Indien Atheenen geen Zeehaven hadde gehad, ware het de ellendigste Stad van de weereld geweest; sonder Land, sonder Rivier. [619] Want Atheenen lag in een zoo kaal en onvrugtbaar Land, met Zee ofte Rotsen omringd, dat men in een Grieks spreekwoord zeide: Het Land zoo onvrugtbaar te zijn, dat hier meer vrugten gezaaid, als gemaaid wierden. Daar-en-boven zijn in deese Zee geen Haringen, Schelvissen, ofte Kabbeljawen ooit geweest, daar men koopmanschap in soude hebben konnen doen, maar is in de Middelandse Zee, door gebrek van ondiepten, zand en banken, by naa geen visch te vangen. Eindelik legt Atheenen aan geen Rivier, zulks het onmogelik was, dat die Stad subsisteerde dan door Handwerken, Koopmanschap, Akademien, ofte door geweld en rovery op de Zee, ende op de andere naabuuren.
2. Onder een Populare Regeering, met een successif hoofd, ofte een Hoofd voor zijn leeven, als meede een Hoofd voor tien jaaren, welke drie soorten van Regeeringen, in alles omtrent vijf honderd en vijftig jaaren hebben geduurd, is Atheenen meer vergroot, als onder een Heer, zijn Hof te vooren elders, en daar naa te Atheenen houdende: zulks zijn Hof misschien alzoo veel als de goede Regeering de Stad vergroot heeft.
3. Onder een volkome Populaare Regeering zonder eenig Hoofd, of blijvende Raads- en Magistraats-persoonen, die omtrent drie honderd jaaren, namentlik, tot Alexander Magnus tijden heeft geduurd, is deese Stad ongeloovelik toegenomen, en heeft men, meest altijd in het [620] generaal, het waaragtige interest der Stad waargenomen quamobrem nos Athenienses aequale servis ingenuisque jus concessimus, itemque advenis et civibus quod advenarum egeat opera Civitatis quum propter &c (Xnoph. de Athen. Republi. pag.548.
4. Daar was vryheid voor alle Vreemdelingen, tot alle handwerken en koopmanschappen, en beiden wierden die zeer begonstigt. Van Octroyen, voor eenige bysonder compagnien en koopnamschappen, alsmeede van Privilegien, off Gildens en Hallen over handwerken en manifacturen, werd naar my voorstaat, in geen Historien van Atheenen gewag gemaakt.
5. En in 't generaal waren de Atheense Wetten wegens hare Nut- en Billik-heid zoo wijd beroemd omtrent den jaare drie honderd naa de bouwinge der Stad Romen, dat de Romainen geen beeteren raad wisten om uit hare onderlinge verschillen en oproeren te geraken, dan met Gesanten naar Atheenen te senden, en aldaar de Wetten te doen uitschryven [copieren]. In gevolge van 't welk daar naa (Decemviri) Tien Wetgeevers te Romen wierden gekooren, die Hermodorus de uitsteekenste Burger van Epheesen, en (Nemo de nobis unus excellat, & si quis exstiterit alio in loco & apud alios sit. Cic. Tusc. lib. 5,) uit sijn Vaderland om die uitsteekentheid gebannen, gebruikende tot een Tolk, maakten, en schreven in twaalf Tafelen zo wijtberoemde Wetten, dat de selve (qui nunc quoque hoc immenso aliarum super alias acervatarum legum cumulo, fons omnis publici privatique est Iuris, Liv.) t' allen tijde zijn geacht geworden te weesen den oorsprong aller volgende Roomse Regten. En vermits deese Roomse Wetten door meest alle Volkeren van Europen wer[621]den gevolgd, soo mag men seer wel seggen, dat de Populare Republyk van Atheenen of Epheesen, door haare Wijsheid, nog heeden deese gemelde Landen beregt, of indien men dat niet bekennen wil, sal immers niet konnen werden ontkend, dat de Roomse Republik; voor soo veel sy Popularelik wierd geregeerd, dese uitsteekende wijse Wetten der Twaalf Tafelen hebbe veroorsaakt. Daar enbooven was te Atheenen een Wet, dat de Ouders die haare kinderen geen handwerk hadden geleerd, ofte doen leeren, van de zelve niet behoefden onderhouden te werden, wanneer sy tot arremoede quamen te vervallen.
6. De Renteniers vermogten aan geen als Atheniense Koopluiden haar geld op interest te geeven. De Wetten van Bodemerye, en Avarye, zijn eerstmaal te Atheenen ingevoerd. De koopmanschappen betaalden ten hoogsten niet meer als twee ten honderd, voor uitgaan, ofte inkomen te samen; en waaren voorts van alle lasten vry. De Atheniensen waren gedurig ter Zee gewapend, beveilende de Zee zoo teegen de vyanden, als zy eenige hadden, als tegen de Zeeroovers.
7. Alle Weetenschappen en Konsten wierden hier zoodanig aangequeekt, dat de plaatse daar het zelven geschiede, Akademie genaamd, zoo vermaard is geworden, dat alle anderen, in de volgende tijden, door de geheele weereld daar van haaren naam hebben gekregen; en dat men nog heeden een hoge Schole, in de Latynse tale een Atheneum noemd. En als men op de vrugten siet, is immers klaar, dat hier alleen die vermaarde Architecten, Schilders, Beeldhou[622]wers, Musijkmeesters, Poeten, Orateurs, History-schryvers, Wetgevers, Philosophen, en Medecijns, die nog heeden tot een ligt des weerelds, strekken, zijn van daan gekomen: als Herodotus, Thucylides, Xenophon, Aristopanes, Euripides, Isocrates, Demosthenes, Draco, Solon, Socrates, Plato, Aristoteles, Xenocrates, &c.
8. Welke goede gronden van regeeringe zo veele menschen aan Atheenen trokken, ofte daar aan queeken, dat [zy], gedurende den popularen stand, Atheenen soo groot wierd, dat hy by Romen in syn meeste bloeien door Plutarchus in Pericle werd vergeleeken ende daar en boven [Raad], gedurige Colonien uitzonden, met alleen de omleggende Eylanden, Thracien, klein Asien en het overleggende Afriken, maar ook in Italien en Vrankrijk; Jaa men leest dat de Colonie Amphipolis wierd gefondeert door thien duisend Atheniense Burgers.
9. Zulks my dunkt, dat men wel te regt seggen mag, dat een gemeene nood; aanstonds eene gelykheid onder de menschen invoerd, alsmeede dat de gelykheid seer ligtelik een Populare Regeering, en die, in een van zig zelfs arme Stad, veroorsaakt hebbende, Vryheid voor alle vreemdelinge, en Fortificatien, voor alle ingeseetenen; 't welk sal soo [sal] de Vryheid en Fortificatie noodsaakelik door de verwoestingen, die het oorlog in de weereld veroorsaakt, aldaar doen 't saamen vloeyen, allerley vlugtende Vreemdelingen, en by gevolge sullen aldaar vergaderen alle kennissen en konsten; want armoede soekt list, om door konst, handwerk, ofte koopmanschap te konnen leeven, (la poverta sa gl'homini industriosi: multa hominem fames decet, messer padre signor figlio, ubi libertas ibi populus ibi divitiæ en Slaven maaken Graaven; zoo [623] dat ook neevens menschen en konsten, alle rijkdom te Atheenen moest oovervloeien. Maar seeder dat Atheenen van alle Populare Regeeringe is berooft geworden, heeft die Stad haare grootheid niet konnen behouden, verminderende allengs in menschen, konsten, rijkdom en weetenschappen, tot dat zy daar-en-boven nog, van andere dependent werdende, alle weelde verloor, en eindelik, na achtien honderd jaaren quijnens, gansch wierd vernield.
Voorwaar, my is niet onbewust, dat veele Schrijvers aan den aard van Land en Lugt hebben toegeschreven, dat Atheenen zoo gawe verstanden voortbragt, maar sonder reeden: en nu weet men ook in dat zelve Land, 't zeedert achtien honderd jaaren dat het zijn vryheid verloor van soodanige verstanden met meer te spreeken; Ter contrarie is waaragtig, dat die langdurige onderdrukking, die wel eer soo vermaarde Grieken, soodanig heeft doen degenereren, dat sy nu ter tijd werden geagt te zijn de botste en domste aller volkeren, die van den Turksen en Keiser werden geregeert. En de zelve dwaaling begaan de Schrijvers, spreekende van de subtijle Florentijnse Verstanden: Want toen zy Populaar geregeerd wierden, is waaragtig, dat sy seer veele treffelike Mannen; in wetenschappen uitsteekende, hebben voortgebragt, jaa meer als geheel Vrankrijk; maar zeedert dat zy door een uitneemend groot geweld en hongersnood, in den jare 1531, tot [624] een Monarchale Regeering zijn vervallen, heeft men van zoodanige uitsteekende verstanden niet meer gehoord. Het welk geen wonder is, want voorwaar (sub Monarcha inertia pro sapientia est. C. Tac.) onder een Koning of Prins moeten de Wijsen zig traag en mal veinsen te zijn. En men werd in het korte het gunt men veinst te wesen; immers siet men dat de kinderen, die alles ligt hebbende geleerd naar te aapen, voorneementlik 't gunt sy hare ouders sien voordoen, het selve gebrek daar naa swarelik konnen ontleeren. Sulks alle die landen allengs tot seer groote onweetendheid vervallen.
10. Eindelik moet ik seggen, dat die van Atheenen haare Populare Regeering en magt meest hebben verlooren, om dat alle gewigtige saken voor den volke met alle reedenen voor en teegen mogten werden ooverwogen, want naar de drift der aansienlikste en welspreekenste Borgeren volgden hier uit veele oproeren onder de Borgeren, alsmeede dat sy dienvolgende [zy] al te veel tot Oorlog en conquesten geneegen waaren: want nietwes schadeliker voor een Staat, die op konst, koopman- en weetenschappen geboud is, bedagt kan werden, als de alle vernielende en commercie belettende Oorlog. Nogtans is ook waaragtig, dat de Atheeners haare Conquesten op de beste maniere deeden, namentlik, die zy overwonnen, lieten sy door een vrye populare regeering hare eige stad regeeren ende wierden Bondgenooten met naam, en dienvolgende, wierden zy door geen kostelik garnisoenen gedwongen, of der Atheniensen [haare] niewe Colonien waaren kosteloose Garnisoen-houders; en dat meer is, alle Bondgenooten bragten haar zoo veel tribuit om teegen hare vyanden geholpen te werden door de Atheniensen dat zy daar meede Oorlog voeren konden. En daarom is gansch niet vremd, dat het in deese Populare Regering van Athenen ging, volgens dese spreekwoorden, en sententien; Consilia audacia prima specie læta, tractatu dura, eventu tristia, C. Salust. Indien ik [625] dat verdroeg, men zoude meenen dat ik sot waare, seid een dwaas, daar ter contrarie, niet dan met verdraagen, de Wijsen der Narren dwaasheid konnen te boven komen, en uitharden. Bisogna che il savio porti il matto in spalla. Want sterke Gekken vinden dikwils nog sterker Gekken, daar zy ook teegen vegten willende, gedood werden. Also (Stultorum est infinitus numerus) die alle leet met leet wil wreeken, Samsons kragt zal hem ontbreeken.
Voorwaar, het Oorlogen is het timmeren gelijk, daar komen zoo veel onverwagte voorvallen, dat alle menschen daar in haare reekening qualik maken: en nogtans wil een yder Timmeren en Oorlogen, want de gemeene menschen door haar eigen selfs liefde altyds verleid werdende, schatten hare gelyke kragten grooter als die van hare vyand te weesen, sulks sy altyds eer in hunne gedagten krygen het goed dat een victorie sal aanbrengen als het quaad dat haar door een neederlaag staat te ooverkomen: en daarenboven werd selden by de menschen wel ooverwogen alle de swarigheeden en ongemakken die men gemeenlik dragen moet eermen het beoogde goed kan verkrygen. In 't kort gesegt van een ander ietwes te verdraagen, is wel een Euangelise lesse, maar werd van de menschen bespottelik, en ter contrarie heerlik geagt een ander te dwingen, ofte van zijn goed te berooven. Geen Regeering houd zig aan dit Euangelium, dan daar de suivre Aristokratike Regeerders soo swak zijn, dat zy vreesen van haar eige onderdaanen, door gedwonge lasten oproerig werdende, of wel door ophitsen van een uitheemse magt en grooter geweld, uit den Saadel geschopt, of van haar eigen Veld-Heer te zullen verslonden werden. Alle andere volgen gemeenelik die boose en schaadelike passien van Oorlogen en conqesteeren.
En voorwaar, indien men nu ter tijd kan excuseeren dat Staaten, op Koopmanschap en Negotie [626] ter Zee gefondeert, oorlogen met zeer groote onkosten, uit haare eigen Ingeseetenen suurelik gehaald, om conquesten te doen, die men met seer groote onkosten sal moeten bewaaren, in een tijd, dat ydere vrye Stad door een goede Regeering van binnen, en door de nu-bekende Fortificatien, teegen alle uitheems geweld, inder ewigheid op zijn eigen beenen zoude konnen staan; zoo behoorde men dien misslag, van Oorlogen en Conquesteeren, den Atheeniensen wel ten goede te houden, en daar oover de Populare Regeering niet al te veel veragten, vermits ter contrarie blijkt, dat in alle het andere, het gemeen interest der Onderdanen in de Populare Regeeringe veel beeter is, en werd waargenoomen, als in eenige andere Regeeringe, hoedanig men die ook soude konnen bedenken.
11. En tot een Toegift zal ik seggen, dat de Atheeners haar eigen tegenwoordig profijt en voordeel, ook tot naadeel van de nakomelingen, al te veel agtende, het Burgerregt, tot uitsluiting van alle vreemden, zoodanig hadden bepaald, dat geen vreemdeling, dan met ses duisend stemmen, tot Burger mogt werden gekooren, sulks het Burgerregt, als een zeer groote eere en prærogatif, aan verscheide Roomse Veld-Heeren, en andere doorlugtige Mannen, is opgedraagen geworden. En nogtans is kennelik en blijkelik, dat daar uit moeste ontstaan, (Quid aliud exitio Lacedæmonus & Atheniensibus fuit, quanquam ar[627]mis pollerent, nisi quod victos, pro alienigenis arcebant. C. Tacit.) een zeer groot misnoegen onder zoo veele duisenden vremde Inwoonders, en by gevolge een zeer grote swakheid, om uitheems geweld teegen te staan. En daar-en-booven veroorsaakte dit miscontentement een zeer groote dispositie ten oproer. Gelijk men waarelik in alle Republiken van de weereld, zeer wel kan opmerken, dat zy oover al, uit die algemene al te groote eigen liefde, den zelven gang gegaan hebbende, meest alle zijn vernietigt geworden; om dat de Vreemdelingen, niet konnende lijden door haars gelijke geregeerd, van alle voordeelen uitgeslooten, eenigsins van goederen berooft, en veelsins veragt te werden, de eene ofte de andere tijd, de occasie hebben konnen vinden, om zig voegende by eenige aansienelike en naar de Heerschappye staande Burgers, ofte wel by eenig uitheemsch geweld, het meeste gewigt hebben toegebragt, om de saaken te doen overslaan tot een andere Regeering.
Maar dit gebrek van eigen teegenwoordig voordeel en profijt, ten naadeele en schade der Naakomelingen, jaa des mans selfs in het toekomende, al te seer te bejaagen, is zoo naaw aan de menschelike nature gekoppelt, dat onmogelik is, het zelven door eenige menschelike konste werde voor gekoomen: alle zijn wy hoewel de eene meer als d'ander Eere- geld- Staatsugtige, en nijdige menschen, en die passien brengen nergens min schadeliker vrugten voort, als in een Populare Regeering: in het geheel die weg te [628] neemen, is onmogelik, en soude ook gansch ondienstig zijn, also gemelde passien oneindelik meer goeds als quaads in de wereld veroorsaken; maar veel is het geweest, dat der Atheniensen goede Regeering heeft konnen te weege brengen, dat alle Vreemdelingen daar mogten woonen, en zig allengs erneeren, als meede dat alle, wiens Ouders te Atheenen gebooren waren, ook tot het Burgerschap waaren gequalificeert: Want men ziet in alle heedendaagse Republiken, dat de Vreemdelingen veel harder werden gehandeld. Naamentlik, volgens deese Fabul:
Hoogstraten 76
Seekere Waater-Voogels, zeer in haar Land vervolgd werdende, en verstaande dat in Zee een Eyland was, alwaar zy vryelik zig zouden konnen erneeren met haare kinderen, onder beloften dat sy en haren kinderen [die] aldaar als inboorlingen zouden werden geagt en ge-eerd van de Land-vogels, soo vloogen sy daar na toe. En vermits de Inwoonders van het zelve Eyland, zig met Eyeren voedende, somtijds, door quaade gewassen, genoodsaakt wierden de Land-vogelen, hoewel ongaren, te dooden en te eeten; het welk verhoopt wierd te zullen gestuit werden, indien de Water-Vogelen ook haare Eyeren den Inwoonders beloofden op te offeren, soo wierd die conditie van de noodsaakelijke Eyeren te sullen verschaffen, den Water-Voogelen voorgesteld, en sy naamen op die conditie aldaar seer gaarne haare wooning; zig voorneementlik erneerende met groote kommer en arbeid, in Zee, ofte in vreem[629]de Landen vrugten geplukt hebbende, de zelven als dan, teegen die Land-Vogels, en andere vremden, met goede profijten te wisselen: het welk weederzijds tot grote nuttigheid gedijde: want die Land-Vogelen, en deese Water-Voogelen, de menschen ruim met haare Eyeren voedende, vermenigvuldigden niet alleen zeer in meenigte, maar ook in weelde. Voor eerst de Land-vogelen aangaande, vermits alle grasige Velden en Nesten, in het begin haar alleen toekomende, metter tijd van eenen stuiver wel op thien in prijse steegen; zoo wierden zy daar door dapper verrijkt, behalven dat die overzeese handel, en het groot getal van allerley andere vreemde Vogelen, haar oneindelike andere gemakken aanbragt, die 't onmogelik is buiten een groote societeit te besitten. En de Water-Vogelen aangaande, vermits de kloeksten [zy] op Zee en in vreemde Landen, zig tweesins kondern erneeren, soo hadden die een groot voordeel boven veele anderen, zulks eenige, rijk en weelig geworden zijnde, bestonden de Nesten en Landeryen der gebrekkelikste oude Land-Vogels te kopen, ofte zig binnens Lands met de oude neeringen der land-vogelen te erneeren; jaa de weligste Kinderen en Kindskinderen der eerste Water-Vogelen souden ook gaaren eenig seggen, in het bestier der gemeene Land-goederen, hebben gehad; het welk aan de andere zijde, in der eerste Land-vogelen Kinderen en Kindskinderen, die niet geproefd, ofte vergeten hadden de ongemakken die hare Ouders, voor de komste [630] der vreemde Water-Vogelen, pleegen onderworpen te zijn; als ook, door gebrek van goed oordeel, niet wel begrijpende de dagelijkse gemakken, die zy door de bywooning der Vreemden genoten, groote nijd, en afgonst veroorsaakte. (insita mortalibus natura, recentem altorum felicitatem ægris oculis introspicere. C. Tacit. Les envieux mourront, mais l'envie jamais. Non tace l'invidia quando la gloria grida. Die 't wel gaat, werd ooveral, en altijds, benijd.) Sulks deese onwetende, nijdige Land-vogels, de anderen als Niewelingen ofte Vreemdelingen meer en meer bestonden opentlik te veragten, en te vervolgen, zeggende: gy zijt hier op stroywissen komen drijven, aan onse visrijke kust, en als gy op Zee uwen rob hebt vol gegeten, en u erneerd, zoo komt gy nog te lande uwen handel en koopmanschap drijven, waar mede gy ons het brood uit onse monden neemt, daar moet een schof ingeschooten werden, niet alleen met u buiten alle Regeering te houden, maar ook met het Burgerschap te beswaren, en te vernawen, als mede zoo veele Gildens en ordre op alle Landneeringen te maken, dat wy ten minsten alle niewe vremde Vogelen daar buiten houden. Waar tegen een der wijse Water-Vogelen aldus sprak: Voorwaar veel hebben wy hier te lande gebragt, en niemand eenen penning ontnomen, gedurende onse bywooning; want wy seer haast t'onsen naadeele in alle verboode, ofte questieuse saaken souden ontmoeten Regters, die veel meer ge[631]neegen souden weesen de oude landvogelen, ende hare eigen kinderen, nogtans ende neeven [u], als ons vry te spreeken, oft de questieuse saaken toe te wijsen. Maar ter contrarie, (Negotii vim qui quærit, uxorem ducat, aut navim sibi paret, Plaut. Te regt heet men een overzeesen Handelaar een negotiant, een bekommerd mensch, een Koopman, een Loopman. Nescis quid mali præterieris, qui nunquam navigaveris.) door ongeloovelike kommer, konst en arbeid, veel winnende, hebben wy ook ongelovelike schatten tot de gemeene defentie gecontribueert, en dien haare gevarelike neering niet is gelukt, heeft men hier zeer haast, door die sware lasten, zien consumeeren, alle goederen, die sy, ofte hare Ouders, hier te Lande hadden gebragt. Ondertusschen, hoewel gy, u op Zee niet konnende, ofte niet willende erneeren; en wy het selven soo surelik doende, had behooren te gelooven, dat wy u wel de helft van ons gewonnen brood in de mond brengen, soo segt gy boosaardig en onbeschaamdelik het contrarie. En het is u niet genoeg alle magt, om baat ofte schaade, den gemeenen Ingezeeten aan te brengen, misgaders alle Officien en Beneficien die gy, door onze komst, oneindelik hebt weten te vermeenigvuldigen, en profitabel te maaken, aan u alleen, de facto, metter daad te behouden: maar teegen uwe oude goede costumen en wetten; als meede teegen het regt der nature en geboorte, heet gy onse Kinderen en Kindskinderen in haar eige Patria, Vaderland ofte geboorteplaatse, Vremdelingen, en begind gy de[632]selven opentlik tot de Regeering van uw Eiland onbequaam, en voor soo veel infaam te verklaaren. Jaa even of deese civile dood te weinig ware, soo begind gy naar te volgen den Vogelaar die gy soo seer pleegd te vervloeken, daar de Fabul aldus van spreekt: Terwijl seeker Vogelaar zijn kooitjens, Vinken, en touw spande, quam een vreemde Vogel uit de lugt daalen, vraagende wat hy deed? waar op de Vogelaar [hy] antwoorde: ik bouw een stad. En de Vogel gesegt hebbende; vermits ik een nieuwe wooning soek, zal ik my hier needer setten, kreeg korts daar aan, [niet alleenelik] het net oover zijn Hoofd; en [maar] ziende dat de Vogelaar hem greep, en met de duime de keele benaauwde, zeide nog voor zijn dood, bouwd gy soodanige Stad, wat Inwoonders meend gy te krijgen? Want met het opregten van alle Gildens, en invoeren van nieuwe ordre, ten voordeele der oude Land-vogelen, en ten nadeele der Vremden, begind gy haar de keele te benauwen, alleenelik met dit onderscheid, dat gy haar quansuis zelfs niet dooden, maar van honger wild laaten sterven, indien sy hier, op haar eigen vet niet konnen teeren; of indien zy buitens Lands haar kost niet raapen, of niet ver vliegen konnen. Dat meer is, op pretext van Religie begint gy te vervolgen, niet alleen de vreemde Water-Vogelen, maar zelfs de oude Land-vogelen, om uw profijt en eere tot weinige brengende, kragtelik te vergrooten. Voorwaar, indien gy dus onbeschaamdelik voortgaat, met te spee[633]len alle kooten in mijn blaas, meend gy dat men eevenwel uit vreemde Landen sal komen, om hier tegen u te speelen? of dat alle andere Ingezetenen, dat in der eeuwigheid van u die in seer kleinen getale zyt zullen konnen, en willen verdragen? Och neen! met de zelve Vryheid en goede konsten, waar meede gy ons tot u hebt getrokken, kond gy ons hier houden, en nog anderen tot u aanlokken; maar indien gy in desen quaden weg blijft voortgaan, zoo voorseg ik u, (Ad tuguria & casas redeundum vobis erit,) dat de naturelike belastingen van dit Eyland, nevens andere lasten oover uwe eigen Inwoonders, ten voordeele uwer nabuuren Bondgenoten, ingevoerd, u zeer haast tot uwe voorgaande armoede en ellende zullen doen vervallen.
Hoogstraten 85
Dog gelijk gemeenelik alle wijsheid der arme luiden verloren gaat, (la Forza caca sopra la ragione. Les delices des Grands sont les larmes des petits.) Soo wierd ook dese goede reden en welspreekendheid, komende uit een swakke mond, al te ligt bevonden, om te overweegen der Magtigen onverstandige laatdunkendheid, boosaardige nijd, veragting van een ander, en eigen zelfs al te groote liefde. Want deese domme Land-vogelen gingen voort, zig alleen onbeschaamdelik, met uitsluiting van anderen, toemeetende alle teegenwoordig profijt en eere, sonder eenigsins op het toekomende te passen, tot dat, haare Steeden allengs beginnende te minderen, zy het zelven gaaren zouden hebben gebeetert. Maar (ut [634] apud Medicos, sic & Politicos. Ars longa, vita brevis, occasio præceps: Non licet hac in re bis peccare) het is te laat gevlogen, als de Exter den bout in 't lijf heeft. Alle vervielen zy tot haaren ouden bedroefden stand, en bersteden de Wijsten uit in deese klagten: Wy domme boeren, niet van de vrugten des Lands konnende, maar van den Honing der verre-uitvliegende Byen moetende leeven; en niet willende somtijds haaren angel lijden, als wy haar getergd en alte plompelik van haare honig beroofd hadden, hebben de korven om verre geworpen, en haer doen vervliegen. De Rosen hebben wy veragt, om dat eenige kleyne doorntjens omtrent de zelven wassen. Om het kaakelen hebben wy de hoenderen verjaagd, die ons de eyeren pleegen te leggen. God gaf wy weederom die angels doornen, en het kaakelen lijdenden, ons uit deese armoede redden mogten, en weederom als voor heen, taart eeten, gaarn zouden wy allen, die het grootste deel van de bloem, suiker en oofd daar toe verschaffen souden moeten [wilden], niet als voor deesen laaten toesien, en daar-en-boven bespotten; maar haar aan onse tafel noodigen, ende zelfs daar in laaten bijten. (Ipsa felicitas se nisi temperat premit. Vexatio dat intellectum. Quæ nocent docent. Se tutte le coses s'havessero a fare due volte, ciascum sarebbe savio.) Dog wat zal men zeggen, dan dat weelde niet min brooddronkenschap veroorsaakt; en nijd en gierigheid de Wijsheid bedriegen, als ter contrarie harde slagen leeren, en arremoede list zoekt. Maar in saaken die men geen tweemaal doen mag, als [635] deese, komt raad naa daad te laat. En dit voordeel hebben de Wijsen, dat zy de eerste maale voor haare saaken wel konnende, ook willen, sorgen, terwijle de Dwaasen het selven de eerstemaale verwaarloosende, ten tweedenmaale willende, niet konnen hare agteloosheid beeteren.
En voorwaar, indien dit de ordinaris loop des Werelds is, soo siet men dat de Republik van Atheenen, ook in dit stuk, tot veel grooter volmaaktheid, als gemeen, gekomen was.