‘ANTI-MOSLIMRACISME EN
DE EUROPESE VEILIGHEIDSSTAAT’
LIZ FEKETE
('Race & Class', Vol. 46, No. 1, 3-29 (2004)
SAMENVATTING
In geheel Europa heeft de ‘oorlog tegen het terrorisme’ een grote invloed op het beleid met betrekking tot raciale verhoudingen. Nieuwe wetgeving, onder politietoezicht stellen en contraterroristische maatregelen bestempelen moslims, oudkomers zowel als immigranten als de ‘ binnenlandse vijand’. In dit proces zijn de speerpunten van het xeno-racisme, gericht op het verpauperen van asielzoekers, uitgebreid naar moslimgemeenschappen. De islam wordt gezien als een bedreiging voor Europa, dat niet alleen niet alleen wordt beantwoord met draconische aanvallen op burgerrechten maar ook met stappen om het multiculturalisme terug te dringen en de monoculturele homogeniteit door middel van assimilatie te bevorderen. Op die manier worden ‘integratie’-maatregelen – zoals het verbieden van de hoofddoek in Frankrijk – een toevoeging aan antiterroristische wetgeving. Dit is niet zomaar ‘Islamofobie’, maar gestructureerd anti-moslimracisme.
Europa heeft, zo zijn we gewaarschuwd, te maken met een ‘wereldwijde dreiging’ die na 11 september gevormd wordt door het ‘islamitisch extremisme’. In een speech voor zijn Sedgefield-kiesdistrict sprak premier Blair in apocalyptische termen over een dreiging die werkelijk bestaat en die wezenlijk is; die bestreden moet worden, ‘ongeacht de politieke kosten.’[1]
Toch komt de bedreiging van onze ‘waarden’, van naties die ‘vrij en democratische’ zijn en ‘profiteren van economische vooruitgang’, niet zomaar van Blair’s veelkoppige monster van het ‘internationale terrorisme’, maar van een binnenlands gevaar van eigen Europese makelij. En het is te beargumenteren dat het langduriger effecten zal hebben en meer schade zal toevoegen aan de Europese burgerlijke maatschappij, traditionele waarden en manier van leven dan welk gevaar van buitenaf dan ook. Het is een afgeleide juist van de manier waarop het gevaar gezien wordt en, daardoor, van de maatregelen die genomen worden om het tegen te gaan. Het is inherent aan de contraterrorismemaatregelen die de EU aangenomen heeft sinds 11 september, die de definitie van ‘terrorisme’ oprekken, evenals aan de noodwetten die aangenomen zijn door lidstaten en die de grondslagen van rechtvaardigheid aantasten.
Het markeert de eerste stadia van het aannemen door Europa van een fundamenteel ander autoritair paradigma van de staat. Het is gebaseerd op een concept van nationale veiligheid dat is doordrenkt met xeno-racisme – wat precies de term is die Sivanandan gebruikt om het nieuwe racisme te beschrijven dat in de laatste tien jaar in heel Europa opgekomen is en gericht wordt tegen degenen die, ontheemd en onteigend door de globalisering, op de kusten van Europa geworpen worden.[2]
Het is xeno in de vorm doordat het gericht is tegen buitenlanders ongeacht van welke huidskleur; het is racisme in inhoud doordat het alle kenmerken van demoniseren en uitsluiting van het oude racisme in zich draagt – en de mechanismen die vreemdheid zijn plaats geven zijn wettig en structureel en institutioneel.
Wat echter gebeurt lijkt te zijn na 11 september is dat de specifieke kenmerken van dat geïnstitutionaliseerde xeno-racisme – anti-vreemdheid - uitgebreid zijn naar gemeenschappen van etnische minderheden die al decennia in Europa gevestigd zijn – simpelweg omdat ze moslim zijn. Aangezien de Islam nu staat voor de ‘bedreiging’ van Europa worden de mosliminwoners, zelfs terwijl ze staatsburger zijn, zelfs wanneer ze geboren zijn in Europa, gevangen in de steeds meer omvattende strop van het xeno-racisme. Ze bedreigen Europa niet alleen als de ‘binnenlandse vijand’ in de oorlog tegen het terrorisme, hun aanhankelijkheid aan islamitische normen en waarden bedreigt de notie van Europeanisering zélf. Onder het mom van patriottisme is een grootschalig anti-islamitische racisme ontketend dat zélf het bouwwerk van de multiculturele maatschappij dreigt te vernietigen.
In déze context moeten we de nieuwe druk tot assimilatie in geheel Europa begrijpen. Assimilatie wordt versterkt opgelegd door het nemen van een aantal maatregelen, waaronder het herzien van wetten op het staatsburgerschap in overeenstemming met veiligheidsoverwegingen; het introduceren van verplichte taal- en inburgeringtoetsen voor aanvragers van het staatsburgerschap; gedragsvoorschriften voor beheerders van moskeeën; een culturele gedragscode voor moslim meisjes en vrouwen, die in bepaalde gebieden in Europa het verbod zullen krijgen de hoofddoek te dragen in staatsscholen en andere staatsinstellingen. Maar om te begrijpen hoe een assimilationistische etnische minderhedenbeleid dient als toevoeging bij antiterrorismewetten in de veiligheidsstaat, is het in de eerste plaats noodzakelijk om de politieke veiligheidsretoriek in ogenschouw te nemen die Europese leiders in de nasleep van 11 september bezigden om de volgende invasies van Afghanistan en Irak te rechtvaardigen. Het is onmogelijk het huidige debat over de ‘grenzen van de culturele diversiteit’ los te maken van de oorlog tegen het terrorisme.
DE VEILIGHEIDSAGENDA
Na de gebeurtenissen van 11 september kon niemand beweren dat al Qaida geen bedreiging vormde voor de VS of dat zijn tactieken niet die van de terreur waren. Als trouwe bondgenoten van de VS en actieve deelnemers aan de eerste Golfoorlog, zijn de EU-regeringen ervan uitgegaan dat ze gevaar liepen door Al Qaida zelfmoordbommenleggers en de activiteiten van slapende cellen. Duitsland, geschokt door het feit dat het complot van 11 september uitgebroed was in Hamburg, arresteerde vier Algerijnen nadat het bewijsmateriaal had ontdekt voor een samenzwering die erop gericht was bommen te laten ontploffen op de Kerstmarkt van 2000 in Straatsburg. De Britse autoriteiten waren op hun beurt gealarmeerd toen Richard Reid, een Brits-Caraïbische tot de islam bekeerde jongeman, een commerciële vlucht door middel van explosieve middelen die in zijn schoenen verborgen waren probeerde op te blazen. De EU staten zouden onverantwoordelijk geweest zijn als ze niet adequate maatregelen getroffen hadden om hun onderdanen te beschermen tegen terroristische aanslagen van al Qaida. Het probleem was echter dat het antwoord op 11 september niet adequaat was.
Niet alleen nam de EU resoluties aan en nam ze het initiatief voor wetgeving die een hele waaier van onderwerpen die er niets mee te maken hadden in de categorie van de oorlog tegen het terrorisme bracht, maar de prominentste Europese staatshoofden (met uitzondering van de Duitse kanselier en de Franse president) speelden een wezenlijke rol in het scheppen van de mythe dat het Westen in ‘direct’ gevaar verkeerde door Saddam’s massavernietigingswapens en dat Saddam al sinds een decennium contacten op hoog niveau had met Al Qaida.
Zelfs in de directe nasleep van 11 september toen het te verwachten was dat de focus op al Qaida op zijn scherpst zou zijn reageerde de EU door een hele waaier van dissidentie onder de juridische competentie van het antiterrorisme te brengen – niet alleen ‘buitenlandse terroristische organisaties’ maar antiglobalistisch protest, subversieve jeugdculturen etc. Het EU-besluit over Gemeenschappelijke Standpunten en Raamwerk met betrekking tot het bestrijden van het terrorisme, aangenomen in 2001, verbreedde de definitie van terrorisme aanzienlijk.
Terroristische activiteit was niet langer beperkt tot extreem geweld uitgeoefend met politieke doelen; nu kon elke actie die tot doel had ‘ernstige schade toe te brengen aan een land of een internationale organisatie’ of die een regering onrechtmatig dwong op een bepaalde manier te reageren, onder de definitie vallen. Terwijl het begrip van overmatige dwang of ernstige schade nog steeds inhoudt dat extreem geweld een integraal onderdeel is van terrorisme geldt dit niet voor het mede opnemen in de definitie van al diegenen die terrorisme ‘op wat voor wijze ondersteunden, actief of passief’.[3] Op deze manier werden nieuwe misdaden in vereniging met terrorisme gecreëerd. Daardoor konden individuen die strijden voor etnisch zelfbeschikkingsrecht, maar die hun doelen niet nastreven met behulp van geweld of bewust meehelpen met het voorbereiden van geweldsdaden, onder de reikwijdte van Europese antiterrorismewetten komen te vallen.
Lidstaten begonnen vervolgens het EU-besluit over Gemeenschappelijke Standpunten en Raamwerk met betrekking tot het bestrijden van het terrorisme uit te werken in binnenlandse wetgeving, wat bij sommige staten leidde tot noodwetgeving en nieuwe antiterrorismewetten. Andere pasten bestaande openbare orde wetten, crimineel recht en vreemdelingenwetgeving aan en breidden de bevoegdheid van de politie uit. Cruciaal was dat beide manieren van aanpak leidden tot de vorming van een schaduw crimineel rechtssysteem voor buitenlandse inwoners, waaronder asielzoekers, die in de toekomst het recht op fundamentele burger- en mensenrechten ontzegd zou worden. Landen als Frankrijk, Italië en Zweden hebben buitenlandse inwoners die ervan verdacht werden een gevaar voor de veiligheid te vormen, uitgezet, daarbij afstand nemend van het principe van refoulement zodat buitenlandse inwoners niet uitgeleverd kunnen worden naar een staat waar zij het risico lopen van vervolging, de doodstraf, marteling of andere vernederende behandeling.[4] Het VK Antiterrorisme Misdaad en Veligheids Wet 2001 (ACTSA) introduceerde internering zonder proces alleen voor buitenlandse inwoners, waarvan er twaalf zonder vorm van proces voor twee jaar zijn vastgezet in de gevangenissen van Belmarsh en Woodhill. [5] De gedetineerden zijn nergens van beschuldigd, kunnen het bewijsmateriaal tegen hen niet inzien en worden vierentwintig uur per dag vastgehouden op hun cellen.
Feitelijk hebben EU-regeringen de kans gegrepen die 11 september bood om de definitie van terrorisme op te rekken en de tentakels van de veiligheidsstaat uit te spreiden op manieren die daarvóór ondenkbaar waren, en dat terwijl Europa niet onbekend is met politieke bewegingen die burgers als doelen zien voor bom- en andere aanslagen. De dertig jaar durende oorlog in Noord-Ierland, het conflict tussen Spanje en Baskiese separatisten, en in Frankrijk met betrekking tot de toekomst van Corsica zijn de meest in het oog springende voorbeelden van conflicten die het leven van burgers geëist hebben, zowel door de staat als door paramilitaire bewegingen. En toch hebben deze werkelijk substantiële gewelddaden nooit geleid tot de soort allesomvattende veiligheidsmaatregelen die 11 september met zich meebracht en die nu post hoc gerechtvaardigd worden door de terroristische aanslag van 11 maart in Madrid.
Hiermee wil niet gezegd zijn dat Europese staten niet geprobeerd hebben overeenstemming tot stand te brengen voor draconische beleidsmaatregelen in bijvoorbeeld Noord-Ierland of Baskenland. Maar overeenstemming werd voortgebracht door middel van het idee dat separatistisch geweld aan de periferie gehouden kon worden; het algemene publiek werd aangemoedigd een Blitz-achtige solidariteit vol te houden met het oog op verdere potentiële aanslagen. Na de gebeurtenissen van 11 september zijn de Europese bevolkingen echter aangemoedigd om op een geheel andere manier te denken, en elke bomaanslag in elk deel van de wereld te beschouwen als een directe bedreiging voor ieders persoonlijke veiligheid. Criminologe Janne Flyghed heeft aangevoerd dat de uitbreiding van antiterrorisme maatregelen doorgevoerd is met behulp van het beeld van ´dreigend gevaar van dramatische proporties zonder een spoor van empirische bewijs´. ´Herhaalde verwijzingen naar bepaalde spectaculaire gebeurtenissen brengen een vals bewustzijn van dreigend gevaar voort´ en zijn verbonden met ´percepties van niet-specifieke en diffuse maar niettemin ernstige dreigingen. De doelen van deze dreigingen zijn vaak ook behoorlijk moeilijk vast te stellen´, maar omvatten ´de nationale veiligheid´, ´de veiligheid van de natie´, of ´openbare orde en veiligheid´, concepten waarvan de inhoud en toepasbaarheid kan variëren al naar gelang de politieke situatie.´ [6]
Het constante verwijzen naar spectaculaire gebeurtenissen zoals die van 11 september dient dus een bredere politieke agenda; die van het produceren van overeenstemming over steeds indringender toezicht en het inperken van persoonlijke vrijheden door middel van het oproepen van angst. De Britse regering is bijvoorbeeld bezig geweest met ‘onliberale experimenten om te regeren met uitzonderingswetten’ waarbij inbegrepen het aannemen van ‘buitengewone maatregelen tegen diegenen die we geroepen zijn te zien als outcasts’. [7] De ‘outcast’ is noodzakelijk, zowel als dreiging en als zondebok. Radicaal advocate Gareth Peirce heeft beschreven hoe de politiek van angst die opkomt rond ‘nationale veiligheid’ tot stand gebracht wordt:
‘Nationale veiligheid’ heeft een verleidelijke toon. Het schrikt politiek verschil van mening af. Het maakt de bevolking bang en maakt haar meer kruiperig bij autoritaire maatregelen. Het vergroot een kring van angst wanneer de steeds breder wordende notie van nationale veiligheid ervan uit gaat dat de belangen van de natie direct beroerd kunnen worden door gebeurtenissen in de hele wereld. Het creëert een overdreven mate van angst en een overdreven mate van bedreiging, en is van immens belang voor regeringen en regeringsinstituties die een inherent verlangen hebben om in het geheim te handelen en materiaal op grond waarvan vitale nationale beslissingen gemaakt worden weg te houden van nauwkeurig onderzoek.’[8]
DE ROL VAN DE VEILIGHEIDSDIENSTEN
In dit klimaat worden veiligheidsdiensten door geheel Europa snel uitgebreid. In het VK bijvoorbeeld is de Special Branch twee-en-een-half keer zo groot als ten tijde van de Koude Oorlog en het conflict in Noord-Ierland. Andere Europese veiligheidsdiensten groeien op een zelfde manier. Tegelijkertijd verschaffen westerse interventies in moslimlanden nog meer mogelijkheden aan de media om bepaalde groepen, zelfs naties, te demoniseren, met als doel ´de algemene publieke opinie te smeden in de richting van een globale oorlog tegen moslims´. [9] Zoals advocaat John Upton heeft opgemerkt wordt de publieke opinie vaak gemanipuleerd door middel van de grofste stereotypen en simplificaties. ´Er wordt ons verteld dat we staan tegenover een complexe, overweldigende dreiging, en toch worden ons de grofste middelen voorgehouden om ons lot te doorgronden: karikaturen van Saddam, van Bin Laden, van zelfmoordbommenleggers en kwaadaardige imams. Dit zijn de cartoon boemannen in wier schaduw we worden aangemoedigd ons te verenigen.´ [10]
EEN SYSTEEM VAN RELIGIEUZE PROFILERING
Welk gebruik maken de veiligheidsdiensten van hun aanvullende middelen?
Alle bewijs suggereert dat eerder dan dat ze doelgerichte actie ondernemen tegen individuen met een aantoonbare connectie met al Qaida of aanverwante organisaties, ze systematisch uitgebreide informatie verzamelen over bepaalde groepen of gemeenschappen die geacht worden een potentieel veiligheidsrisico in te houden. Van hieruit is het een kleine stap naar het aannemen van dwangmaatregelen tegen bepaalde groepen, zoals de als straf bedoelde en onherroepelijke aard van detentie voor vreemdelingen onder de Wet op het Terrorisme of op een lager niveau het politiegetreiter in de buurt van moskeeën.
De typeringen door de veiligheidsdiensten heeft zich in twee stadia ontwikkeld. De eerste concentreert zich op ‘vijandelijke vreemdelingen’, voornamelijk buitenlandse studenten, asielzoekers en vluchtelingen, in overweldigende mate (maar niet uitsluitend) uit moslimregio’s in de wereld. De EU Gemeenschappelijke Standpunten over het bestrijden van het terrorisme gelasten alle lidstaten om alle asielzoekers na te gaan teneinde vast te stellen of ze enige relatie hebben met het terrorisme, met inbegrip van het beruchte middel-om-alles-en-iedereen-te-pakken voor ‘passieve ondersteuning’. Er wordt een dossier gemaakt van elke persoon/familie, waarin gedetailleerde informatie wordt vastgelegd over hun politieke en vakbondsactiviteiten in hun landen van oorsprong en alle landen waarin ze zich hebben opgehouden. In Denemarken, Duitsland en Noorwegen hebben de inlichtingendiensten zich specifiek gericht op buitenlandse studenten als hoogrisicogroep en zijn begonnen met het vastleggen van religieuze kenmerken van niet-EUstudenten. De Deense Politie Inlichtingen Dienst (PET) en de Noorse Politie Veiligheids Dienst (PST) hebben universiteiten verplicht mee te doen met het vergaren van inlichtingen voor de veiligheidsdiensten met als argument dat buitenlandse studenten kunnen proberen zich op de universiteit in te schrijven om informatie of uitrusting te verkrijgen die gebruikt zouden kunnen worden bij het vervaardigen van massavernietigingswapens.[11] Het Duitse systeem van het religieus in kaart brengen van buitenlandse inwoners vanuit islamitische staten, dat begonnen is op de universiteiten maar sindsdien uitgebreid is naar privé/ondernemingen is van een ongeëvenaarde schaal. Tegen april 2002 had de Criminele Inlichtingen Dienst van de Bondsrepubliek 6 miljoen persoonlijke dossiers aangelegd en meer dan 20.000 verdachten eruit gehaald, hoewel er geen concreet bewijs tegen hen was. Om op deze lijst te komen moet een verdachte een (vermeende) islamitische religieuze binding hebben, ´uit een islamitische staat´ komen, tussen de 18 en 24 jaar oud zijn en niet eerder onder de aandacht van de criminele inlichtingendienst gekomen zijn.[12] Wie is meer verdacht dan een jonge moslim man zonder politierapport?
Ten tweede hebben de inlichtingendiensten in het VK, net als elders in Europa, zich gericht op het in kaart brengen van de gehele moslimgemeenschappen, staatsburgers zowel als niet-staatsburgers. Vanuit informatie die verzameld is door Britse advocaten en de Campagne tegen het Criminaliseren van Gemeenschappen (CAMPACC) kunnen we beginnen met het stukje voor beetje een beeld te scheppen van hoe de inlichtingendiensten werken.[13] Hier lijkt het erop dat steun aan internationale doelen de sleutel is die ervoor zorgt of een moslim al dan niet nauwkeurig onderzocht wordt. Volgens het hoofd Binnenlandse Zaken van de Observer, Martin Bright, zien de politie en de veiligheidsdiensten, door het beschouwen van de islam op zich als de dreiging, niet de diversiteit van de Islamitische beweging. Daardoor gooien ze echte politieke dissidenten en heel veel gewone moslims op een hoop met individuen die de meesten zouden zien als terroristen, waardoor een mogelijk echte dreiging eerder versluierd dan verhelderd wordt.[14] Bovendien zijn de westerse veiligheidsdiensten, gegeven de aanslagen die volgden op 11 september, afhankelijker geworden van inlichtingendiensten in de Arabische en moslimwereld, wat tot nog meer verwarring leidt. Deze diensten staan niet echt bekend om hun politieke onafhankelijkheid of respect voor de mensenrechten; ze functioneren meestal eerder als de repressieve arm van autoritaire regimes die staatsterrorisme praktiseren. Dergelijke diensten zouden heel goed kunnen proberen Europese inlichtingendiensten te gebruiken als een middel om zich te richten op dissidenten van binnenlandse Islamitische bewegingen, hoewel die dissidenten niet dezelfde ideologie delen als al Qaida en toevlucht gezocht hebben in het westen.
In Engeland zijn moslim individuen blijkbaar verdacht als ze in Afghanistan tegen de Russen gevochten hebben (terwijl de VS de mujahedin financieel ondersteunden) of in Bosnië (tegen etnische zuivering). Ze zouden, actief of passief, de strijd tegen de militaire junta in Algerije ondersteund kunnen hebben of de Russische bezettingsmacht in Tsjetsjenië. Als Palestijnse vluchtelingen in verzet tegen Israëlischee staatsterreur, of tegenstanders van de door het westen gesteunde regimes in Marokko, Tunesië, Turkije en Egypte komen ze ook onder nauwkeurig toezicht. Van hieruit gaan de inlichtingendiensten verder met het ‘stigmatiseren van hele gemeenschappen waarbij gemeenschaps-, vriendschaps- en politieke netwerken gestigmatiseerd worden als ‘geassocieerd met terrorisme’.[15] Zelfs het geven van kleine geldbedragen wordt behandeld als bewijs van het financieren van het terrorisme. De beheerders van moskeeën vallen onder de verdenking als ze betrokken geweest zijn bij het bijeenbrengen van geld voor internationale doelen, net als moslim goede doelenorganisaties en NGO’s die betrokken zijn bijvoorbeeld bij humanitaire steun aan Palestijnen in de bezette gebieden, of Tsjetsjenen in de vluchtelingenkampen van Ingusjetië. Onder antiterrorismewetgeving kunnen al deze handelingen uitgelegd worden als ‘passieve’ steun voor terrorisme met als argument dat, hoewel de noodhulp niet direct bestemd was voor terroristische organisaties, een deel ervan in hun handen terecht is kunnen komen. (Vandaar dat Minister van Binnenlandse Zaken Blunkett bij het aankondigen van plannen om de antiterroristische wetten nog verder op te rekken voorgesteld heeft civil orders te gebruiken tegen diegenen die bezig zijn geld in te zamelen of propaganda te bedrijven aan de ‘buitenrand’ van terroristische organisaties.[16]
Voor regeringen en inlichtingendiensten die de moslimgemeenschap zien door de bril van Islamofobie is steun aan al dergelijke internationale doelen bewijs van Islamitische fanatisme. Maar gezien door de bril van de mensenrechten is het hulp bieden aan mensen onder bezetting en die het risico lopen van ernstige aantasting van hun mensenrechten, zelfs genocide, te zien als dezelfde soort van idealisme die de antifascisten ertoe bracht bij de Internationale Brigade te gaan en hun leven op het spel te zetten in de strijd tegen Franco.
EEN VERDACHTE GEMEENSCHAP IN DE GATEN HOUDEN
De reactie van de Europese inlichtingendiensten die niet op hun hoede bleken te zijn bij 11 september was het uitbreiden van hun informatiebronnen. Het opzetten van de Internationale Coalitie tegen het Terrorisme zorgde ervoor zoals al opgemerkt, dat bijkomende inlichtingen afgenomen zouden worden van inlichtingendiensten in het buitenland. Dit zijn echter niet alleen instellingen van staten die hun eigen repressieve agenda’s hebben, maar hun al verdraaide informatie wordt dan ingevoerd in de al bestaande onwetendheid en vooroordelen van de westerse veiligheidsinstellingen. Onmacht om de geschiedenis en socio-economische omstandigheden van de Arabische en breder de islamitische wereld waarin islamitische volksbewegingen zijn opgekomen te begrijpen is een slecht uitgangspunt voor samenwerking met en inschatting van vreemde inlichtingenbronnen. Hoe dit in de praktijk werkt is aangetoond in een studie door Fouzi Slisli, gepubliceerd in 2000. Hij toont gedetailleerd aan hoe de militaire junta in Algiers, die verhinderde dat een democratische gekozen Islamitische FIS-regering in 1992 aan het bewind kwam, een ‘uitgebreid circuit van desinformatie creëerde, dat direct geënt was op westers vooroordeel en haat tegen de islam.’[17] Toen ze weer de macht had begonnen de veiligheidsdiensten de volksbasis van de FIS te terroriseren. Van 1994 tot 1999 verdwenen naar schatting 12.000 mensen na hun arrestatie. Nog eens 17.000 mensen werden naar concentratiekampen in de woestijn gestuurd en naar schatting 120.000 mensen werden vermoord. Maar toch is het vandaag de dag deze zelfde Algerijnse veiligheidsdienst samen met andere van haar soort (en niet alleen in de Arabische wereld) die Europese inlichtingendiensten voorziet van informatie.
Als onze inlichtingendiensten verstrengeld geraakt zijn in dit web, als ze niet kunnen onderscheiden tussen gewone moslims en terroristen, dan is de veiligheidsstaat niet direct de beste hoop van het volk op bescherming tegen aanslagen in de stijl van al Qaida. Het is in zo’n klimaat ook heel goed denkbaar dat antiterroristische politieoperaties uitgaan van antimoslim stereotypen en een cultuur van verdachtmaking.
Er komt door heel Europa inderdaad een patroon op van als straf bedoeld toezicht , in eerste instantie gekenmerkt door grootschalige politie-operaties in moslimgemeenschappen gebaseerd op desinformatie van de inlichtingendiensten. Zo werden bijvoorbeeld in januari 2003, zestien Noord-Afrikanen gearresteerd in gecoördineerde invallen door geheel Catalonië, er door de Spaanse autoriteiten van beschuldigd deel te zijn van een cel die informatie en steun verschafte aan andere islamitische terreurgroepen en van samenzwering tot het produceren van het vergif ricin. Gedurende de politie-inval werd een van de beschuldigden die in zijn bed lag te slapen wakker doordat zijn deur opengetrapt werd. Terwijl hij eerst dacht dat er brand was en dat de mannen die zijn kamer binnenstormden brandweerlieden waren, werd Smail Boudjelthia met zijn hoofd op de grond gedwongen door gewapende politiemensen die hem onder andere vroegen hoe vaak hij naar de moskee ging. Drie moslim organisaties gaven een gezamenlijke verklaring uit waarin ze uitdrukking gaven aan hun afgrijzen met betrekking tot de ‘lukrake’ aard van de invallen. Ze klaagden over ‘onnodig geweld’, waarbij de politie ‘inbrak in huizen waarin kinderen en zwangere vrouwen lagen te slapen.’ Politieacties zoals deze zeiden ze, veegden jaren van samenwerking met de lokale overheid en vrijwilligersorganisaties ‘ter bevordering van wederzijds respect, harmonie en integratie’ weg. De verklaring waarschuwde voor het ‘gevaar van het gelijkstellen van de islam of religie met terrorisme, of, wat hetzelfde is, het beschouwen van een immigrant en een terrorist als hetzelfde.’ De organisaties veroordeelden het terrorisme – iedereen die verantwoordelijk was zou gestraft moeten worden – maar, ‘je kunt niet generaliseren en een heel volk de schuld geven van terrorisme, op dezelfde manier dat je niet kunt zeggen dat elke Bask een terrorist is omdat we weten dat de ETA ook moordt.’[18]
In januari 2003 gaf de Centrale Raad van Moslims in Baden-Wurttemberg en tien andere moslimorganisaties een verklaring uit waarin ze de willekeurige en onverantwoordelijke aard van politie-invallen die tegelijkertijd uitgevoerd waren op gebedshuizen en kantoren van moslimorganisaties in Stuttgart, Mannheim en Freiburg bekritiseerden. De invallen op moskeeën (13 december 2002), waarbij een totaal van 617 moskeegangers gecontroleerd en gedurende meerdere uren werden vastgehouden zorgden ervoor dat moslims het gevoel kregen dat ze behandeld werden als criminelen en alsof ze betrokken waren in een of andere oorlog. Er is verklaard dat bij de inval op een moskee in Stuttgart-Canstatt, een 77 jaar oude gevangene in handboeien werd weggevoerd omdat hij zijn identiteitskaart niet bij zich had. In Mannheim drongen 600 politieagenten met getrokken wapenstok de moskee van de Islamitische Arbeiders Organisatie binnen. De politie rechtvaardigde de operatie met het argument van het gevaar van het islamitische terrorisme en op basis van de verdenking dat valse paspoorten werden gefabriceerd en verspreid op ‘bepaalde islamitische ontmoetingsplekken’ om hulp te verschaffen aan ‘een netwerk van islamitische extremisten’. Al bij al leidden de invallen tot acht arrestaties, waarvan de meeste te maken hadden met overtredingen van de vreemdelingenwet.[19] Voor de moslimorganisaties hadden de invallen het vertrouwen af gebroken, evenals alle mogelijkheden voor toekomstige samenwerking. Het leek erop alsof de politie en inlichtingendiensten door het van zich vervreemden van potentiële bondgenoten bij het vergroten van de veiligheid van iedereen, in één klap elke potentiële echte dreiging verergerde en onduidelijker maakte.
Het effect van tactloze politie-invallen in moslimontmoetingsplekken en woningen is ook een eerste zorg van de moslimgemeenschap in het VK. Volgens het Moslim Veiligheids Forum, opgezet in de nasleep van 11 september voor het contact met de Metropolitan politie, voelen Britse moslims zich gediscrimineerd en geslachtofferd en verliezen ze het vertrouwen in de politie. Er is een specifieke bezorgdheid met betrekking tot de uitbreiding van aanhoudings- en doorzoekingbevoegdheden. Volgens Statewatch werden in het jaar 2002-3 meer dan 71.000 aanhoudingen en doorzoekingen uitgevoerd als onderdeel van antiterroristische operaties. Maar slechts 1,18 procent van de gevallen werden arrestaties verricht, waarvan de overgrote meerderheid niet te maken had met terrorisme.[20]
Hoe kan van moslimorganisaties, die zich schaarden achter stevige maatregelen na 11 september, verwacht worden dat ze berusten in dergelijke methoden van toezicht houden? Men hoeft alleen maar naar Noord-Ierland te kijken om te zien waartoe politieoperaties in militaire stijl leiden. Op grond van de Wet op de Noodmaatregelen van 1978 en de Wet op de voorkoming van Terrorisme van 1974 werden een geschat aantal van 60.000 mensen, waarvan de overweldigende meerderheid onschuldig was, naar politiebureaus gebracht voor verhoor.[21] Een brede vervreemding van de katholieke gemeenschap van het toezichtproces was het gevolg. Of neem Frankrijk waar een serie bomaanslagen in de metro van Parijs in de jaren negentig van de vorige eeuw leidde tot het uitvaardigen van het antiterroristische Vigipirate programma. Onder dit programma werden gendarmes en oproerpolitie ingezet om scholen, transportknooppunten, regeringsgebouwen en toeristische centra in Franse steden te bewaken. In de laatste jaren zijn deze veiligheidsmaatregelen verscherpt in de ‘islamitische voorsteden’, waardoor in feite Franse woonwijken gemilitariseerd worden. (De laatste binnenlandse veiligheidswet heeft een vonnis van twee jaar geïntroduceerd voor het nieuwe misdrijf van het rondhangen in trappenhuizen of in andere gemeenschappelijke delen van torenflats.) Maar deze massieve uitbreiding van de antiterrorisme bevoegdheden van de politie wordt niet gevolgd door controles op en waarborgen tegen politiegedrag. Tussen 1992 en 1998 zijn tenminste zeventien jonge Noord-Afrikanen gestorven in politiedetentie, maar er is geen politieman die ooit succesvol beschuldigd is van doodslag, laat staan moord.[22]
Tegelijkertijd zorgt het Franse ideaal van de ‘ondeelbare Republiek’, wat betekent dat elke burger alleen gezien wordt als Frans en dat het bestaan van etnische minderheden niet officieel erkend wordt, ervoor dat de inwerking van Vigipirate op de moslimgemeenschap nooit onderzocht wordt. De woede die jonge mensen voelen door de onrechtvaardigheden waaronder zij leiden tiert verder. Sporadische oproeren worden de kop ingedrukt door de politie die steeds meer bevoegdheden krijgt; de moslim jeugd wordt ingevangen in een cyclus van discriminatie en criminalisering die niet alleen op zich een onrechtvaardigheid is maar die a) er ook voor zorgt dat wat voor dreiging dan ook groter wordt in plaats van afneemt en die b) al breed verbreide gevoelens van onveiligheid onder de bevolking als geheel versterkt.
MISDADEN ‘DOOR MEDEWERKING’
Het is verbazingwekkend dat over de gehele wereld maar één persoon, Mounir al Motassadeq, ooit veroordeeld is in relatie met de aanslagen van 11 september. Maar zelfs die veroordeling, in een Duits gerechtshof in 2003, wordt nu als onzeker beschouwd. In maart 2004 verordonneerde Klaus Tolksdorf, de voorzittende rechter van het Federale Criminele Gerechtshof het heropenen van de zaak tegen Mounir al Motassadeq; de rechter bekritiseerde de autoriteiten van de VS voor het weigeren een belangrijke al Qaida gevangene te laten getuigen, die cruciaal zou kunnen zijn voor het vaststellen van de schuld of onschuld van de beklaagde. We hebben hier geen ruimte om deze controversiële zaak in detail te behandelen. Wat echter van doorslaggevend belang is, is dat Mounir al Motassadeq’s eerdere veroordeling niet blijkt te rusten op enig substantieel inhoudelijk bewijs maar op het feit dat hij bevriend was met de Hamburgse kapers van 11 september.
Al Motassadeq’s tweede rechtszaak kwam na het eerdere mislukken van een tweede zaak voortkomend uit 11 september waarbij de Marokkaan Abdelghani Mzoudi betrokken was, een vriend van al Motassadeq. De rechter bepaalde dat er niet genoeg bewijs was voor een rechtszaak tegen Mzoudi.
Mzoudi’s advocaten hadden aangevoerd dat het enige bewijs tegen hem was dat hij in Afghanistan gevochten had, dat hij een vriend van de kapers was en dat hij hen geholpen had. Maar die hulp was van het soort dat normaal is bij moslims onderling en geen bewijs dat Mzoudi deel uitmaakte van een terroristische samenzwering.
Deze twee zaken tonen een bredere trend aan, waarin arrestaties en vervolgingen niet gebaseerd zijn op inhoudelijk bewijs, maar op ‘misdaden door medewerking’ - dat wil zeggen, samenwerken met terroristen of personen die met terroristen samenwerken. (Het is nog niet uitgemaakt hoever een dergelijke terugkoppeling doorgevoerd kan worden.) De zaak die aangespannen werd tegen Smail Boudjelthia) kwam blijkbaar ook voort uit de aanname van schuld door samenwerking. De Franse inlichtingendiensten verzochten de Spaanse oorspronkelijk om in actie te komen op basis van het feit dat een van terrorisme verdachte die in verband gebracht werd met de samenzwering om een bom op de Kerstmarkt van Straatsburg tot ontploffing te brengen in Boudjelthia’s appartement had verbleven. Maar, zoals Boudjelthia na zijn vrijlating opmerkte: ‘Veel Algerijnen die door Banyoles komen verblijven hier. Ik zou je niet kunnen zeggen wie het allemaal zijn. Zelfs het plaatselijke Rode Kruis brengt Algerijnen bij ons wanneer ze in de stad komen en hulp vragen.’[23] Ook in Spanje, werd een arrestatiebevel uitgevaardigd tegen de al Jazeera oorlogscorrespondent Tayssir Alouni ([24]) die beschuldigd werd van lidmaatschap van al Qaida, het financieren van een cel van al Qaida en het dienst doen als koerier voor al Qaida. Dit leek ook gebaseerd te zijn op schuld door samenwerking. Alouni had geld (ongeveer $ 4000,--) meegenomen naar Afghanistan voor een huwelijk en voor de familieleden van Syrische bannelingen die hoopten hun familie thuis te helpen. Alouni’s argument is dat hij het geld vervoerde en zijn huis openstelde voor mensen die nu onderzocht worden, vanuit Arabische gastvrijheid; andere contacten met vermeende terroristen in Afghanistan vonden plaats als gevolg van zijn journalistieke poging in contact te komen met al Qaida en de Taliban. Al Jazeera’s managers hebben de Spaanse premier geschreven en de beschuldigingen tegen Alouni als ‘op de rand van het absurde’ genoemd. De International Federation of Journalists beschreven de arrestatie als ‘de voortzetting van een in samenwerking beraamde campagne tegen de Arabische media in het algemeen en al Jazeera in het bijzonder.[25] Als gevolg van de internationale verontwaardiging werd Alouni, die hartproblemen heeft, op borgtocht losgelaten uit de topbeveiligde gevangenis. Het vastgestelde bedrag van de borg (€ 6000,--) is niet bepaald het bedrag dat men als voldoende zou beschouwen voor een van Spanje’s meest gezochte terreurverdachten!
Onder de vele gevallen die te talrijk zijn om hier genoemd te worden valt die van Ibrahim Buisir in het oog. Opvallend genoeg is Buisir Iers staatsburger en directeur van de Ierse tak van het Islamic Relief Agency. Hij werd als gevolg van een tip van de VS inlichtingendiensten gearresteerd in Dublin in september 2001, samen met drie andere mannen. Na hun arrestatie werden de mannen belasterd in het Parlement en veroordeeld in de media.; een artikel in de Irish Telegraph had als kop ‘Ierse basis van al Qaida-netwerk ‘gevonden boven begrafenisonderneming.’[26] Echter, na 48 uur werden de mannen zonder beschuldiging
vrijgelaten. De Islamic Relief Agency is een liefdadige organisatie die geld inzamelt voor noodhulp in Tsjetsjenië, Bosnië, Kosovo, de Palestijnse gebieden en Afghanistan. Het lijkt erop dat Bousir gearresteerd werd omdat hij zou hebben samengewerkt met Hamid Aich, een Algerijnse ingenieur waarvan men aanneemt dat hij betrokken was bij een verhinderd complot om het vliegveld van Los Angeles aan te vallen gedurende de millenniumfestiviteiten. Maar bij zijn vrijlating vertelde Buisir de pers dat hij Hamid Aich alleen kende omdat ze baden ‘in dezelfde moskee. Hij was geen vriend of iemand die ik goed kende.’ De moskee die Buisir bezoekt is daarna aangevallen door dronkelappen die geprobeerd hebben haar in brand te steken en de huismeester in elkaar te slaan.
Gebedshuisgangers klagen dat ze ‘tot zondebokken gemaakt worden omdat ze moslim zijn.’ Ik voel me kwaad en gekwetst en ben bang voor mijn vrouw en kinderen’, zei Buisir, ‘elke gek zou me neer kunnen schieten omdat mijn naam genoemd is in verband met Bin Laden…….Vele moslims zijn nu bang. We hebben te maken met druk vanuit de veiligheidsdiensten en we staan tegenover de dreiging van het racisme.’[27]
VOOR HET GERECHT IN DE MEDIA
In al deze gevallen is het vooroordeel van de inlichtingendiensten, de politie en de media gecombineerd met de huidige politieke agenda om een cultuur van verdachtmaking tegen moslims te creëren. De inlichtingendiensten en de politie zijn vaak de enige informatiebronnen van de media die hen voeren om alarmerende en vervormde beelden van spectaculaire dreigingen in elkaar zetten. Redevoeringen worden in het parlement gehouden om de beschuldigden te demoniseren, en politie en inlichtingendiensten worden geprezen voor het verijdelen van vernietigende complotten en het in stand houden van de ‘nationale veiligheid.’ De massamedia worden plaatsvervanger van het gerecht en daardoor wordt de pers niet alleen de arena waar de verdachte berecht wordt, maar ook rechter en jury. De zaak van de aanklager wordt helder verwoord door anonieme ‘veiligheids’bronnen, terwijl de verdediging geen stem krijgt. Er is, zoals is opgemerkt door advocaat voor de mensenrechten Gareth Peirce uit het VK, ‘een vloedgolf van minachtende verslaggeving, waardoor de hoop op een eerlijk proces in gevaar gebracht wordt.’[28] In het huidige bestraffende klimaat moet de mediarazernij de rol vervullen van een passend proces – aangezien sommige van de ‘zaken’ die begonnen worden zo zwak zijn, dat ze niet eens voor het gerecht komen.
Neem bijvoorbeeld de zaak van de 28 verarmde Pakistaanse straatverkopers die zijn gearresteerd in Napels in januari 2003, terwijl premier Berlusconi in Washington was om steun te betuigen aan een door de VS geleide oorlog om Irak te ontwapenen. Deze 28 mannen, waarvan vele geen verblijfspapieren hadden en die een bestaan bij elkaar schraapten in de straten van Napels, werden gearresteerd op verdenking van ‘vereniging met het doel internationaal terreur te begaan, bezit van illegaal explosief materiaal, vervalsing van papieren en zwarthandel.’ De pers berichtte meteen dat een ‘terroristische al Qaida cel’ onthuld was, daarbij een anonieme bron bij de politie citerend, die beweerde dat een samenzwering met als doel het vermoorden van de Britse chef-staf admiraal Sir Michael Boyce verijdeld was, evenals samenzweringen om het consulaat van de VS in Napels en nabijgelegen toeristische plekken van Pompeii tot Capri aan te vallen. De combinatie van in beslaggenomen dynamiet, explosieve zekeringen en ontstekers ´konden´, aldus de politiebeambte, ´een gebouw van tien verdiepingen hebben opgeblazen.´ Hij voegde er dreigend aan toe dat religieuze teksten in het Urdu alsmede andere documenten waren gevonden in het appartement van de mannen, evenals foto´s van ´martelaren van de Jihad.´[29]
De Pakistaanse gemeenschap in Napels en de Pakistaanse ambassade in Rome waren geschokt door de manier waarop de mannen werden uitgemaakt voor terroristen. Vrienden vertelden de pers dat de straatverkopers in afschuwelijke omstandigheden hadden gewoond in een kamer in een gebouw dat gehuurd werd van de plaatselijke maffia; één van de substanties die in beslag genomen waren was een soort suiker dat uit Pakistan gestuurd was; de fanatieke teksten die aangehaald werden door de politie waren niets anders dan gelamineerde bidkaarten uit de Koran. Twee weken na de arrestatie van de mannen sprak een rechter uit dat ze alle 28 moesten worden vrijgelaten. Er was geen bewijs dat de aangeklaagden verbonden waren met al Qaida en ze waren niet op de hoogte geweest van de explosieven in de flat (waarschijnlijk daar neergezet door de maffia-eigenaren van het gebouw.)
Tot nu toe zijn bij de meeste – maar niet alle – zaken die ik besproken heb migranten en ballingen betrokken, de eb en vloed van een wereldbreed tij dat de weinigen verrijkt, de velen verarmt en dat de strijd om het blote bestaan criminaliseert. Op de stranden van Europa geworpen zijn ze kwetsbaar zowel voor de ontzagwekkende macht van de Europese staat als voor de repressieve reikwijdte van hun landen van oorsprong; ze zijn kwetsbaar vanwege hun marginaliteit, hun verstoken zijn van rechten, hun armoede. Zij zijn een gemakkelijk doelwit. Maar elke zichzelf respecterende bedreiging van de nationale veiligheid vereist niet alleen de vijand aan de poorten, maar ook de binnenlandse vijand. Gelukkig voor de staat zijn de vijand van buiten en de binnenlandse vijand verbonden door een geloof dat de nadruk legt op gemeenschappelijkheid. Zoals sommige van de zaken die hierboven besproken zijn aantonen, is dit al onder de aandacht gebracht door een xeno-racisme dat Tayssir Alouni’s gastvrijheid beschouwt als bewijs van criminaliteit, of Smail Boudjelthia’s open huis als bewijs voor samenzwering.
Maar dan nog betekent de binnenlandse vijand een verontrustend probleem. Terwijl de ‘dreiging’ die gevormd wordt door buitenlandse inwoners aangepakt kan worden met stevige controle en elke combinatie van repressiemaatregelen (wie, afgezien van een paar luchtfietsende burgerlijke vrijhedenadvocaten zal er ook maar iets om geven?), is de vraag hoe de staat verdachten in de gaten en in bedwang moet houden wanneer die van hun religie moslim zijn, maar wel Europees door geboorte of naturalisatie? Terwijl ‘vijandelijke buitenlanders’ weinig wettelijke rechten hebben en aangepakt kunnen worden door middel van een schaduw crimineel-rechtssysteem worden ‘vijandelijke staatsburgers’ beschermd door geschreven (of ongeschreven) grondwetten, wettelijke gebruiken en het Europese Verdrag over de Rechten van de Mens. En de rechterlijke macht is, zoals de Minister van Binnenlandse Zaken van het VK tot zijn nadeel ondervond toen hij voorstelde om de antiterroristische wetgeving uit te breiden naar Britse staatsburgers, niet genegen deze fundamentele uitbreiding van de veiligheidsstaat te accepteren.[30]
Toch drukt de staat in geheel Europa door. Want tezelfdertijd dat elke staat de angst overdrijft om haar buitenlandse avonturen te legitimeren, is ze ook bang. De inlichtingendiensten zijn bang omdat bomaanslagen die plaatsvinden op het Europese continent een falen van de inlichten laten zien (zoals zo duidelijk in de nasleep van Madrid). Politici zijn bang dat de politieke islam wortel schiet in sociaal achtergebleven ‘immigranten’gemeenschappen. België heeft al gedreigd de Arabische Europese Liga te verbieden die op de voorgrond kwam in 2003 na de racistische moord (nooit officieel als zodanig erkend) op een islamitische religieuze leraar van Marokkaanse oorsprong. Het is bang dat de Liga met haar zelfverdedigingpatrouilles en Black Power retorica een teken is van de opkomst van een Belgische versie van de Afro-Amerikaanse Islam. Deense kranten waarschuwen voor de ‘tijdbom’ die gevormd wordt door Kopenhaagse buurten die in overgrote mate bevolkt worden door ‘immigranten.’[31] Frankrijk is bang dat de islamitische subculturen die beoefend worden in ‘kelders en garages’(de woorden zijn van de Franse Minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy) uitzinnige woede, ziektebeelden en disfuncties met zich mee zullen brengen.[32] Het VK is bang dat de schoenenbommenlegger Richard Reid en de twee Brits-Aziatische zelfmoordbommenleggers die gerekruteerd werden door Hamas een teken zijn van een bredere trend. Regeringen en veiligheidsdiensten vrezen de moskee waar wereldwijde onrechtvaardigheden tegenover moslims besproken worden; ze vrezen de invloed die ‘buitenlandse imams’, met antiwesterse agenda zouden kunnen hebben op de vervreemde jeugd; ze vrezen alles en iedereen in verband te brengen met de islam.
Maar ze zitten zo gevangen in hun eigen politieke machinaties dat ze niet in staat zijn deze angsten rationeel in te schatten. Als ze dat zouden doen zou het betekenen dat ze economische en politieke oplossingen zouden aannemen die binnenlandse problemen niet vermengen met de oorlog tegen de terreur. Het zou de erkenning betekenen van het feit dat de vervreemding van ‘de tweede- en derdegeneratie ‘immigranten’jeugd wijd verbreid was lang voordat radicale islamitische bewegingen als al Qaida opkwamen. Een rationele benadering zou de sociaal-economische buitensluiting van moslim arbeidersgemeenschappen van de maatschappij als geheel aanpakken, en het toekennen van fundamentele staatsburgerrechten die zo lang onthouden zijn in vele Europese staten, met name aan de jeugd. Een rationele aanpak in de bakermat van de Verlichting zou ingaan op grieven van jonge mensen door onderzoeken uit te voeren naar de hoge sterfcijfers van jonge Noord-Afrikaanse mensen in politiehechtenis; en in Frankrijk, net zo in België. Maar omdat regeringen elk vermogen verloren lijken te hebben hun angsten rationeel te evalueren, krijgt de angst de vorm van paranoia waarin elk teken van cultureel verschil – zoals bijvoorbeeld het dragen van de hoofddoek gezien wordt als een ‘soort van agressie’ (de woorden zijn van de Franse president Chirac), en een symbool van antiwesters gevoel.[33]
NATIONALE IDENTITEIT EN DE STAP NAAR MONOCULTURALISME
Via het debat over de nationale identiteit dat plaatsvindt in heel Europa probeert de staat het beleid met betrekking tot de ‘rassenrelaties’ weg te leiden van het multiculturalisme naar het monoculturalisme en de culturele homogenisering. In elk land is het nationale identiteitsdebat samengevallen met een patroon van gebeurtenissen en thema´s die specifiek zijn voor dat land; nieuwe beleidsrichtingen zijn geënt op de manieren van aanpak die traditioneel gebruikt werden ten opzichte van minderheidsgemeenschappen. Elke natie beweegt in de richting van het assimilationistische model op een manier die strookt met de mythes waarop die natie gebouwd is. In Nederland is het thema van het nationale debat ´normen en waarden´; in Zweden en Noorwegen culturele barrières tegen acceptatie als deel van de natie; in het VK ´gemeenschapssamenhang´; in Frankrijk het principe van laïcité (staatssecularisme); in Duitsland het primaat van de ´Leikultur´ (leidende kultuur); in Denemarken de ´intolerante cultuur´ bij immigranten die integratie in de weg staat; in Spanje openbare veiligheid en misdaad. Maar hoewel de termen waarmee het debat gevoerd wordt verschillen wordt het altijd teruggevoerd op immigrantengemeenschappen en culturen en de bedreiging die multicultureel beleid vormt voor kernwaarden, culturele homogeniteit en sociale samenhang.
Eén blijvend element in alle debatten is de stilzwijgende aanname dat alle moslims verantwoordelijk zijn voor de reactionaire culturele praktijken en gewoonten die er op nagehouden worden door enkelen. Dit weerspiegelt het patroon dat gevormd is in antiterroristische vervolgingen gebaseerd op schuld door medewerking van de aangeklaagde. De gezichtspunten van een paar opruiende antiwesterse imams worden voorgesteld als symptomatisch voor de gehele islamitische gemeenschap. ‘Moorden uit eerwraak’, genitale verminking van Afrikaanse meisjes, Noord-Afrikaanse jongeren die bendeverkrachtingen uitvoeren zijn, zo lijkt het, allemaal een deel van één islamitische cultureel continuüm. Meisjes die een hoofddoekje dragen worden gezien als onderdeel van de patriarchale islam. Moeders die de taal niet spreken brengen kinderen groot die geen onderwijs kunnen genieten en die opgroeien tot criminelen die weigeren geïntegreerd te worden. Het debat is er altijd een van ‘wij’ en ‘zij’. De woordkeuze vernedert en stigmatiseert. Zelden wordt de ‘ander’ gehoord, behalve om onze vooroordelen te bevestigen.
De veiligheidsstaat vereist een cultureel beleid tegenover minderheden dat gebaseerd is op culturele homogenisering en gedwongen assimilatie. Het verafschuwt pluralisme en is bang voor verscheidenheid. De veiligheidsstaat houdt de dood van het multiculturalisme in.
Het stereotyperen van alle aspecten van de moslimcultuur als ‘achterlijk’ schept een klimaat waarin politici en de media het multiculturalisme aan kunnen vallen als de dekmantel waarachter reactionaire culturele praktijken bloeien; volgens hen is het het liberalisme dat doordat het verschillende culturen behandelt als zijnde van gelijke waarde, het fundamentalisme bekrachtigt. Beleidsmakers van de regering hebben vóóraan gestaan bij dit debat. In het VK wordt ons verteld dat criminele praktijken zoals gedwongen huwelijken en genitale verminking door konden gaan door een te grote nadruk op ‘culturele verschillen’ en ‘moreel relativisme’(Blunkett).[34] In Frankrijk heeft het ‘communitarisme’ dat rekening houdt met de culturele behoeften van minderheidsgemeenschappen, geleid tot ‘schuldmentaliteit die ons land ertoe geleid heeft haar eigen waarden en geschiedenis te betwijfelen’(Filon, minister van Sociale Zaken).[35] In Nederland, dat de natie ‘geen optelling van verschillende culturen is’(Balkenende, premier van Nederland)[36]; in Spanje, dat ‘multiculturalisme precies datgene is wat de maatschappij verdeelt’ (ex-premier Aznar).[37]
In bijna elk geval is het debat over ‘verscheidenheid’ opengetrokken door één specifiek voorval of een combinatie van voorvallen, en intensief opgepikt door de media en het parlement. In verschillende landen, zoals Frankrijk, Nederland, Zweden en het VK zijn er parlementaire of quasi-parlementaire onderzoeken geweest naar de fouten van eerder integratiebeleid. Terwijl de stedelijke oproeren in Noord-Engeland in 2001 volgden op hard politieoptreden tegen Aziatische gemeenschappen, vooral de jeugd, en op de economische instorting van die gebieden en het onuitgesproken, maar in feite uitoefenen door de lokale autoriteiten van de facto segregatie, werden de latere beraadslagingen van de regering over deze gebeurtenissen en de conclusies waartoe men kwam, onderstreept door de angsten en stereotypen voortgebracht door 11 september. De Community Cohesion Task Force (Speciale Groep voor de Gemeenschapssamenhang) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (opgezet vóór 11 september) had al als opdracht gekregen het opstarten van een nationaal debat rond de behoefte aan een nieuw raamwerk van kernwaarden, gebaseerd op het invoeren van een gevoel van burgerlijke verantwoordelijkheid in gemeenschappen waarvan aangenomen werd dat ze dergelijke waarden ontbeerden. 11 September bezegelde het lot van dat debat. In Zweden was de stoot tot het herzien van de integratiemaatregelen de tragische moord door een lid van haar eigen familie, op Fadime Sahindal, een Zweeds-Koerdische vrouw die campagne had gevoerd tegen extreem patriarchale waarden in de Koerdische gemeenschap. Hoewel het mediadebat alternatieve migrantenstemmen toestond door te komen en verklaringen te leveren die niet alleen ingebed waren in ‘culturele’ termen focuste de parlementaire commissie die opgezet was voor het onderzoeken van integratie alleen op cultuur als een barrière voor die integratie.
In Nederland was het niet een verondersteld cultureel tekort dat het nationale debat over ‘normen en waarden’ opentrok maar de moord op de populistische anti-immigratieleider Pim Fortuyn en de erop volgende stormachtige opkomst van zijn partij, de Lijst Pim Fortuyn. Niettemin was het einde van het liedje het cultureel tekort. Premier Balkenende gaf de aftrap voor het debat toen hij aankondigde dat het zou focussen op twee thema’s: jonge mensen die de tolerante hoofdstroomcultuur misbruiken en mensen van andere culturele achtergronden die niet open staan voor de Nederlandse cultuur en er niet in slagen de taal te leren. In het proces werd een parlementaire commissie die ingesteld was om dertig jaar van officieel integratiebeleid te onderzoeken slachtoffer van het debat. De onpartijdigheid van het Hilda Verwey-Jonker Instituut dat in het verleden de regering had geadviseerd over multiculturele gedragslijnen werd ondervraagd en nog voor de inkt van het rapport van de commissie droog was, was er dwars door alle partijen kritiek op de conclusies. Het leek erop dat het misdrijf van de commissie was dat ze suggereerde dat integratie een proces is dat van twee kanten moet komen. De meeste immigranten, betoogde zij, waren er in het verleden in geslaagd in Nederland te integreren, ‘ondanks’ eerder dan ‘dankzij’ het regeringsbeleid. Dit was helemaal te veel voor de regingscoalitiepartijen die het rapport veroordeelden als ‘verkeerd’ en ‘zwak’. Een parlementair rapport gesteund door alle partijen dat in januari 2004 verscheen concludeerde dat de poging een multi-etnische samenleving te creëren een armzalige mislukking geworden was; enorme etnische getto’s en subculturen scheurden het land uit elkaar en het risico van polarisatie kon alleen tegen gegaan worden doordat moslims daadwerkelijk ‘Nederlands zouden worden.’[38]
Gegeven de zeer uitgebreide hoeveelheid die geschreven is over de wet van de Franse regering ‘Wet betreffende de toepassing van het beginsel van het secularisme in scholen, voorbereidend middelbaar onderwijs en middelbaar onderwijs’, lijkt het vanzelfsprekend dat de stoot voor het debat over nationale identiteit in Frankrijk het groeiende aantal jonge moslimmeisjes die een hoofddoek droegen zou zijn.[39] Maar, volgens cijfers van het Ministerie van Onderwijs en het Bureau voor de Statistiek, waren er in 2003 slechts 1200 gerapporteerde gevallen van meisjes die de hoofddoek op school droegen.[40] Het nationale identiteitsdebat werd eerder losgetrokken toen de eerste voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Algerije sinds de onafhankelijkheid vervroegd gestaakt werd nadat grote aantallen van in Frankrijk geboren Arabische jeugd, die Algerije zagen verliezen, de grasmat opgingen onder het schreeuwen van ‘Bin Laden! Bin Laden!’. Het voorval schokte de Franse gevoelens en werd voorgesteld als bewijs van islamitisch fundamentalisme, leidend tot hysterische waarschuwingen over een intifada die sluimerde in het hart van Frankrijk, een islamitische vijfde colonne, de ‘niet-assimilatibiliteit’ van bepaalde immigranten en een ‘rassenprobleem’ op zijn Amerikaans. Pers en parlement begonnen te bespreken of Franse woonprojecten (cites) die al het doelwit van Vigipirate waren, knooppunten geworden waren in een wereldwijd jihadnetwerk dat zich uitstrekte van Algerije tot Tsjetsjenië tot Afghanistan.[41] Twee commissies werden ingesteld, waarvan de belangrijkste de Stasi-commissie was (een meerpartijen groep van parlementariërs geleid door de vroegere minister Bernard Stasi). Beide kregen de opdracht de toestand van de laïcité te evalueren. De Stasi Commissie uitte meteen twijfels over de officiële cijfers over degenen die een hoofddoek droegen en beweerde dat het aantal veel groter was. Het kruidde haar rapport met de beweringen dat de meisjes gemanipuleerd werden door ‘politiek-religieuze activisten’, ‘extremistische politiek-religieuze tendensen’, ‘georganiseerde groepen die de weerbaarheid van de Republiek uittesten’, ‘gemeenschaps politiek-religieuze groepen, zonder enige aanwijzing te geven voor de werkelijke identiteit van deze schaduwgroeperingen.[42] Van 150 mensen die opgeroepen waren om te getuigen was er maar een moslimvrouw die de hoofddoek droeg. Saida Kada vertelde de commissie dat het verbod de vlammen van het extremisme zou doen oplaaien en niets zou doen om de vervreemding en discriminatie die ervaren werden door moslims weg te nemen.
HET EINDE VAN HET MULTICULTURALISME
De veiligheidsstaat vereist een cultureel beleid tegenover minderheden dat gebaseerd is op culturele homogenisering en gedwongen assimilatie. Het verafschuwt pluralisme en is bang voor verscheidenheid. De veiligheidsstaat houdt de dood van het multiculturalisme in.
DE RELIGIEUZE CODE
Europese staten zitten nu in het proces van het opbouwen van legale en ambtelijke structuren die het de staat mogelijk maken gedetailleerde informatie over moslims te verzamelen niet omdat ze terroristische zijn, maar vanwege hun religieuze banden. Het benoemen van moslims als een aparte gemeenschap is een verdere stap naar xeno-racisme; is het ook de eerste stap naar het criminaliseren van een heel geloof? Zoals al eerder is genoemd, is een systeem van religieuze beschrijving wijdverbreid in Duitsland. Maar een ander beklemmend voorbeeld van ambtelijk xeno-racisme wordt geleverd door het Nederlandse parlement dat, vlak na de gebeurtenissen van 11 september, een nationaal onderzoek begon naar het geloof en de activiteiten van haar 800.000 personen grote moslimbevolking. Dit probeerde onder andere te becijferen hoeveel moslims legitiem ingedeeld konden worden als fundamentalisten.
Een ongeschreven code komt op om de activiteiten van moskeeën te regelen. De toegang van buitenlandse geestelijken naar Europa wordt beperkt. Diegenen die binnen mogen komen ondergaan een trainingscursus gericht op Europese waarden. De snelle deportatie van buitenlandse geestelijken die een bedreiging vormen voor de openbare veiligheid, algemene wetten, gezondheid, openbare normen of andere rechten moet worden verzekerd. In het VK moeten de beheerders van moskeeën en hun activiteiten scherper worden geregeld, vooral door middel van liefdadigheidswetten. Beheerders moeten de moskeeën ook openstellen voor inbreukmakende inlichtingenverzamelingspraktijken door de veiligheidsdiensten. Moslimorganisaties in het VK klaagden in augustus 2003 over bezoeken van de veiligheidsdiensten aan 100 moskeeën en islamitische organisaties in het hele land waarin imams werden ondervraagd naar hun houding ten opzichte van al Qaida en de Taliban.[43] De Italiaanse Minister van Binnenlandse Zaken, Giuseppe Pisanu vertelde de pers dat van nu af aan moskeeën onder scherpe surveillance gehouden moesten worden voor ‘degenen die een Heilige Oorlog voeren en agenten van vreemde belangen.’[44] Voorstellen die nu bekeken worden stellen dat het bouwen en financieren van elke nieuwe moskee onderhevig is aan een referendum – aangezien de moskee ‘een symbool is van een beschaving………...tegengesteld aan de westerse cultuur.’[45] In minder overspannen woorden, kondigde de Deense Minister van Binnenlandse Zaken Bertel Haarder aan dat de vrijdagse gebedsoefeningen bekeken zouden worden om ervoor te zorgen dat imams geen antidemocratische waarden en houdingen propageren.[46]
Tevergeefs hebben moslim organisaties er bij regeringen voor gepleit de invloed van de ‘politiek islam’ in de moslimgemeenschap niet te overdrijven of alle moslim religieuze leiders te stigmatiseren vanwege de antidemocratische houdingen van enkelen. Ze geloven dat geestelijken die een virulente haat prediken een gevaar vormen voor de moslimgemeenschap, op dezelfde manier als de British National Party en neo-Nazi skinheads een bedreiging vormen voor de witte arbeidersklasse. Regeringen zouden de werkelijke problemen die gevormd worden door buitenlandse geestelijken die zich verzetten tegen de wettige orde door middel van een dialoog met de moslimgemeenschap. Ze hebben daarentegen gekozen voor een volkomen ideologische confrontatie, daarbij vaak de megafoon van de veel verbreide pers gebruikend. Ze hebben de voorwaarden van het veiligheidsdebat verlegd van de noodzaak om actie te ondernemen tegen de ‘kwaadaardige imams’ naar meer veralgemeende beschuldigingen tegen islamitische gebedsplaatsen – een zaak van ’hard tegen moskeeën, hard tegen de bestaansgronden van moskeeën.’ Ze zijn inderdaad verder gegaan, hebben het veiligheidsdebat gebruikt om te suggereren dat de islam gezuiverd moet worden van ‘buitenlandse invloeden.’ Dit is het duidelijkst uitgedrukt door de Ministers van Binnenlandse Zaken van Frankrijk (‘we willen de islam in Frankrijk ontdoen van buitenlandse invloeden’) en Italië (‘we stellen ons een Italiaanse Islam voor, dat wil zeggen een die geïntegreerd is in de realiteit van ons land, die zich houdt aan de wetten en die Italiaans spreekt’).[47]
Het ontwerp van de moskee zelf komt zelfs ter discussie te staan. Plaatselijke populistische campagnes, vaak aangevoerd door extreem Rechts – tegen het bouwen van nieuwe moskeeën (per slot van rekening toch de plek van het terrorisme) zijn gelegitimeerd door een aantal plaatselijke autoriteiten die eisen dat het ontwerp van moskeeën minder islamitisch, minder ‘opzichtig’ en meer geïntegreerd wordt in Europese architectuurpraktijken. Er wordt bijvoorbeeld geschat dat er in totaal 1500 ontmoetingsplekken en moskeeën in Frankrijk zijn, maar slechts een handvol heeft koepels of minaretten vanwege het onthouden van een bouwvergunning door de plaatselijke autoriteiten met het argument dat dergelijke identiteitsbevestigende details onnodig op de voorgrond tredend zijn, zelfs opruiend.[48] In Nederland vroeg de Rotterdamse gemeenteraad, na een campagne van Leefbaar Rotterdam, de Marokkaanse gemeenschap de blauwdruk voor een moskee te moderniseren teneinde een ‘concept van integratie’ te belichamen. Het origineel werd als ‘te Arabisch’ beschouwd, of, zoals de burgemeester van Rotterdam het behulpzaam stelde, ‘de verbreiding van het geloof is soms beter uitgedrukt door ingehouden dan door expliciete verspreiding’.[49]
DE CULTURELE CODE
De stap om het hoofddoekje af te schaffen is het laatste facet van de door het antiterrorisme geïnspireerde assimilationistische maatregelen die doorgevoerd worden in heel Europa. De Franse wet die het dragen van ‘al te grote’ religieuze symbolen, waarbij inbegrepen het joodse keppeltje, het christelijke kruis en de Sikh tulband, in alle staatsscholen verbiedt wordt in september 2004 van kracht. Met ingang van april 2004 hebben twee Duitse deelstaten het uitsluiten van moslimleerkrachten die een hoofddoekje dragen goedgekeurd en verschillende andere deelstaten zijn bezig gelijkluidende wetgeving goed te keuren. Dit volgde op een oordeel van het Duitse Constitutionele Hof in een zaak die aangespannen was door de Onderwijsautoriteit van Baden Wurttemberg tegen Fereshta Ludin, wier dragen van de hoofddoek gezien werd als ‘een teken van het vasthouden aan de tradities van haar maatschappij van oorsprong’ en dus als uiting van ‘een gebrek aan culturele integratie’. Terwijl het Constitutionele Hof oordeelde dat het dragen van de hoofddoek de religieuze neutraliteit van de staat niet aantastte, gaf het aan dat individuele staten vrij waren om wetgeving aan te nemen waarin religieuze symbolen in het klaslokaal uitdrukkelijk verboden werden.[50]
Nogmaals het debat wordt gevoerd in termen die stigmatiseren en vernederen. Het debat wordt nog virulenter wanneer het gevoerd wordt door westerse feministen, vooral parlementaire feministen die beweren dat ze inspiratie krijgen van de strijd van moslimvrouwen in de Arabische wereld die gevochten hebben tegen door de staat opgelegde kledingvoorschriften. Maar het feit dat sommige moslimlanden vrouwen dwingen de hoofddoek te dragen kan nooit rechtvaardigen dat niet-moslimlanden haar dwingen het af te doen. Een seculiere staat moet hetzelfde bereik aan keuzes garanderen aan ál zijn onderdanen, behalve dan dat deze het bereik van keuzes van elke andere onderdaan niet doorkruisen.[51] Terwijl Europese regeringen zeker de rechten van meisjes of vrouwen die de hoofddoek tegen hun wil moeten dragen, moeten garanderen, zouden ze de staatsmacht niet moeten gebruiken om een individu een kledingvoorschrift op te leggen, of die nu cultureel of religieus bepaald is. Human Rights Watch concludeert dat de erkenning hiervan geenszins het principe van staatsseculariteit ondermijnt. ‘Integendeel, het toont respect voor religieuze verscheidenheid, een positie die volkomen in overeenstemming is met het behouden van de strikte scheiding tussen publieke instituties en een bepaalde religieuze boodschap.’[52]
Waar zal het eindigen? In Frankrijk heeft de paranoia over de hoofddoek al de dimensies van een moderne heksenjacht aangenomen. De Franse regering denkt erover een ‘secularisme handvest’ in te voeren voor andere openbare instituties, inclusief gemeentehuizen. President Chirac wil de wet veranderd hebben zodat particuliere bedrijven ook de hoofddoek en andere religieuze symbolen kunnen verbieden. Andere voorgestelde maatregelen zouden tegengaan dat patiënten behandeling kunnen weigeren van een dokter of verpleegster van de andere sekse; zou openingstijden alleen voor vrouwen in gemeentelijke badhuizen tegengaan. Minister van Onderwijs Luc Ferry heeft gezegd dat hij vastbesloten is ervoor te zorgen dat het verbod niet ´omzeilt´ zal worden door nieuwe religieuze symbolen. ´Zo gauw iets een religieus teken wordt, zal het onder de wet vallen´, zei hij tegen parlementsleden. ´Als een baard een religieus symbool wordt zal die onder de wet vallen.[53] En Fillon, de Minister verantwoordelijk voor integratie heeft opgeroepen de Franse nationaliteitswet te herzien zodat het dragen van de hoofddoek voldoende reden voor de Conseil d´Etat is een verzoek tot staatsburgerschap af te wijzen.
Maar dit is niet slechts een Franse zorg. Het Belgische parlement denkt over een wetsontwerp; politici in Zweden en Noorwegen bereiden een debat over de hoofddoek voor. In Baden-Wurttemberg haalt een nieuwe staatswet die het leraren verbiedt de hoofddoek te dragen een paragraaf uit de regionale Onderwijswet aan waarin gesteld wordt dat het gedrag van een leraar niet mag laten zien dat hij tegen menselijke waardigheid, gelijkheid en mensenrechten is. De hoofddoek staat niet alleen meer voor religie, maar is ook een symbool van culturele zelfisolatie en deel van de onderdrukking van vrouwen, voert de minister aan. Maar aangezien dit niet geldt voor westerse religieuze, opvoedings- en culturele waarden, zal de wet niet toegepast worden op het kruis of het joodse keppeltje. In Nederland overweegt het parlement een voorstel om de staat het recht te geven immigrantenouders het recht te ontnemen een school voor hun kind te kiezen - hun keuze zou per slot van rekening onder druk van de plaatselijke imam tot stand gekomen kunnen zijn. Het voorstel is dat een ´gezinscoach´ aangesteld zal worden om immigranten´probleemgezinnen´ waarvan de kinderen achter blijven op school, bij te staan; de coach zou daarna de school kiezen.
Frankrijk slaat zich op de borst over de waarden van de Verlichting die het over Europa verspreid heeft. Maar het slecht bedachte verbod van de hoofddoek - die blijkbaar ook door heel Europa gaat – betekent een directe bedreiging voor de Europese traditie van mensenrechten. Het is een aanval op het Europese Verdrag over de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die allebei de vrijheid van religieuze uitingen beschermen. Door het verzet tegen het scheppen van een schaduw crimineel rechtssysteem boven het normale rechtssysteem voor ´vijandelijke buitenlanders´ en door het verzet tegen een systeem van gedwongen assimilatie van ´vijandige inwoners´ houden we vast aan het belangrijkste principe van allemaal: de universaliteit van de mensenrechten met betrekking tot ras, nationaliteit of religieuze verwantschap.
De onverkorte versie van dit artikel verscheen voor het eerst in het tijdschrift ´Race and Class´, Vol. 46, No. 1, 3-29 (2004).
Liz Fekete is adjunct directeur van het Institute of Race Relations (www.irr.org.uk) en senior onderzoeker aan de IRR´s European Race Audit. Ze is schrijfster van Reclaim People´s Security: from national security to global security: counter-terrorism in Asia and Europe (TNI, 2003).
EINDNOTEN
[1] Uit de speech van de premier, gehouden op 5 maart 2004 in zijn Sedgefield kiesdistrict, waarin hij de militaire actie in Irak rechtvaardigde en waarschuwde voor de aanhoudende dreiging van het wereldwijde terrorisme. Guardian, 5 maart 2004.
[2] A.Sivanandan, ‘Poverty is the new Black’, in The Three Faces of British Racism, speciale uitgave van Race & Class (Vol.43, no. 2, oktober-december 2001)
[3] Zie Liz Fekete, Racism; the hidden cost of September 11 (Londen, IRR, 2002)
[4] Zie Liz Fekete, ‘Anti-terrorism and human rights’, European Race Bulletin (no 47, 2004)
[5] in de lente van 2004 werden twee gevangenen losgelaten op bevel van de Special Immigration Appeals Commission (SIAC). Een Libyer, slechts aangeduid als M, werd vrijgelaten op 18 maart 2004 nadat het hof van beroep een eerdere SIAC uitspraak bevestigde dat hij vastgehouden was op basis van bewijs dat ‘geheel onbetrouwbaar was en niet gebruikt had mogen worden om hechtenis te rechtvaardigen’ (Guardian (18 maart 2004)). En in april 2004 werd een Algerijnse gevangene, slechts aangeduid als G, vrijgelaten en onder huisarrest geplaatst. Rechter Collins sprak uit dat G, een polioslachtoffer die niet zonder hulp kan lopen, geestelijk ziek gemaakt was door de hechtenis en zichzelf letsel zou kunnen toebrengen.
[6] Janne Flyghed, ´Normalising the exceptional: the case of political violence´, Policing and Society (Vol. 13, no.1, 2002)
[7] John Upton, ‘An authoritarian state is in the process of construction’, Guardian (23 februari 2004).
[8] Gareth Peirce, ‘Internment: the truth behind the ´war on terror´, openbare les georganiseerd door Liberty (15 december 2003).
[9] Fouzi Slisli, ´The western media and the ASlgerian crisis´, Race and Class )Vol.41, no.3, 2000)
[10] John Upton, ´In the streets of Londistan´, London Review of Books )Vol.26, no.2, 22 januari 2004’.
[11] Copenhagen Post (25 september 2003); en Afterposten (30 januari 2004).
[12] Junge Welt (6 april 2002); Frankfurter Rundschau (12 april 2002).
[13] Campaign against Criminalising Communities, ´Terrorising minority communities: ´anti-terrorist´ powers: their use and abuse´, verslag aan de Privy Council Review of the Anti-Terrorist Crime and Security Act 2001 (augustus 2003)
[14] Martin Bright’: ´Evidences to the Special Immigration Appeals (SIAC) hearing´, 21 juli 2002.
[15] CAMPACC, op.cit.
[16] Guardian (26 februari 2004)
[17] Slisli, op.cit.
[18] Zie vooral Giles Tremlett, ‘Immigrants sue Spanish PM for claiming terror group link’, Guardian (13 september 2003); ook La Vanguardia (26 januari 2003).
[19] Junge Welt (4 januari 2003).
[20] Statewatch Bulletin (Vol.13, no.6, november/december 2003)
[21] Zie, bv. Freedom: a Sinn Fein educational publication.
[22] European race Bulletin (Nos 33/4, 2000).
[23] Guardian (13 september 2003)
[24] Alouni wordt beschouwd als de meest succesvolle journalist van de Afghaanse oorlog en de enige die een live verbinding had vanuit het Kabul van de Talibaan. In 2004 kreeg al Jazeera de Index on Censorship ‘Free expression award for best circumvention of censorship.’
[25] Guardian (15 september 2003).
[26] (Irish) Telegraph (8 november 2001).
[27] Ibid.
[28] Aangehaald in ‘Prejudice and contempt: terror trial by media’, CARF (No.69, winter 2002/3).
[29] Guardian (8 en 13 februari 2003).
[30] De directeur van openbare vervolgingen had de plannen bekritiseerd en zes door de staat onderzochte verdedigende raadslieden, die de aangeklaagden vertegenwoordigen bij geheime zittingen, schreven een open brief dat ze weigerden deel te nemen aan dergelijke rechtszaken (Guardian (7 februari 2004).
[31] The Times (19 februari 2004).
[32] Aangehaald in de Economist (25 oktober 2003).
[33] Agence France Presse (15 december 2003).
[34] Zie Arun Kundnani, ‘The death of multiculturalism’, Race & Class (Vol. 43, no.4, 2002).
[35] Le Monde (16 september 2003).
[36] European Race Bulletin (No.41, 2002).
[37] Ibid.
[38] BBC News Online (21 januari 2004)
[39] Zie Paul Silverstein, ‘Headscarves and the French tricolour’, Middle East Report Online (30 januari 2004) voor een uitstekende kritiek op de wet.
[40] Emmanuel Terray, ‘Headscarf Hysteria’, New Left Review (maart/april 2004).
[41] Silverstein, op.cit.
[42] Terray, op.cit.
[43] zie Muslim News (24 augustus 2003).
[44] Geciteerd in Italy Weekly (13 juni 2003).
[45] Guardian (25 maart 2004).
[46] Copenhagen Post (20 februari 2004).
[47] Washington Post (16 april 2003); Agence France Presse (15 april 2003); Italy Weekly (13 juni 2003).
[48] European Race Bulletin (No.48, 2004).
[49] Expatica News (24 oktober 2003).
[50] European Race Bulletin (Nos.45/6, 2004).
[51] A. Sivanandan, ‘The patriot game,’ a working paper for the Institute of Race Relations (2004).
[52] Human Rights Watch persbericht (27 februari 2004).
[53] Ágence France Presse (21 januari 2004).