| 1. Je bloed |
| Heb
je wel eens goed opgelet wat er gebeurt als je in je vinger snijdt? Het
doet zeer en er komt rood bloed uit. Maar na een poosje stopt het
bloeden. Later vormt er zich uit dat bloed een hard korstje. |
| Hoe
komt het dat het bloeden stopt?
En waarom is bloed rood? |
| Als
je een buisje vult met wat bloed en het een tijdje laat staan dan zie je
iets heel vreemds gebeuren: eerst was de hele inhoud rood maar nu zit er
onderin een donkerrode vloeistof, en er boven een gele vloeistof. Je
bloed is net water waar iets in zit waardoor het een rode kleur krijgt.
De rode kleur is dan onderin het buisje gezakt. |
| Het
gele water noemen de doktoren serum. Je zal straks zien waarvoor je dit
serum nodig hebt. Wil je weten wat je bloed nu rood maakt? |
| Als
je een beetje bloed op een glaasje doet en door een microscoop bekijkt,
zie je in het bloed allemaal kleine rondjes en korreltjes. Een
microscoop is een heel sterk vergrootglas waardoor je hele kleine dingen
heel goed kan zien. Al deze rondjes en korreltjes noemen we bloedcellen. |
|
ER
ZIJN DRIE SOORTEN BLOEDCELLEN: |
| Een
groot deel van de bloedcellen is helder rood en deze bloedcellen zien er
uit als donuts. Ze heten rode bloedcellen (erytrocyten). Van de rode
bloedcellen heb je er het meest in je bloed, daarom is je bloed rood. |
| Een
ander deel, iets grotere bloedcellen, is wit. Daarom heten deze
bloedcellen ook witte bloedcellen (leukocyten). Van de witte bloedcellen
zijn er een aantal soorten. Waarom je die rode en witte bloedcellen
hebt, zul je zo dadelijk lezen. |
| Een derde groep bloedcellen lijken op korreltjes. Dit zijn de bloedplaatjes (trombocyten). |
| Waarom heb je nu al die verschillende cellen in je bloed nodig? |
| De
bloed vaten of aderen waardoor je bloed stroom, zijn de straten van de
stad, de bloedcellen zijn de mensen die in de straten werken. Maar
voorzichtig, want alle straten zijn éénrichtingsverkeer. Je bloed
stroomt altijd maar in één richting. |
|
WAT ZIJN NU DE TAKEN VAN DE DIVERSE BLOEDCELLEN? |
| a.
De rode bloedcellen (erytrocyten) |
| De
rode bloedcellen zijn de sjouwers. Zij sjouwen de zuurstof (O2) door je
lichaam. Je gebruikt overal in je lichaam zuurstof. De rode bloedcellen
halen de zuurstof op in je longen. Daar wordt het ingeademd. Daarna
brengen ze de zuurstof overal waar het nodig is. Kun je je voorstellen
wat er gebeurt al je te weinig sjouwers hebt. Dan moeten de overgebleven
sjouwers zo veel dragen dat ze bijna door hun benen zakken. Maar dat nog
wordt er niet genoeg zuurstof rondgebracht en zonder zuurstof kunnen je
spieren en botten niet goed werken. |
| Je
lichaam kan niet werken zonder zuurstof en dan voel je je niet lekker.
Als je nu je bloed onder de microscoop bekijkt, zie je te weinig rode
bloedcellen. Er kunnen verschillende oorzaken zijn waarom je te weinig
roden bloedcellen hebt. Ook leukemie kan de oorzaak zijn. |
| b.
De witte bloedcellen (leukocyten) |
| Van
de witte bloedcellen heb je verschillende soorten in je bloed. Net zoals
de politie hebben de witte bloedcellen mensen in dienst; de
granulocyten, dat zijn de politieagenten en twee groepen lymfocyten; de
commissarissen en de controleurs. |
|
TEN EERSTE DE GRANULOCYTEN |
| Dit
zijn witte bloedcellen die, als je ze onder de microscoop ziet, sproeten
hebben. Zij zijn de politieagenten in je bloed. Als je een ontsteking
hebt aan je vinger doet dat zeer en is je vinger een beetje rood. Dat
komt door die ontsteking. Ontstekingen ontstaan als inbrekers (bacteriën)
van buitenaf je lichaam binnenkomen. Zij veroorzaken alleen maar
narigheid. Zoals de politie gewaarschuwd wordt bij een overval, zo
worden ook de granulocyten gewaarschuwd bij binnenkomende bacteriën.
Alleen arresteren ze de inbrekers niet, maar eten ze op. Daarna gaan ze
samen met de inbrekers dood. Maar dat is hun taak ook. Zo zorgen ze
ervoor dat je vinger weer beter wordt. |
|
TEN TWEEDE HEB JE LYMFOCYTEN |
| Ook
de lymfocyten behoren bij de politie, zij zijn de commissarissen. Zij
organiseren de aanval van de granulocyten (de politieagenten). Daarvoor
gebruiken ze zelfs een soort computer waardoor de lymfocyten weten wie
de inbrekers zijn. |
| Een
andere groep lymfocyten, de controleurs, maakt “antilichamen”. Dat
zijn chemische stoffen die ze aan de inbrekers vastmaken. Als de
politieagenten nu inbrekers zien met zo’n stof, dan weten ze meteen
dat het inbrekers zijn en zij eten ze op. |
| Langs de wegen staan allemaal douaneposten. Deze douaneposten noemen we lymfeklieren. De inbrekers komen via je huid je lichaam binnen. Voordat ze je bloed in kunnen komen, moeten ze langs deze douaneposten. Als nu de inbrekers bij een douanepost komen, mogen ze er natuurlijk niet in. De douane belt nu direct naar de politie en de commissarissen sturen snel een heleboel politieagenten. |
| Je
begrijpt dat het dan heel druk wordt bij de douanepost. Het wordt zo
verschrikkelijk druk, dat je lymfeklier heel dik wordt. De inbrekers
worden nu via aparte straten afgevoerd. Deze aparte straten heten de
lymfevaten en komen uit in de nieren en lever. |
| c. Bloedplaatjes (trombocyten) |
| Herinner je je nog wat er gebeurt als je in je vinger snijdt? Dan komt er bloed uit, dat wordt snel donkerder van kleur, het bloeden stopt en er komt een korstje op. Dit noem je stollen. Denk maar weer aan onze stad. Net zoals er in de stad straten zijn, zijn er in je lichaam bloedvaten. Als er nu een auto door de vangrail rijdt, komen de wegenbouwers, in dit geval bloedplaatjes, die het gat dichtmaken. |
| De
wegenbouwers zijn kleverig en vormen samen met andere stoffen, de
hulpjes van de wegenbouwers, een prop voor de kapotte vangrail. Nu
kunnen de auto’s niet meer door de vangrail rijden. |
| Wanneer
er te weinig bloedplaatjes zijn, duurt het bloeden langer. Als je je
stoot dan krijg je een grote blauwe plek. Dit komt omdat dicht onder je
huid door het stoten een heel klein bloedvaatje kapot gaat. Door
verschillende Ziekten kun je te weinig bloedplaatjes hebben, waardoor je
gemakkelijk bloedt. Ook bij leukemie kan dit zo zijn. |
| d.
Hoe komen nu de bloedcellen in je bloed? |
| Alle
bloedcellen worden in de loop van de tijd oud of raken versleten. Daarom
moeten op tijd nieuwe bloedcellen gemaakt worden. Dat gebeurt in het
binnenste van je botten; in je beenmerg. |
| In
het beenmerg lijken je bloedcellen eerst allemaal op elkaar; net zoals
de baby’s die er in het begin ook allemaal hetzelfde uitzien. Dan
groeien de bloedcellen op en krijgen allemaal een taak. Als ze groot
zijn, kun je al deze bloedcellen goed uit elkaar houden. Een sjouwer,
een politieagent en een wegenbouwer lijken ook niet op elkaar. |
| De
bloedcellen in het beenmerg groeien op en leren ieder een eigen taak. De
sjouwers leren zuurstof sjouwen. De politie leert hoe ze inbrekers
moeten vangen. En de wegenbouwers leren hoe ze kapotte vangrail moeten
maken als ze alles in het beenmerg (school) geleerd hebben. Mogen ze in
het bloed aan het werk. |
| Wist je dat er zoveel gebeurt in je botten? En zie je nu dat je skelet zo belangrijk is. Als je beenmerg niet goed werkt, duurt het niet lang voordat je bloed ook niet in orde is, omdat in je beenmerg je bloedcellen leren wat ze in je bloed moeten doen. En als je bloed niet in orde is, voel je je niet lekker. |
| 2. De cellen |
| In het hoofdstuk over bloed hebben we vaak over bloedcellen gesproken. Niet alleen je bloed bestaat uit cellen, maar je hele lichaam. Cellen zijn de bouwstenen van je lichaam, net zoals de huizen uit de stad die uit stenen zijn opgebouwd. Ook alle dieren en planten zijn uit cellen opgebouwd. |
| Cellen
kunnen er heel verschillend uitzien; iedere cel ziet eruit zoals zijn
taak is. Cellen die hetzelfde moeten doen, blijven bij elkaar in een
groep. Er zijn spiercellen, hersencellen, huidcellen enzovoort. Delen
in het lichaam die uit gelijke cellen bestaan noemt men organen. Het
bloed zorgt ervoor dat alle organen uit zuurstof en voedingsstoffen
krijgen omdat ze anders niet goed kunnen werken. Als jij niet eet, kan
je ook niet goed leren. Hoe verschillend de cellen er ook uitzien,
één ding doen ze allemaal hetzelfde; ze vermeerderen zich door zich
telkens in tweeën te delen. |
| Voor de cellen is het erg moeilijk zich te delen: ze moeten zorgen dat de twee helften er precies uitzien zoals die cel er eerst uitzag. Uit die twee cellen komen weer vier cellen en zo gaat dat steeds verder. |
| 3. De huid |
| De huid bedekt je lichaam van boven tot onder, net als een hele grote overall. Je kunt alleen geen rits opendoen en eruit stappen. En dat is maar goed ook want je huid is erg belangrijk. Je kan je huid vergelijken met de grens om de stad, de grens beschermt de stad. |
| Ze beschermt het binnenste van je lichaam tegen vuil, ziekten en zonnestralen. Ze houdt je lichaam overal op dezelfde temperatuur, als het buiten heet is, ga je zweten en daardoor koelt je lichaam iets af. Haren en nagels horen ook bij de huid. In de huid liggen bepaalde cellen, dit zijn de zenuwcellen, die je hersenen vertellen wat je met je huid voelt. |
| 4. De botten |
| Je weet al dat midden in je botten, het beenmerg, de bloedcellen gemaakt worden. Een andere taak van je botten is je rechtop te houden en je te beschermen, net zoals een muur om de stad die alle gebouwen beschermt. Je schedel beschermt je hersenen. Je ribben beschermen je longen en je hart. Daarom moeten botten van buiten heel hard zijn. Maar binnenin, het beenmerg, zijn ze zacht en zitten ze vol met gaatjes. In die gaatjes is plaats voor de bloedcellen die zich daar delen om nog meer bloedcellen te maken. |
| 5. De spieren |
| Zonder
spieren kun je je niet bewegen. Je hebt ook spieren nodig om te kunnen
praten, om te ademen, om te slikken en om je ogen te bewegen. Ook je
hart is een spier anders zou het niet kunnen werken. |
| Spieren
hebben zuurstof (O2) en voedingsstoffen nodig om te kunnen werken.
Allebei worden ze via het bloed aangevoerd. De spieren gebruiken
zuurstof en daardoor ontstaat afval, dat heet koolzuur (CO2). Koolzuur
wordt door de sjouwers naar de longen gebracht, de longen ademen het
koolzuur uit en ademen weer zuurstof in dat de sjouwers weer meenemen
naar de spieren. |
| De voedingsstoffen worden niet door de sjouwers vervoerd, maar in het gele water, het serum. Dit serum brengt alle andere afvalstoffen, behalve koolzuur, naar je nieren; daar worden deze afvalstoffen door het plassen naar buiten gebracht. |
| 6. De longen |
| Wanneer
je diep inademt zuig je lucht in je longen. De lucht gaat door je mond
en de luchtpijp en wordt daar via verschillende vertakkingen die
bronchiën heten, verdeeld. Het lijkt net een boom met heel veel
takken. |
| Aan
het einde van die bronchiën zitten veelkleine blaasjes
(longblaasjes). Deze blaasjes zijn net ballonnetjes, je blaast ze vol
en laat ze weer leeglopen. De lucht. Die je inademt zit vol zuurstof
dat in die blaasjes komt. De sjouwers komen nu in je bloed voorbij en
geven het afval af en zuurstof mee. |
| Als
je neus verstopt zit en je hoest, wil de dokter weten of je een
ontsteking hebt aan je bronchiën of iets anders. Hij vraagt ja dan
diep te zuchten en luistert met zijn stethoscoop, een apparaatje
waarmee hij naar de geluiden in je lichaam kan luisteren naar je
longen. Misschien stuurt hij je ook nog naar een afdeling waar
foto’s van je longen kunnen worden gemaakt, dat heet een röntgenafdeling.
Op deze foto’s kun je je longen en ribben zien. |
| 7. Hart & Kringloop |
| Het
bloed stroomt door bloedvaten, zoals de mensen in de straten lopen. En
zijn grote en kleine vaten. Soms zijn die zo dun als een haar. Daarom
noemen we ze haarvaten. Je bloed stroomt niet vanzelf door je
bloedvaten, maar wordt er doorheen gepompt. Als je hart slaat, pompt
het je bloed door je lichaam. Wat betekent nu kringloop? |
| Heel
gemakkelijk: door inademen halen de longen zuurstof naar binnen, dan
wordt het door de rode bloedcellen vervoerd naar de spieren, hersenen
en overal waar het nodig is. Wanneer de sjouwers de zuurstof afgegeven
hebben, halen ze koolzuur op. Dat brengen ze weer naar de longen, waar
de koolzuur naar buiten geblazen wordt, en halen daar weer zuurstof
op. Hier begint het kringetje, de kringloop weer opnieuw. Je hart, dat
regelmatig slaat, houdt de kringloop van je bloed op gang. |
| De
dokter kan door de stethoscoop het slaan van je hart horen. Hij kan
ook het slaan van je hart, door een apparaat, laten uittekenen. Zo’n
tekening noem je een elektrocardiogram (kort gezegd: ECG). Het ECG
laat zien of je hart goed en regelmatig werkt. |
| 8. Het spijsverteringsorgaan |
| Je
hersenen, je spieren en alle andere organen moeten voedingsstoffen
hebben om te kunnen werken. |
| Zelf
merk je dat je trek krijgt. Alles wat je eet, wordt eerst door de kiezen
klein gemalen en komt daarna in je maag. Dan gaat het door je dunne darm
en je dikke darm. Tijdens deze weg wordt je eten verdund. Verdunnen wil
zeggen dat je maag, je lever en je buikspeekselklieren sappen in het
eten stoppen zodat het eten in hele kleine stukjes verandert. Deze hele
kleine stukjes eten kan het bloed uit je darmen halen, vervoeren en
afgeven daar waar nodig is. |
| Niet alles uit het eten kan je lichaam gebruiken. Wat niet gebruikt wordt, komt als poep naar buiten als je gaat drukken. |
| Je moet nog iets meer weten over de lever. De lever maakt niet alleen een verdunningssap, gal genaamd, maar heeft ook nog een andere taak. |
| Ze verwerkt bijvoorbeeld ook nog afvalstoffen die overblijven uit voedingsstoffen die je hersenen en spieren gebruiken. Zonder de lever zouden deze afvalstoffen giftig zijn. De lever pakt ze in zodat er niets mee kan gebeuren en het bloed vervoert ze naar de nieren. Daar komt het afval met het plassen naar buiten. |
| 9. De nieren |
| De
nieren scheiden de hele dag een vloeistof uit, urine. Deze urine gaat
via de urineleiders, twee dunne buisjes, naar de blaas en wordt daar
verzameld. Dat is zeer handig, anders moest je de hele dag op de wc
zitten. |
| Als
de blaas vol is, merk je dat je moet plassen. Wanneer je dat doet dan
trekt de blaas zich samen en duwt de urine naar buiten. |
| Als de dokter wil weten of je nieren in orde zijn, laat hij je bloed onderzoeken om te kijken hoeveel afvalstoffen erin zitten die de lever naar de nieren gestuurd heeft. Zitten er veel afvalstoffen in je bloed, dan betekent dit dat je nieren hun taak niet goed doen. De dokter kan je ook naar de röntgenafdeling sturen om een foto te laten maken van je nieren, urineleiders en blaas. Daar krijg je een speciaal drankje, waardoor de dokter na een paar minuten je nieren, urineleiders en blaas heel goed kan zien op de röntgenfoto’s. |
| 10. Het zenuwstelsel |
| Alle
verschillende organen die in je lichaam verdeeld zitten, net zoals de
huizen in een stad, hebben een soort regering nodig om goed te kunnen
samenwerken. Je hersenen zijn de regering van je lichaam. Zij
verzamelen de berichten en nemen de beslissingen. Vanaf de hersenen
lopen de zenuwen, die op telefoondraden lijken, via je nek naar het
ruggenmerg in je rug, allemaal samen als één dikke kabel, en vanuit
het ruggenmerg verspreiden ze zich over je hele lichaam. Zoals de
telefoondraden over de hele stad. |
| Omdat
je hersenen en ruggenmerg zo belangrijk zijn, worden ze erg goed
beschermd; de botten van de schedel en de wervelkolom (al je ribben)
vormen een harde schaal om deze organen heen. In deze schalen liggen
je hersenen en ruggenmerg in een heldere vloeistof, het zenuwvocht.
Dit zenuwvocht beschermt de hersenen en ruggenmerg tegen de harde
botten die hier weer om heen zitten. |
| Wanneer alle delen in je lichaam goed samenwerken, ben je gezond. En om je prettig te voelen, moet je eerst gezond zijn. |