo soud gy in uw hemd staan.) insonderheid waaragtig is van [En dat] alle de Residentie-Steeden alsoo die zijn groot geworden door geweld, rooven, steelen, en plonderen der koningen en hunner Hovelingen, op [van] andere mindere steeden en onderdanen, [is klaar]. (Serpens nisi Serpentem deglutiat, non fit Draco. Crescit interea Roma Albæ ruinis. Liv. Bellis externis aliena consumere didicimus. Tacit.) Zulks dezelven te regt werden vergeleeken by de onnutte milt, die nooit groot en vet werd, dan met verminderinge en uitteeringe aller andere leeden des menscheliken lighaams, beeter en noodsakeliker werkingen, tot conservatie des levens, en gesondheid doende.

Ten tweeden zeg ik, dat alle de voorgaande bygebragte voordeelen der Populare Regeeringe, [daar] alleen gewisselik, in die en in geen andere Re[560]geering werden gevonden. Zulks zy vast en onbeweegelik staan.

Maar ten derden, de gemelde gebreeken aangaande, zeg ik, (partito tutto netto, tutto perfetto si trova nullo. Vitia erunt donec homines. C. Tacit. Vitiis sine nemo nascitur, optimus ille qui minimis urgetur. Bey weisheid musz ein torheid seyn. Nihil ab omni parte beatum.) dat gelyk men van de waarheid der Mathematice, Physice, en Metaphysice ofte der Wiskonstige, Naturelike, en Boven-naturelike saken een volkome bewijs, en demonstratie geeft, wanneer men toond (Prædicatum esse de essentiâ subjecti, seu quodammodo identificari & involvi in natura subjecti,) dat het gunt men van een saak segt, aan die saak soodanig eigen is, dat gemelde saak sonder het geseiden, de selve saak, welkers naam sy draagd, niet soude weesen. In het korte gesegt, gelyk in alle booven gemelde saken is, ietwes geheel waaragtigs, sonder vermenging van onwaarheid. Insgelyks waaragtig (nemo bonus nisi deus, sola divina absolute et simpliciter bona) dat God de Heer alleen goed is, soodanig dat in syne actien geen quaad ofte onvolmaaktheid aangeweesen kan werden; ende dat daarenboven oneindelik goed te zyn is een noodsakelik gevolg van dat oneindelik volmaakt weesen welk wy met de naam God uitdrukken: sulks men van de perfectien en goedheid der goddelike actien oft werkingen een volkomen bewys ende Demonstratie geeven kan. Maar geheel anders is het gesteld met het naaspooren van de goedheid en Nuttigheid onser morale politike en kerkelike ordren actien en [der Morale, ofte] menschelike saaken, want vermits nietwes onder onse menschelike actien en saaken soo goed en nut is, dat het niet ten seekeren opsigte quaad ende onnut soude weesen; en dat aan de andere zijde nietwes soo quaad ende onnut is, dat het niet ten seekeren opsichte sijne kennelike goedheid ende nuttigheid soude hebben; soo bestaat alle Morale Demonstratie, voorsigtig- en wijsheid hier in, dat men het goeden, met het goede; en het quaden, met het quade, als mede het goeden tegen het [561] quaden, en het quaden teegen het goede wel ooverwoogen hebbende, uitkiest, ofte verwerpt, niet het gunt absolutelik goed, ofte quaad is, maar wel het gunt waar in het meesten goed, ofte het minsten quaad is. Sulks in de Politie seer klaar is dat men niet een enkeld mensch, veel min een menschelike groote Societeit zonder gebreeken vinden kan, en dat men, de beste noemende, die de minste gebreeken heeft, in deese boose weereld ook goed moet noemen alle zoodanige imperfectien en gebreeken der regeeringe, die andere grooter imperfectien en gebreeken beletten. [Want voorwaar], (E duobus malis, minus, rationem boni habet.) en daarenboven kan niet werden ontkend dat oneindelik veel voorvallen zyn in welken men niet sig lang beraden sonder de occasie om wat goeds te doen te verliesen: jaa dat meer is veeltyds is het met de menschelike saken soodanig gesteld dat men niet mag stille staan maar noodsakelik kiesen ofte deelen moet indien men syn leeven eere of goed behouden wil: en dienvolgende uit twee quaaden het minsten kiesende, kiest men alsdan wel, en waarelik wat goeds. [Sola Divina absolute bona. Abunde bene est cui nihil est mali. Die 't minste quaad heeft, is hier best aan. En al te gelukkig is hy die nergens meede geplaagt werd.]

Nog zeg ik kennelik te zijn alle andere Regeeringen, dat die Ingezeetenen met veel meer ongemakken werdende gedrukt, als in de Populare, en nergens daar-en-teegen zoo veel vryheids genietende, om haar eigen, en familie welvaaren, zonder de kroon van iemand te besorgen: gemelde Populare staat absolutelik de beste moet werden genoemt.

Ten vierden, dit voorheen in het generaal gezegt weezende, zeg ik verder, (inter populum & multitudinem differentia permagna est) dat men [562] een zeer groot onderscheid maaken moet tusschen een onwettige ofte oproerige vergaderinge, des volks; daar niet als zeer gepassioneerde en boose, ofte zeer onweetende menschen het hoogste woord voeren, en tusschen een wettige vergaaderinge der gemeene Burgerschap ten seekeren plaatse en tyde of seekere afgekondigde en bewuste saken ofte handelen by een geroepen zynde; alwaar ook zeer moderate, goedaardige, voorzigtige menschen verschijnen [mogen], om in alle manieren het welvaaren des Lands te bevorderen, en het quaad voornemen der boosen teegen te gaan, met alle goede onderrichtinge te geeven. Want het waaragtig is, dat alle hier voor-verhaalde gebreeken, in onwettige Vergaaderingen des gemeenen Volks ten hoogsten werden gevonden. En om dat men, door de schaarsheid van Populare Regeeringen aan de eene zyde; ende in alle regeeringen oover alle siet menigvuldige Populare commotien aan de andere zyde; soo werd in deese weereld hier in geen onderscheid, door onervare Schrijvers gemaakt: [vind] en soo is geen wonder, indien de Populare Regeering zoo generalik werd verfoeyt; Te meer (Chasque Patrie est ingrate. Mais qui sert le Roy il a bon Maistre, & de grand maistre hardy valet. An nescis longas Regibus esse manus? Privatam gratiam statim mereare, statim recipias. C. Tac.) dewijl men, in deese nu slaafagtige onweetende en boose weereld, by niemand dank behaald, als men voor het gemeen, en tot naadeel van een, ofte weinige Magtigen, de waarheid spreekt; maar gewisselik zig zelven in gevaar steekt, door de Magtigen deeses werelds te werden vertreeden, terwijle het domme Graaw, voor wien men in zo een ge[563]valle het meesten heeft gearbeid, in plaatse van dankbaar te wezen, (unge il villano e ti pungerá, punge il villano e t'ungera. Nourry le Courbeau il te crevera les yeus. Chantez a l'asne il te donnera des pets. Kraawd een Boer, en hy sal in u hand schijten) gemeenelik roept kruist hem, kruist hem. Sulks deese roemwaardige Schrijvers, ten naadeele der monarchien en der Aristocratien, en ten voordeele der Democratien schryvende, by naa geen ander loon te verwagten hebben (recté fecisse merces est, quum ipsa sui pretium Virtus.) dan een gerust gemoed, en gewisse troost, als sy om wel gedaan te hebben, door de boosen en magtigsten deeses Werelds vervolgd werden. Daar andere Pluimstrykende, Logenagtige, en boosaardige, Wereld-verleydende Schrijvers, den contrarien weg ingaande, alle voordeelen en gemakken, behalven een gerust gemoed, pleegen te bekomen; volgens het bekend rymtjen [te verwachten hebben] (Facilis descensus Averni, sed revocare gradum superasque evadere ad auras, hoc opus, hic labor est.)

de weg ten deugd is eng en swaar

ten ondeugd leid sy breed en klaar.

Ten vijfden, zo beken ik gaarn, dat de zeven eerst-gestelde gebreeken, als Onwetenheid, Laatdunkenheid, groote Passien, Haastigheid, Ongestadigheid, onvolmaakte Ordre, en Extremiteiten, meer de overhand in Populare, als in Aritstokratike Regeeringen hebben, soo wanneer de selve populare regeeringen soodanig qualik zyn gefonderd, dat het Senaat ofte iemand anders alle saken van belang niet alleen proponeren moet, maar ook debatteren mag voor 't Volk gelyk dit t'Athenen en te Romen deese qualen veroorsaakt. Maar in populare regeeringen daar het senaat voor den volke niet dan proponeren mag, vindmen deese gebreeken seer weinig: en in allen gevalle der onvolmaakte Volks-regeeringen is dit alles in wettige Populare vergaaderingen eevenwel zoo zeer gematigd, dat alle de zelve gebreeken, zoo als zy leggen, teegen de voor- en naadeelen der anderen gebalanceert, in het minsten niet te agten zijn, vermits men bevind, dat zy, zonder schaal te [564] houden, overwogen werden, van dit eenig voordeel der Populare Regeeringe, dat in haare vergaaderinge altijd het gemeene besten werd gezogt, want waarelik, hoe onweetende, laatdunkende, gepassioneert, haastig en ongestaadig men de menschen ook moge afschilderen, zo is, en blijft waaragtig (Quisquis suæ Casæ.Tantum ex publicis malis sentimus, quantum ad privatas res pertinet. Piu pesa un' oncia d'util proprio che cento libre di stato. Le bien & mal d'autruy n'est qu'un songe) Geen Koe lekt een vreemd Kalf. Eigen gaat voor. Men voeld zoo veel van het gemeen quaad, als het eigen raakt; en meer niet: Want het raakt andersins de koude kleeren niet. Sulks klaar is dat alle de gemene Burgers in een populare regeeringe gesamentlik, ongelijk dikwijlder tot haar eige welvaaren zullen raaden, als [in Aristokratike Regeeringen] de voorsigtige en moderate Raads-Heeren tot voordeel van 't Gemeen in een aristokratike regeering, alwaar [Want vermits aldaar] een yder zijn eigen zoekt, ook soo wanneer het selven strekt tot naadeel van het Gemeen; en dien volgende zo is alle die voorsigtigheid meest onnut, en nergens toe dienende, Als om alle de gemeene Ingezeetenen te doen arbeiden ten voordeel der aansienelike Regeerders. Alleenelik hebben de Ingezeetenen, in de Aristokratike regeeringen dit voordeel te verwagten, dat haar welvaaren wijsselik zal werden betragt, als het zelven met der Regeerders eigen welvaaren is vermengt. En het contrarie, naamentlik, dat het eigen welvaaren teegen 't Gemeen strijd; gebeurt zoo dikwils, dat de Populare mislagen [565] daar tegens gansch niet te agten zijn. Alle het welk, gefondeerd zijnde op eigen selfs liefde, en geneegentheid tot [op] eige conservatie [en liefde], een yder zoo innerlijk bekend is, dat het zelven met geen exempelen zoo klaar kan werden beweesen. Maar [met] het contrarie gevoelen heeft Trajano Boccalini wel aardig konnen bespotten in zijne Politike Fabulen; alwaar hy opteld (inter entia rationis) onder de geleerde versierselen, en mannekens die men op de mure schildert om daarteegen te regten ende de boeren te bedriegen, een Politik, ofte Regeerder die zijn Vaderlands Welvaaren liever heeft als zijn eigen, [Deorum numen prætenditur sceleribus. Namentlik] het welk voorwaar niet sonder grote reeden geschied, want de Politike Yveraars, in welkers mond de dienst van 't Vaderland bestorven is: en de heilige Broeders, die gedurig van de Conscientie, God, en zijn heilig Woord spreken; zijn beiden niet vergenoegt, met de naam van wys, deugdsaam, eerlik, en opregt te zijn; maar soeken die van heilig: en vermits (deorum numen prætenditur sceleribus hommes ne sont anges. Mais les jeunes Angelots sont des vieus Diablots) Menschen geen Engelen zijn, maar den Pronk-Heiligen, gemeenelik het Boefjen metter tijd uit de mouwe springd; soo werden meest alle die fijne Broeders, in haar ouderdom bekend te zijn, geen jonge Engelen, daar zy zig voor pleegen uit te geeven, maar oude Duivelen, die met haare Conscientie, Gods eere, en den dienst van 't Land allerhande vuile potten gedekt, en den Hypocrit hebben gespeeld; d'een zig dienende van (Salus Populi) dat 's Lands welvaren de Heiligste Wet is: en d'ander van sijn Conscientie, en [566] Gods Woord, om d'eenvoudige menschen te bedriegen, weetende dat die, als de Geesteliken vijsten, pleegen te seggen Amen. Sulks dit eigentlik is het verdorve Zout, en het tot duisternisse veranderd ligt daar het Euangelie van gewaagt maar indien de Republik soodanig is gefondeerd dat het Senaat alleen in syn eige kamer debatteerd en daar naa voor den volke sonder eenige verdere aanspraak simpelik syn avis en gevoelen proponeerd, en het volk alleen resolveerd, ende de magistraatspersonen alleen executeren mogen des volks gevoelen, soo is waaragtig, datmen in geen republik of regeeringe vind minder gebreeken, en meer deugden als in de populare: also 't volk alsdan door geen welspreekenheid van eenig aansienelik Borger die syn eigen particulier voordeel als of het een gemeen waar tragt op te pronken, misleid werdende, voor sig selven en voor 'tgemeen, 'twelk hier een ende deselve sake is, sonder eenige oproeren doorgaans de beste resolutien neemd, wetten maakt en magistraten tot executien derselven kiest, immers altyd het selven te doen tragt, twelk in geene andere regeeringen gevonden werd of kan worden.

Ten sesden zeg ik rond uit, dat die andere 5. vermeende gebreeken der Populare Regeeringe, als 1. slappe Magistraats-persoonen: 2. geen Hoofd der Republike te konnen lijden: 3. geen Imposten op de consumtien te willen dulden: 4. tot offensiven oorlog zeer onbequaam te zijn: 5. Populare commotien onderworpen te weesen: [6. niet als uit eene Stad te konnen bestaan:] waarelik onder boose menschen en Regeerders (en soodanigen moeten alle menschen gepræsupponeert werden te weesen. Sie het eersten Cappittel des tweeden Boeks van de Monarchale Regeeringe) zeer groote deugden en perfectien zijn. Het welk, naar my dunkt, zeer klaar is, en geen bewijs van nooden heeft. Dog indien iemand niet te min twijffelt, of het contrarie deser ses Populare gebreken, den Ingezetenen veel meer ongemaks aanbrengt, als deese gebreeken zelfs; die gelieve te considereeren voor eerst deese navolgende spreekwoorden: qui regnare vult diu languidâ regnet manu. Moderata durant. Magistratus ostendit Virum. Superbiunt homines annua designatione, quid si honores in quinquennium agitent. Un chacun tire l'eau à son moulin. C'est un jeune Diable qui aprend encore à tonner. Het is een jonge Duivel, hy leerd nog Donderen. Want [567] een niewe beesem vaagd schoon. En die de kroo heeft die kruidse, die de magt heeft die gebruiktse. Een Hamer wil slaan, een Aanbeeld moet lijden. 't Is waaragtig, dat men een Mans nederigheid kend als hy groot is, maar 't gebeurd zelden. En ter contrarie siet men meest altijds gebeuren,

Wer oben sitz, der läst sig grussen,

Und tritt die untersten mit fussen.

Die stärkst hat allenthalben recht,

Der sweckst ist ein geplagter knecht.

Wer mächtig ist, wird auch vermessen,

Grosz Fisch allzeit die kleinen fressen.

Hoogstraten 267

En werd dit alles bevestigd met de Fabul van seekere Monnik, die zeer beleefd, rekkelik en neederig zijnde, van het Convent gekooren wierd tot Abt voor zijn leeven, want hy in het korte zoo stuurs, wreevelig en hoovaardig wierd, (zegt de Fabul,) dat een zijner getrowste vrienden hem zeide, mijn Heer, te vooren waard gy zoo beleefd, vriendelik en needrig, dat gy geduurig naa beneeden saagd, maar zedert dat gy zijt Abt geworden, zijt gy in alles zoo zeer verandert, dat men het zelven aan uwen hoogdravende gang, en uitstekende borst zien kan: waar op den Abt antwoordede; Toen ik de slotels der Abdie zogt, moest ik naar beneeden zien, maar nu ik die heb gevonden, en altijds zal behouden, is dat niet meer noodig. Zulks den Leeser ten tweeden, [568] gelieve te considereren, dat de geheele weereld sugt en klaagd, oover de laatdunkenheid en excessen der Magistraaten voor haar leeven, jaa selfs de jaarigen drukken de Ingeseetenen nog al te veel. En het is van zig zelven ongelovelik, dat een Magistraats-persoon, met regt oover een gemeen Burger klagende, ofte ordre willende stellen, niet meer gehoors en hulps zoude vinden als een gemeen Burger teegen haare corruptien, concussien, maliversatien, en onderlinge toekaatsingen van den bal ten laste der goede gemeene Ingeseetenen, die in alle andere formen van Regeeringen zoo gemeen zijn, dat men daar door alleen de ingesetenen van een Populaare Regeering gelukkig agten mag, indien sy aldaar van zeer slappe Magistraats-persoonen moeten werden geregeerd; of indien de strenge, en quaade Regeerders zig, daar door, in het korte uit de Magistrature en gonst van 't gemeene Volk sien vallen, en straffe lijden, die zy te vooren anderen onregtvaardiglik hebben aangedaan, welke waarheid door het owd volgend rijmtjen werd bevestigd.

Dextera præcipue capit indulgentia mentes

Asperitas odium sævaque bella movet.

Behende saftigheid wint veeler menschen herten:

Maar scherp regeeren teeld haat, oproer, krijg en smerten. [569]

Eindelik, indien Magistraats-persoonen, aan haare Republik zeer groote diensten gedaan hebbende, gemeenelik daar op zoo stout werden, dat zy tot naadeel der Republike, en tot haar eigen voordeel, groovelik derven zondigen; zo is een Populare Regeering daar in zeer te prijsen, indien zy die doorlugtige Mannen oover begane misdaden zoo scherp straft: Want het contrarie kan alle goede diensten, in verradery veranderen, en de wereld met grouwelen vervullen, alsoo men warelik, in alle Staaten en Landen, daar men onder schijn van dankbaarheid voor goede genoote diensten, de volgende misdaaden ongestraft wil laaten, [sal men] in korten tijd sal bevinden, dit compenseeren der misdaaden teegen de groote diensten, geen waaragtige dankbaarheid, maar een Vaderland moordende Verraderie te weezen: want vermits (omnes deteriores sumus licentia) de gelegenheid een dief maakt soo souden aldus die aan haar vaderland grote diensten gedaan hadden het selven straffeloos mogen verraden; jaa dat meer is [naademaal] een yder die sijn Vaaderland, verkragten, verraaden, ofte eenig ander groot schelmstuk begaan soude willen; soude [daardoor] een seeker middel [soude] weeten, om het selven ongestrafd te konnen doen. Namentlik, met voorbedagten raade, eerst seer groote diensten aan sijn Vaaderland doen, om het selven daar naa ongestraft te konnen verraden en moorden. Sulks men [warelik] deese Ministers van Staat [soude men] seer wel soude konnen vergelijken, by een verfoejelik jongman, die omdat hy een langen tyd een Jonk-Vrow trouwelik heeft opgepast, de selve straffeloos soude verkragten: of wel by een ander jongman die onder den dekmantel van eerlike Liefde acces tot een schoon meisken verkreegen hebbende, seer naarstig oppast, alle diensten bewijst, en dus onder de caressen [570] het Herders uurtjen; (daar 't hem alleen om is te doen geweest) waarnemende debaucheerd, en schendig hare eere ofte maagdom roofd en voortaan tot syn Bysit begeerd te gebruiken voorwendende ende sig latende voorstaan, het selven door syn voorgaande diensten te hebben verdiend. En behalven deese schijn-heilige, schelmagtige Politiken; souden sig metter tijd nog anderen oopenbaaren, die by gevalle, ofte met een goede meeninge, eenige seer groote diensten den Vaderlande beweesen hebbende; sig souden laaten voorstaan, daar oover niet genoegsaam te konnen werden beloond, dan met haar Prins van den Lande te maken, Sulks, indien de Republik dat niet vrywillig doed, het hun geoorloofd soude weesen, de Vryheid te verkrachten. En deeze ambitieuse Ministers van Staat, mag men seer wel vergelijken by een onreedelike, ondankbare Soon, die volgens sijn schuldige pligt, sijn Vrouw-moeder uit den watere getrokken, en van der dood geredded hebbende, sig niet genoegd met alle 't gunt een eerlike Moeder aan haar Soon geeven mag, maar op voorwenden dat sy hem haar leeven schuldig is, segt soo veel van haar verdiend te hebben, dat sy sig gewillig tot byslaapen aan hem behoorde over te geeven, ende daarenboven syn slavin te werden; of dat het hem indien sy 't weigerd geoorloofd sal weesen, haar te verkragten, en dus sijn' vleesschelike lusten te voldoen alsmeede haar alsdan een veel harder slavernie op te leggen. Waarelik van beider slags Ministers ongestrafte attentaten, en prævaricatien heeft men in de Republiken der Nederlanden seer veele exempelen gesien, die ons hadden behooren te leeren, dat de Populare Regeering [571] aller eere waardig is, indien sy alle, jaa ook de uitsteekenste Ministers, en Ingeseetenen, door een gedurige vreese van straffe, noodsaakt in de weegen des Deugds gedurig voort te gaan. En voor de gemeene Ingeseetenen een zeer groote zeegen te zijn, dat de Populare Regeering tot een Hoofd, Imposten, en offensiven oorlog onbequaam is; sal mijns bedunkens ligtelik konnen werden begreepen, indien men gelieve te denken, dat alle waapenen, en penninge altijds werden gebruikt ten voordeel der geenen die des meester zijn. En dat daar-en-boven alles wat door die waapenen en penningen geconquesteerd werd, komt ten voordeele der geenen die de Conquesten sullen hebben te bestieren. Zulks het besten, dat van offensiven Oorlog, Imposten, en een Hoofd den Borgeren en gemeenen Ingezetenen kan overkomen, is, dat zy het vleesch koopen, en het spit wenden, sonder ooit van het gebraaden te eeten. Want voorwaar in plaatse van meede te eeten, werden zy gemeenelik dapper met het spit geslaagen; gelijk men dageliks in het verwoesten, branden, plonderen, en moorden, welk den onnooselen gemeenen Ingezeetenen, door den oorlog, overkomt, niet alleen van vreemde vyandige, maar ook van eige soldaten, siet. En daar-en-boven ziet men meest alle Landen, 't zy onder Monarchen, 't zy onder Republiken, verlooren gaan, wanneer sy ligtvaardiglik resolveren, en ook bequaam zyn tot offensiven oorlog, want hoe kloek een vegter is soo vind hy nog eindelik synen meester: ja dat meer is veele landen gaan verloren alleen door haare eige conquesten, die zy met gedurige groote kosten en geweld zoodanig niet konnen onderdrukken, dat zy niet by eenig ongeval [572] des Conquereurs, die gelegentheid waarnemen om te rebelleren. (In Victores victosque nunquam solida fides coalescit. C.Tacit Contentum esse suis rebus, maximæ sunt certissimæque divitiæ. In se magna ruunt. Lucan Vivitur exiguo melius. Gran nave vuol gran pensier. Groot is het Hof, veel moet'er of. Rek naar dek,) Dit blijkt nergens klaarder dan in de Hollandse conquesten. Als ook in Spanjen en Vrankrijk. Zulks die oorlogen om conquesten, weederom yder male te beginnen zijn. En vermits hier van de exempelen oneindelik zijn by die van Athenen, Sparta, Romen, Carthago, &c. die dikwils offensiven oorlog hebben gevoerd, zoo dunkt my, dat ik met regt besluiten mag: dat een populare staat, die sig standvastiglik op syne defensie houd, daardoor gewisselik langer sal blyven staan, als de andere formen van Regeeringe ofte State, die tot offensiven oorlog bequaam synde de selve ook dikwils teegen hare naburen voeren, ende met de kruik soo lang pleegen te water te gaan tot dat hy breekt en dienvolgende indien de Ingezeetenen van een Populare Staat meer als anderen, van deese grouwelen zijn bevrijd, en minder Imposten dragen, zoo moet men de zelven uitneemend gelukkig achten.

En dit is 't gunt de Ouden ons hebben afgebeeld met dese Fabul.

Hoogstraten 166

Als de gaaren verre-uitweidende, en springende Vorschen, den Ojevaar hadden gekooren tot haar militair Hoofd, op hoope dat sy niet meer uit vreese voor den Slange onder haren Esschen Balk schuilen, ofte daar naar toe vlugtende, haar leeven souden moeten bergen, maar dat sy nu selfs haren vyandt te lande souden vervolgen, en dooden konnen: zoo zeide de Schildpad, dat de Vorschen merkelik gelukkiger waaren, als hy, die alle sijn behoud, en vermaak binnens huis moeste [573] soeken, sonder eenige offensive wapenen teegen sijn' Vyanden te konnen gebruiken. Dog eindelijk gesien hebbende, dat den Ojevaar de Slangen te water niet vervolgde, en dat hy te lande de vrymoedige Vorschen niet min als de Slangen doodede, soo seide hy, og! wat heeft my de nature gelukkig gemaakt, my begiftigende met soo goede naturelike Fortificatien, dat alle tanden mijner Vyanden daar op konnen breeken. Og! wat is het een waaragtig spreekwoord: Nemo læditur nisi á se ipso. Aliquid mali propter vicinum malum ferendum. Niemand komt in ongemak, of hy helpt'er sijn selven in.

En die alle quaad met quaad wil wreeken,

Samsons kragt sal hem ontbreeken;

Maar die kan lyden en verdragen,

Vind hier sijn vyanden verslagen.

Wat belangd de oproeren in Populare Regeeringen, is zeeker, dat de zelve aldaar gemeenelik, gelijk meest [oover] alle scheuringen ook, in hoedanige regeeringe het zy veroorsaakt werden door aansienelike ingeseetenen die haar eigen voordeel den volke als een gemeen voordragen konnen ofwel door de excessen der Magistraten, ofte Regeerders ontstaan. (Piscis à capite putet. In magna fortuna id æquius quod validius. C. Tac De Magtigen buigen altijds het Regt. Die boven sit die laat sig groeten, en treed de ondersten met voeten.) Maar vermits de populare regeeringen soodanig wel konnen werden ingesteld dat geenen Borgere ooit geoorlofd zy syne welspreekendheid te oeffenen met iets voor den volke te debatteren; soo is seeker dat de oproeren aldaar uit dien hoofde niet sullen onstaan en belangende het tweede vermits de Magistraets-persoonen in een Populare Staat door de kortheid der Regeeringe, zig met de wapenen haarer meede Ingezeetenen niet genoeg konnen versterkken; nogte door successien in Magistrature aansienelik makende, den naam van Edelluiden, [574] en de magt van dien verkrijgen; soo konnen sy geen grote excessen begaan, ofwel die begaan hebbende, en daar uit oproer onstaande soo werden sy daar over gestraft, of ten minsten zoo moeten zy gemeenelik in alle Populare commotien toegeeven, en toestaan, dat hier niewe ordren werden gemaakt, om gemelde excessen in het toekomende te beletten. En ten quaadsten gaande, als de meeste hevigheid geschied, besmetten eenige geringe Burgers hare handen met het bloed der onvoorzigtige, ofte qualik-regeerende Magistraats-persoonen, het welk den volgenden een Baaken in Zee strekt. Zulks dese oproeren te regt mogen werden vergeleeken by bange sweet-dranken, zonder welke de menschen, nogtans in quaadaardige koortsen niet konnende werden geneesen, zeekerlik een haastiger dood sterven. En dienvolgende, schoon genoomen eenige Magistraats-persoonen koomen te sneuvelen, door de commotie der Populare Regeeringe en des Graaws; zoo werd gemeenelik de Vryheid door de zelven nogtans vermeerderd; ofte ten minsten blijft het geheele Lighaam der Republike in weezen. Maar in andere Regeeringen is waaragtig, dat aan d'eene zijde de Regenten, groote magt en aanhang hebbende, daar door in haar excessen te stouter zijn: sulks, indien aan d'andere zijde de gemeente ook met een militair Hoofd voorsien weesende, ofte met een vasten aanhang (als, by exempel, Gildens, ofte diergelijke) in de wapenen komt, die twist niet werd bygelegd, dan met den ondergang van een der twee partyen, waar door de Ooverwinner nog des te baldadiger werd. En deese oproeren mag men seer wel vergelijken by [575] het aderlaaten of purgeeren in heete ziekten, waar door men den zieken de kragten verminderd, en de dood-steek geeft. Van welk zeer verscheide oproeren de eene der Republike voor- en de andere der Republike naadeelig, men zeer veele exempelen heeft gehad in de Roomse Republik; namentlik, tot den jare 620. naa het bouwen der Stad, waren alle haare oproeren geslist met woorden, en accoorden, die goede wetten hadden veroorsaakt. Maar vermits onderwylen die gedurige Raads-heeren, ad vitam, zich zeer magtige Edelluiden, en Bezitters van zeer groote Land-goederen, tegen de wetten, (Leges agrariæ,) hadden konnen maken, en een zeer vasten aanhang krygen; ofwel vermits de krygsooversten als Marius, Sylla, Julius Cæsar, Marcus Antonius, Augustus Cæsar verscheide jaren naa een oover het selfde krygsvolk hebbende het bevel gehad, een gewaapenden vasten aanhang kreegen zoo wierden alle volgende oproeren ge-eindigd met het bloed der zwaksten, zonder dat de Republik daar vooren eenig goed genoot. Ter contrarie, de onregtvaardigste, en baldadigste Overwinner, zong zeedert altijds: Quis tulerit Gracchos de seditione querentes? het bekende spreukjen, dat het onnoosele Schaap, beneden strooms drinkende, het water troubleerde.

En vermits de onvoorsigtige ofte quaadwillende Schrijvers tusschen deese oproeren in Republijken, geen onderscheid maken, zoo is geen wonder dat deese populare commotien in het generaal zoo zeer werden veragt, jaa vervloekt.

Eindelik is waaragtig, dat alle geconquesteerde Steeden kostelik om houden zijn, en dat die overheerde Ingezeetenen hare Stad, tegen [576] eenig overkomend uitheems gewelt, niet hardnekkig beschermen willen. Zulks men alle die onkosten gedaan hebbende, om die conquesten, dat uitheems geweld gemeenelik eevenwel op den halse krijgt: als wanneer men syn reekeninge gemaakt hebbende door anderen te sullen werden beschermd, sig van geen eige defensive middelen heeft voorsien en dienvolgende gedurende de versche schrik pleeg ooverrompeld te werden. Sulks het ook klaar is niet alleen omtrent gedwonge maar ook vrywillige en verpligte Bondgenoten dat het hier gelyk ook [en het is klaar dat] tot conservatie van een particulier mensch veel beter is, zijn eigen lighaem wel te sterken, en met eige waapenen te beschermen; als op andere menschen vertrouwende, die met onse waapenen sterkende, daar naa te vreesen, dat zy de wapenen naar haar eigen welgevallen, zo wel tegen haaren weldoener, als tegen den eersten gemeenen vyand zullen gebruiken; want als in politie eige wapenen niet genoeg zijn, is men daar qualik aan, en niet overig als alliantien te maken; en die vrienden zijn goed, maer wee, diese van doen heeft: en tien dubbeld wee voor diese door syn eigen flaawhertige weereloosheid altyds van doen wil hebben. Dienvolgende zoo kan een yder ligtelik zien, dat het immers veel beeter waare, alle zijn eige magt tot versterkinge van zijn eigen zelfs te kosten te hangen, en daarna zig (in plaetse van de omleggende Steden te conquesteeren) te versterken met onderlinge goede alliantien, tot afkeringe van grooter gewelt. Het welk wederzijds zijne goede vrugten zekerlik zoude voortbrengen: Want een klein onderwin, brengt groote rust in. Maar die zijn voeten verre wil uitsteeken, moet wel toesien, dat hy deksels genoeg hebbe. Sulks het een groote volmaaktheid der Populare Regeeringe is, indien de zelve meer als eenige andere aan eene enkelde Stad is verbonden. En daar door meer genoodsaakt werd; de Vreede te betragten, [577] en naar te jagen, (Pax optima rerum. Pax una Triumphis Innumeris potior. Nulla salus bello, pacem te poscimus omnes.) Volgens Psalmen, en Speekwoorden, of Rijmen.

Soekt en jaagd de Vreede naa,

Oorlog brengt niet aan als schaa:

Want, geen ooverwonne stat

Ons kan strekken voor [geeven soo] een schat,

Spijt hem diese ooverwint;

Vreed is 't beste dat men vint.

Maar die daar en boven de sake wel insiet sal bevinden dat de populare regeeringe seer wel kan bestaan uit veele steeden en provintien, welkers inwoonders hoofd voor hoofd uit den haren met de meeste stemmen jareliks hare gedeputeerden kiesen en met last om in de souveraine vergaderinge te stemmen, naar de daar toe geordonneerde stad of plaatse afsenden; twelk alle in 't bysonder seer wel is aangeweesen door J. Harrington in syn Commonwealth of Oceana. Sulks onnodig is hiervan breeder te spreeken. En dienvolgende dunkt my, ik nu wel zoude mogen besluiten, dat alles wel overwogen zijnde, de Populare Regeering de naturelikste, perfecste, reedelikste, vreedsamighste, en voordeeligste voor de Ingezeetenen is. Maar om den trand der twee voorgaande deelen te volgen, vind ik my verpligt mijn reedenkavelingen, ook met wijtluftige particuliere exempelen, te verklaren. En vermits ik meen waarachtig te zijn, dat genoegsaam alle oude schriften dies aangaande, door de boosheid ofte sloffigheid der menschen, niet dan helschijnende dingen groot agtende, zijn vernietigd: Zulks ons bynaa nietwes als eenige schriften der Atheniensen zijn overgebleven: zoo zal ik my vergenoegd houden met de zelve Republik, zoo veel my doenlik is, kort en klaarlik te beschrijven.