Bloedprikken
Als je bloed in het ziekenhuis onderzocht moet worden, dan prikt een zuster in je vinger, en doet een paar druppeltjes bloed in een buisje, ze bekijkt de bloedcellen onder de microscoop en telt de bloedcellen.
Ze telt de rode bloedcellen, de witte bloedcellen, de bloedplaatjes, de granulocyten en de lymfocyten. De rode bloedcellen zijn rood. Dat komt door de rode kleurstof die er in zit. Als je nu de rode bloedcellen kapot prikt, komt de rode kleur eruit en kun je meten hoeveel rode kleurstof in de bloedcel heeft gezeten.
Deze rode kleurstof noemen de dokters hemoglobine of kort gezegd Hb.
Bescherming
Inbrekers in je lichaam kunnen je heel erg ziek maken als al de granulocyten (politieagenten) dood zijn. Als je gezond bent, merk je niets van deze inbrekers, want dan heb je ook genoeg politieagenten. Daarom worden, voordat je nieuw beenmerg krijgt, je darmen door medicijnen schoongemaakt, zodat ook daar alle inbrekers weg zijn. Ook je huid wordt helemaal schoongemaakt.
Je begrijpt dat de dokters je willen beschermen tegen bacteriën die van buitenaf je lichaam binnen willen. Bij het begin van de beenmergtransplantatie (als je nieuw beenmerg krijgt), word je in een plastic tent gelegd. In de tent kunnen de inbrekers niet bij je komen. In de tent staat de hele dag een luchtstroom van boven je bed af naar beneden. Deze luchtstroom wordt eerst helemaal schoongemaakt.
Bijwerkingen
Als de politie te weinig personeel heeft, kunnen ze de inbrekers niet pakken. Zo is het ook in je lichaam .
Wanneer je te weinig witte bloedcellen hebt, kan je lichaam zich niet goed tegen ziekten weren en krijg je vlug ontstekingen: aan je vinger, in je mond, in je longen of waar dan ook. Eén ontsteking kan zich gemakkelijk uitbreiden. Daarom word je aantal witte bloedcellen telkens weer gecontroleerd. Op geregelde tijden krijg je medicijnen tegen ontstekingen. Kleine wondjes aan je vinger of in je mond worden met een bepaalde medicijn behandeld zodat ze niet gaan ontsteken.
Ook is het erg belangrijk dat je goed slaapt. Door slaap komt je lichaam weer op krachten. Ook moet je niet iemand bezoeken die ziek is en die je kan aansteken. Mocht je toch een ontsteking krijgen, dan moet je die direct in het ziekenhuis laten behandelen, zodat de ontsteking niet erger wordt.
Door de medicijnen kan je je misselijk voelen en overgeven. Maar dat duurt niet lang. Als je de medicijnen vaker krijgt, dan wordt de misselijkheid steeds minder. Ook zijn er pilletjes of druppels die tegen misselijkheid helpen.
Door sommige medicijnen kan je haar uitvallen. Daar schrik je natuurlijk van. Maar je haren groeien weer aan als je stopt met de medicijnen.
Als je er om uitgelachen wordt, dan komt dat omdat die ander niet weet waarom je een kaal hoofd hebt. En als het je gaat vervelen, moet je hem uitleggen waarom je een kaal hoofd hebt. Misschien begrijpt hij dan waarom je een poosje met een kaal hoofd moet lopen.
Bloedonderzoeken
Je weet al wat een bloedbeeld is: onder de microscoop tellen hoeveel rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes je in je bloed hebt. Ook wat hemoglobine is, heb je al kunnen lezen. Omdat hemoglobine (de rode bloedkleurstof) alleen in de rode bloedcellen voorkomt, kan je door de hemoglobine zien hoeveel rode bloedcellen je hebt. Als er veel rode en witte bloedcellen of bloedplaatjes ontbreken, geven de dokters je via een infuus (een slangetje) de onbrekende bloedcellen. Dit noemen de dokters een transfusie. Als je alleen te weinig rode bloedcellen hebt, krijg je alleen rode bloedcellen, bij leukemie krijg je meestal alleen rode bloedcellen.
Bloedtransfusie
Als je te weinig bloed in je lichaam hebt, dan kan je door een infuus, het slangetje, bloed van iemand anders krijgen. De dokter noemt dit een bloedtransfusie.
Alle mensen hebben rode en witte bloedcellen en bloedplatjes in hun bloed en bij alle mensen werken de bloedcellen hetzelfde.
Alleen van de rode bloedcellen bestaan verschillende soorten, maar ze hebben wel hetzelfde werk. Bij de sjouwers heb je dikke, dunne, grote en kleine sjouwers.
Heel veel dikke sjouwers bij elkaar, noem je een groep dikke sjouwers. Heel veel dunne sjouwers bij elkaar, noem je een groep dunne sjouwers. En zo heb je groepen van verschillende soorten. Een groep rode bloedcellen van hetzelfde soort, noem je een bloedgroep. Je bloedgroep krijg je van je vader of moeder en blijft je hele leven hetzelfde.
Bij een bloedtransfusie krijg je dus bloed van iemand met dezelfde bloedgroep. Iemand die erg heeft gebloed, heeft alle bloedcellen, de rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes nodig.
Beenmergpunctie
In je beenmerg worden je bloedcellen gemaakt. Ook de indringers groeien in je beenmerg op. Daarom is het heel erg belangrijk dat de dokter je beenmerg onderzoekt. Hij kan zien of er indringers inzitten en of de cytostatica, de medicijnen, de gezonde cellen in het beenmerg niet teveel beschadigt. De beenmergpunctie (een beetje merg uit het been/bot halen)wordt meestal in je rug gedaan en dat kan je niet zien.
Als je vooraf weet hoe een beenmergpunctie gaat, dan hoef je er ook niet bang voor te zijn.
Om een beetje merg uit je botten te halen, zoekt de dokter een bot uit dat vlak onder de huid ligt. Dat is bij jou de heupen; de bovenste rand van de bekken, meestal aan de achterkant. De dokter kan ook beenmerg uit het been dat in je borst zit halen je borstbeen (bij baby’s haalt de dokter beenmerg uit het scheenbeen).
Je ligt op je buik of je zit rechtop. Als de punctie in de voorkant van het bekken of in het borstbeen gedaan wordt, lig je op je rug. Eerst voelt de dokter waar hij het beste een beetje beenmerg weg kan halen, dan maakt hij met vloeistof je huid schoon. Dan krijg je een prikje en verdooft de dokter je.
Met een dunne naald wordt de verdoving onder de huid over het bot ingespoten. Omdat het een heel dun naaldje is, doet het niet zo’n pijn als de naald die de dokter gebruikt bij het bloed afnemen. De verdoving lijkt in het begin een beetje te branden maar daarna ben je op die plek verdoofd en voel je daar niets meer. Je zult natuurlijk wel de druk voelen als de dokter je prikt.
Als de naald in het bot zit haalt de dokter met een speciaal naaldje dat van binnen hol is, een beetje beenmerg uit je bot. Dat kan een beetje zeer doen. Het beenmerg wordt direct op een glasplaatje gelegd.
Onder de microscoop wordt je beenmerg onderzocht en bekeken welke bloedcellen er in je beenmerg zitten. Vaak wordt je beenmerg ook in het laboratorium onderzocht.
Als de dokter je beenmerg opzuigt noem je dat een beenmergpunctie.
Soms haalt de dokter met een speciale naald een heel klein stukje bot met beenmerg eruit, dat noem je een beenmergbiopsie. Bij leukemie wordt meestal alleen een beenmergpunctie gedaan. Als alles klaar is en de dokter de naald eruit getrokken heeft, doet de zuster er een pleister op.