6. [665] 3.3.6 Waaragtig oogwit van 't geheele werk, dienende tot een besluit.

Dog eindelik moet de Leeser, wie hy ook zy, sorgvuldiglik zijn gewaarschout, dat dit geheele Werk soo van sig selven, als ook is gemaakt tot mijn eygen tijd verdrijf, soo nogtans dat het ook [invoegen het nergens toe] nut schijnd te weesen, als om de speculatie en gedagten op te wekken, der geenen, die, in mijn vry Vaderland eenig deel aan de Regeering hebbende, daar uit misschien eenigie meer nuttigheid, ten voordeele der gemeene Onderdaanen, sullen konnen trekken. Als meede gelieve de verstandige Leeser indagtig te weesen, dat dit is een van de reedenen, die my hebben bewoogen, mijn gedagten uit te drukken, met zoodangie stijl van schrijven, die de saaken, by de uitsteekende en ervarenste Ingeseetenen, misschien niet min klaar en aangenaam, als by het Graaw en gemeene Onderdaanen duister en walgelik, zal maaken. Want vermits God de Heer, aan die alhier nog regt nog magt, dan om haare wettige Regeerders te gehoorsaamen, gegeven heeft, (Tibi (Tiberio) rerum summum judicium Dii dederunt, nobis obsequii gloria relicta est. Item, Perenda Regum ingenia, nec usui crebræ mutationes. Item, Bonos Imperatores voto expetere, qualecungue tolerare. Item, Quomodo sterilitatem & imbres nimios & cætera [666] naturæ mala; ita luxum, vel avaritiam dominantium tolerare. C. Tacit) soo kan door haar in dit stuk niet goeds werden gedaan, dan God de Heere om een beter Regeeringe biddende, middelertijd de abusen der zelven geduldig te draagen: gelijk Donder, Blixem, Hagel, Slagreegen, en alles wat van booven komt, alsoo moet werden geleeden; ten zy men zig zelven en 't lieve Vaderland, door onuitspreekelike grouwelen, in afgronden van ellenden wil dompelen. Want men, rebelleerende teegen de Regeeringe die in wesen is, (de facto) dadelik invoert de natureliken stand ofte Oorlog aller Ingezeetenen tegens malkander, 't welk de ellendigste stand is die men onder eenige vergaaderinge van menschen zoude konnen bedenken. En die aan deese waarheden twijffelt, gelieve maar zijn gedagten te laaten gaan over de Inlandse Oorlogen, die nu hondert jaaren geleeden om de Regeering ofte den Godtsdienst, zoo als men het zelven gelieft heeft te noemen, in Vrankrijk haar begin naamen; daar zal hy zien, dat meest alle die oproerige Belhamels aan weederzijden, rampsaliglik in haar eigen bloed zijn gesmoort, en dat naar een seeventig jarig moorden van onnosele menschen, branden van Steeden, en verwoesten van Landen de Regeering is gekeert tot zoodanigen stand als zy was toen men eerst de waapenen in de hand nam. Zijn niet in Engeland zeedert twintig jaaren meest alle die Roervinken ten weederzijden gesneuvelt? Is [667] niet die Regering naa zoo veel jaaren bloedvergietens wederom gekeert tot een erger, of tot haaren eersten stand? Zijn wy hier niet beeter gevaaren in de Neederlanden, die voor het begin der toublen warelik de geseegenste en florisantste Landen van Europa waren? wat hebben aan de selve gebaat die [naa een] tagtigjaarigen Oorlog, en dat grouwelik onnoosel bloedvergieten en Landverderven? Zijn niet meest alle de Oproermakers ten wederzijden zeer ellendiglik aan haar einde geraakt? Zijn niet de meeste Provintien door een afweesende Heer geregeert, gelijk toen men de troubelen zag beginnen? Soude niet in deese Landen door de Troublen en quade regeering onser naburen voor eenige jaren seer weelig geworde (indien ten verscheiden tijden eenige overwagte slagen uit den Hemel het selven niet miraculeuselik hadden belet, en de ingezeetenen deeser Landen gepreserveert, en behoed, voor de nieuwe subjectie, daar inne de selven albereids genoegsaam waaren geprecipiteert) de Regeering weederom hebben gedreeven op den ouden Graveliken, of wel, ten respecte van Holland, op een veel erger voet. Souden niet deese koophandel dryvende grote florissante steeden, door die monarchale regeering noodsakelik hebben moeten vervallen tot een afgrond van ellenden, naademaal er (Divitem fuisse duplex paupertas) gene grotere armoede en ellende is, als ryk en gelukkig geweest te zyn?

Nogtans zoude iemand, met schijn van reeden konnen zeggen, dat de Ingesetenen deeser Provintien onder Spanjen gereegerd werdende door afgesonde Gouverneurs, ende daar naa door de Troublen onder de Regeering van alhier woonende Stadthouders geraakt zijnde, gewisselik uit dien hoofde veel gelukkiger moesten werden. En misschien zouden konnen werden gesustineerd, de uitterste ellenden der Onderdaanen te moeten werden verwagt onder de Regeering van afweesende Monarchen: en als de mindere Landen, van [668] meerdere werden dependent gemaakt; gelijk deese Landen kennelik van afweesende koningen en het magtige Hispanjen souden gedependeert hebben. Dog in allen gevalle is waaragtig, dat alle, die in hier vooren gemelde Landen regeerden, eer men de Troubelen zag beginnen, Heeren en menschen zijn geweest daar veel op te seggen viel; maar behoorde men te gelooven, dat anderen, die door zodanig oproerig geweld zig in de plaatse zullen komen zetten, alle die gebreeken beeteren zullen? neen gewisselik. Want de oproerigste, zijn doorgaans de ondeugenste, onweetenste en behoeftigste menschen. En die sig over zodanige menschen, onder eenig schoon prætext tot Hoofd kan opwerpen, maakt sig gemeenelik Heer, in plaatse van den geene die men heeft geschopt, sulks alle dit gruwelik en bloedig gewoel alleenelik strekt, Mutatio Tyranni, non Tyrannidis ablatio, om van d'eene Slaverny tot een andere, en dikwils tot ergere te vervalen. Waarelik alle betering komt gemeenelik zonder wapenen en bloedvergieten, van God, den Geever alles goeds, die veeltijds quaade Regenten haastig wegrukt, en den geduldige Onderdaanen, zomtijds beter toesend in een Monarchaale Regeering. En daarenboven, ziet men in de Republikse Regeeringen seer dikwils gebeuren, dat door het wegsterven eeniger uitsteekenste en ondragelikste Ministers of Magistraats-persoonen, de ooverleevende Regeerders, geneegen zijnde de voorgaande ongemakken in 't toekomende te beletten; de [669] Republiken met bedaarde zinnen, en zonder bloedvergieten weten te brengen tot een beeter ordre en forme van Regeeringe naademaal gemelde Regeerders en Magistraats-personen, in die vreedsame tyden hare ordinare dienders gebruikende; niet genoodsaakt werden, gelyk wel in oproer en inlandse oorlogen plagt te geschieden, te duiken ofte te buigen, voor schuim van menschen , dat in gemelde teegenlopende tyden altyds roekeloselik de handen aan 't werk slaat: ofte als de oproeren eenige tyd duren onder de naam van soldaat door het selven pleegen gedwongen te werden: sulks een yder sien kan dat die vreedsame veranderinge [En dit] is de grootste zeegen, die God de Heer in dit vergankelik leven, op de Ingezeetenen des Lands, 't zy Regeerders, 't zy Onderdaanen, kan besteeden. Dienvolgende is klaar dat gemelde Onderdaanen, ten desen einde altijds behoorden te gedenken de spreuk, die men segt, dat zeeker wijs Monnik had geschreeven booven den ingang van zijn Celletjen, namentlik; qui vult bene & feliciter vivere, semper bene loquatur de domino. Priore, faciat officium suum taliter qualiter, & sinat Mundum vadere sicut vadit.

Die met eer en rust wil leeven

Moet zijn Prior eere geeven.

Sijn dienst ook taamlik gade slaan,

En voorts de weereld laaten gaan.

En daar-en-boven behoorden de zelve onderdanen altijds indagtig te wesen der volgende Rijmen des Heeren van Pibracq:

Aime l'Estat tel que tu le vois estre,

S'il est Royal, aime la Royauté.

S'il est de Peu, ou bien Communauté,

Aime l'aussi, quand [car] Dieu t' y a fait naistre.

Hebt gy een Heer, zo voeg u naar zijn Wet.

Zijn weinigen aan 't hoogste roer geset;

Of geld de Burgerstem: smaal niet; dank God,

Die u daar leevens gaf, of vryheids lot. [670]

Welk alles zeer wel over een komt met de Heilige Regulen: Alle wettige Magten zijn van God. Daarom vreest God, eerd den Koning. En boven alle is wel aanmerkenswaardig de spreuke, Prov. cap. 24. Mijne zoone vreest den Heere, en den Koning: en vermengd u niet met hen die na veranderinge staan. Want haar verderf zal haastelik ontstaan: en wie weet harer beider ondergang.

Indien deese mijne gedagten, gunstiger Leser, u eenigen aanstoot hebben gegeeven; en indien gy meent waaragtiger, ofte beeter opinien te hebben; zoo zeg, en schrijf hier van, jaa ook tegen, zoo veel u gelieft; met verseekering, dat mijnent halven nietwes zal werden geantwoort, alsoo ik (Pugno pro Patria libera) meenende mijn pligt, als een Liefhebber mijns vry Vaderlands, te hebben gedaan, nog zoo veel te meer liefde zal betoonen, indien ik niet qualik neem, dat een ander zig zelven hier in ook voldoe met wat anders deesen aangaande, jaa ook teegen te schryven.

EINDE