Beschrijving van het Groenings dialect: ‘Ut Grünnigs’

(merk op: zonder n voor de eind-g).

 

Groeningen is een klein plaatsje in Oost Noordbrabant in de gemeente Boxmeer. De oorspronkelijke bewoners, waarvan er steeds minder overblijven, praten behoorlijk plat. Ik heb de indruk dat er platter gepraat wordt dan in omliggende dorpen zoals Vierlingsbeek of Vortum Mullem, maar zeker platter dan in het ietwat ‘deftige’ Boxmeer.

Voor zover ik weet bestaat er geen beschrijving van 'ut Grünnigs'. Het zou jammer zijn als met het leeglopen van het dorp of met het uitsterven van de autochtone bevolking, het typische dialect zou verdwijnen. Daarom geef ik hier een nogal wilde en lukrake aanzet om een beschrijving te maken. Het omgaan met taal is mijn vak helemaal niet, ik ben ‘techneut’, maar ik vind het gewoon leuk.

 

Eerst maar wat typische klanken, hoe schrijf je die (voorstel), hoe spreek je ze uit

 

dialect

nederlands

voorbeeld

klink als in

opmerking

a

a

bal

bal

 

aa

aa

zaal

eng. bar

 

e

e

hek

hik

i iets naar e toe

è

e

bek

bek

 

ee

ee

weet

weet

 

èè

 

bèèr (beer)

fr maire

 

eu

eu

geut (goot)

föhn

 

l

l

haal

 

voor in de mond, dus niet uitspreken aals w zoals in west nederland veel voorkomt

i

i

wit

wit

 

ie

ie

mien (mijn)

vier

iets gerekt: viejer

ie:

ie

kie:ke (kijken)

eng: to be

lange ie

o

o

boks (broek)

kort: rook

getuite lippen, lengte tussen o en oo in, voor in de mond

oo

oo

goor

goor

langer, vlakker, minder rond dan ABN

oa

 

poal (paal)

Rhône

 

ö

 

vör (voor)

eng. fur

 

öö

 

höör (haren)

fr beurre

 

r

r

rood

goot (West.ned)

schrapende keel-r

u

u

put

put

iets verlengd

ü

u

hüs, rüke

Brücke

korte duitse ü-klank

üü

uu

züüke

huren

 

ij

ij

hij

eng. day

i en j afzonderlijk uitspreken

g

g

gij

fr. gérome

zachte g

 


Het geslacht van zelfstandige naamwoorden.

Met aandacht voor het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk. Dit wordt door de Grünnigenaar nog behoorlijk goed aangevoeld.

 

mannelijk

de(n), unne(n)

dizze(n)

dieje(n)

vrouwelijk

de, un

dees

die

onzijdig

ut, un

di(t)

dè(t)

 

Opmerking: Ik kies hier voor ut in plaats van 't, omdat ik anders ook 'n en erger nog 'nnen zou moeten gebruiken.

 

Voorbeelden

de kel, dizze kel, dieje kel (de man, deze man, die man)

den emmer, dizzen emmer, diejen emmer (de emmer)

de vrouw, dees vrouw, die vrouw (de vrouw)

ut kient, di(t) kient, dè(t) kient (het kind)

 

un meens            een vrouw

unne meens            een man

 

De ‘n’ wordt aan de geplakt en ‘nen’ aan un of dun als het opvolgende woord met een klinker of ‘h’ begint. Dat spreekt makkelijker uit. Hieronder enkele voorbeelden.

 

dun hof

de tuin

dun oaven, unnen oaven

de oven

unne ring, unnen iezere ring

een ring

unnen aalden oaven

een oude oven

 

Opmerking

Enkele onzijdige woorden worden in het dialect als de-woorden beschouwd. De enige twee die ik nu weet zijn: de gedien (v) en de zaal (m) (het gordijn en het zadel).

 

Meervoud

Als in het ABN, met toevoeging van ‘s’

Waar het ABN ‘en’ toevoegt, laat het dialect het bij een toevoeging van ‘e’ (de ‘n’wordt nooit uitgesproken, dus schrijf ik hem ook niet)

 

Gekke meervoudsvormen, door klankverandering (zoiets als bij het Duits), enkele voorbeelden.

 

enkelvoud

meervoud

nederlands

bal

bèl

bal, ballen

hüs

hüüs

huis, huizen

rad

rèèj

rad, raden

laars

lèèrs

laars, laarzen

kop

köp

kop, koppen

hoop

heup

hoop, hopen

kap

kèp

kap, kappen

 

 

 

Werkwoorden vervoegen, enkele voorbeelden.

 

 

hebben

zijn

zullen

mogen

kunnen

OTT

ik heb
gij het
hij het
wij hebbe
gillie het
zillie hebbe

ik bin
gij bint, ziet
hij is
wij zien
gillie ziet
zillie zien

ik zal
gij zult
hij zal
wij zulle
gillie zult
zillie zulle

ik mag
gij meugt
hij mag
wij meuge
gillie mugt
zillie meuge

ik kan
gij kunt
hij kan
wij kunne
gillie kunt
zillie kunne

OVT

ik haj
gij hat
hij haj
wij han
gillie hat
zillie han

ik was
gij waart
hij was
wij ware
gillie waart
zillie ware

ik zöj
gij zöt
hij zöj
wij zön
gillie zöt
zillie zön

ik moog
gij moogt
hij moog
wij mochte
gillie mocht
zillie mochte

ik kon
gij kont
hij kon
wij konde
gillie kont
zillie konde

VTT

ik heb gehad

ik bin gewest

nvt

ik heb gemeugen

ik heb gekunt

 

 

Meewerkend voorwerp en bezittelijk voornaamwoord.

 

 

meewerkend vw

bezittelijk vnmwrd

ik

mien

mien(e)

gij

ow

ow(we)

hij, zij

hum, hör

zien(e), hör(re)

wij

oons

oons, onze

gillie

ollie

ollie, ollië

zij

hun

hun

 

laatst bijgewerkt op 8/10/2001