
Voorwoord
Het betreden van de wereld van gevangenen was de inzet van mijn afstudeeronderzoek. Een overzicht van de detentieomstandigheden voor vreemdelingen is het resultaat.
Mijn dank gaat daarvoor uit naar Job Joris Arnold van Bonjo (Belangenoverleg Niet-Justitiegebonden Organisaties). Hij heeft me op dit idee gebracht. Ik wist namelijk niet wat er gaande was in de gevangeniswereld en heb me daarom tot Bonjo gewend. Zij staat via haar leden in contact met penitentiaire inrichtingen in Nederland en weet zo wat er speelt in gevangenissen en wat er leeft onder gedetineerden. Na rondvraag onder haar leden bleek er onduidelijkheid te bestaan over de omstandigheden waaronder vreemdelingen tijdens hun detentie verblijven. Het idee werd geboren de detentieomstandigheden voor vreemdelingen in kaart te brengen aan de hand van ervaringen van de meest direct betrokkenen, de vreemdelingen in detentie.
Achtenveertig vreemdelingen werkten mee aan dit onderzoek. Ik sprak met hen over alles wat zich afspeelde tussen de aanhouding en het vertrek uit het detentiecentrum. Het was voor hen veelal moeilijk de tijd in detentie weer op te rakelen, maar in het belang van het onderzoek waren zij hier toe bereid. Ik ben hen hiervoor erg dankbaar.
Mijn dank gaat tevens uit naar de mensen die me in contact hebben gebracht met deze vreemdelingen. Zonder hen was dit onderzoek niet mogelijk geweest. Ook mijn afstudeerbegeleiders wil ik graag bedanken: dr. Tim Boekhout van Solinge ben ik dankbaar voor de inspirerende gesprekken en mr. Miranda Boone voor de goede adviezen en de mogelijkheden die ze me gegeven heeft. Tot slot gaat mijn dank uit naar alle anderen die mij hebben geholpen en gesteund tijdens dit onderzoek.
Inhoudsopgave
Voorwoord
Afkortingen
1. Inleiding
2. Achtergrond en methodologie
2.1 Achtergrond: verruimde mogelijkheden voor de vrijheidsontneming
van vreemdelingen
2.2 Methodologie
3. Vreemdelingen aan het woord 3.1 Aanhouding en aankomst in de detentiecentra
3.2 De cellen
3.3 Het programma
3.4 De zorg
3.5 Contacten in en buiten de detentiecentra
3.6 Veiligheid en orde
3.7 Kinderen in vreemdelingenbewaring
3.8 Het vertrek
3.9 Een terugblik op het verblijf in detentie
3.10 Tot slot
4. De menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen
4.1 ‘Menswaardigheid’ juridisch gezien
4.2 De menswaardigheid voorgelegd aan het EHRM
4.2.1 De klacht van de achtenveertig vreemdelingen
4.2.2 De klacht onderbouwd met nationale en internationale kritiek
4.2.3 Het weerwoord van de Nederlandse regering
4.3 Tot slot
5. Vreemdeling in een risicomaatschappij
5.1 Van een verscherpt vreemdelingenbeleid naar herhaaldelijke kritiek wegens
de vrijheidsontneming van vreemdelingen
5.2 Gevolgen blijven uit
5.3 Tot slot
6. Samenvatting en conclusie
6.1 Verruimde mogelijkheden voor de vrijheidsontneming van vreemdelingen
6.2 Achtenveertig vreemdelingen aan het woord
6.3 De menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen
6.4 Vreemdeling in een risicomaatschappij
6.5 De toekomst
Nabeschouwing
Bijlagen:
1. De aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning
2. Vragenlijst vrijheidsontneming van vreemdelingen
3. Bezwaren van respondenten tegen de vrijheidsontneming
Literatuur
AC Aanmeldcentrum
Art. Artikel
AZC Asielzoekerscentrum
COA Centraal Orgaan opvang asielzoekers
CAT United Nation Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment
CPT European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment
CvT Commissies van Toezicht
DJI Dienst Justitiële Inrichtingen
EHRM Europees Hof voor de Rechten van de Mens
EU Europese Unie
EVRM Europees Verdrag tot de Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
IND Immigratie- en Naturalisatiedienst
ISt Inspectie voor de Sanctietoepassing
IVRK Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
Kmar Koninklijke Marechaussee
NJCM Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten
OC Opvangcentrum
Pbw Penitentiaire beginselenwet
Rrg Reglement regime grenslogies
RSJ Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
UNHCHR United Nations High Commissioner for Human Rights
Vw Vreemdelingenwet 2000
1. Inleiding
De Nederlandse regering probeert met behulp van vreemdelingenwetgeving de komst van vreemdelingen te reguleren. Een vreemdeling is een ieder die niet de Nederlandse nationaliteit bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld. Hierbij valt te denken aan asielzoekers, arbeidsmigranten, buitenlandse studenten en gezinsleden die met hun familie herenigd willen worden. Als zij naar Nederland komen en hier langer dan drie maanden willen blijven, hebben ze zich te houden aan de vreemdelingenwetgeving. Dit betekent dat ze toestemming van de regering nodig hebben om grondgebied van Nederland te mogen betreden en (een aanvraag voor) een verblijfsvergunning om rechtmatig in het land te kunnen verblijven. Als een vreemdeling hier niet over beschikt, dient hij het land uit eigen beweging te verlaten. Doet hij dit niet, dan biedt de vreemdelingenwetgeving mogelijkheden de vrijheid van de vreemdeling te ontnemen.[1]
De mogelijkheid vreemdelingen hun vrijheid te ontnemen bestaat al sinds 1965. Eind jaren tachtig is deze voor het eerst gebruikt. Toen nam het aantal vreemdelingen dat naar Nederland kwam toe. Hierdoor veranderde het maatschappelijke en politieke klimaat ten aanzien van vreemdelingen. De intolerantie groeide en het asiel- en immigratiebeleid werd verscherpt. Dit had tot gevolg dat de eerste vreemdelingen in bewaring werden genomen om hun vertrek uit Nederland zeker te stellen. In 2001 werden vervolgens de mogelijkheden om de vrijheid van vreemdelingen te ontnemen verruimd. Na verhitte debatten tussen toenmalig staatssecretaris van vreemdelingenbeleid Job Cohen (PvdA) en coalitiegenoot Henk Kamp (VVD) werd in het tweede paarse kabinet overeenstemming bereikt over de nu nog geldende Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met daarin meer gronden voor de vrijheidsontneming van vreemdelingen.[2]
Paars II heeft deze wet niet lang uit mogen voeren. Pim Fortuyn deed zijn intrede in de politiek en verkondigde wat veel Nederlanders dachten: “Nederland is behoorlijk druk” en “de grenzen moeten dicht.” Hij pleitte, ondanks een dalend aantal asielaanvragen, voor een strenger vreemdelingenbeleid. Hij vond steun bij de kiezer: hij kwam vanuit het niets met zesentwintig zetels in de Tweede Kamer na de verkiezingen in 2002. Door zijn dood heeft hij het zelf niet meer mee kunnen maken, maar de LPF mocht samen met de VVD en het CDA gaan regeren in het eerste kabinet Balkenende. Deze regering koos voor een naar eigen zeggen “streng, maar rechtvaardig” asiel- en migratiebeleid. Voor het eerst werd er een minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aangesteld. Voormalig directeur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Hilbrand Nawijn mocht deze positie namens de LPF bekleden en zo leiding geven aan het nieuwe vreemdelingenbeleid.
Deze regering hield niet lang stand. Zij werd in 2003 ontbonden na een lange crisis binnen de LPF. Er kwamen nieuwe verkiezingen waarna het CDA en de PvdA een formatiepoging ondernamen. Dit mislukte, waardoor het CDA kon doorregeren met de VVD. De LPF werd vervangen door D66. Het CDA en de VVD zagen de vijf zetels winst in de verkiezingsuitslag als teken dat de kiezer het strenge vreemdelingenbeleid dat samen met de LPF was ingezet, waardeerde. Ze gingen samen met D66 door met de uitvoering hiervan. Onder leiding van de nieuwe minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk (VVD) werd de vreemdelingenwet van Cohen met de “koude-hand” uitgevoerd.[3] Een restrictief toelatingsbeleid, aanpak van de illegaliteit en een effectief terugkeerbeleid werden de speerpunten van het streng maar rechtvaardige vreemdelingenbeleid onder de kabinetten van premier Jan Peter Balkenende (CDA).[4]
Door het aangescherpte vreemdelingenbeleid nam de aandacht voor vreemdelingen toe. De regering wilde minder vreemdelingen toelaten tot Nederland en voorkomen dat vreemdelingen zichzelf toegang tot het land verschaften of hier zonder toestemming verbleven. Daartoe werd de controle op en de opsporing van vreemdelingen geïntensiveerd.[5] Gevolg was dat illegale vreemdelingen bij aanraking met de autoriteiten direct hun vrijheid werd ontnomen. Zo vertelde een Aziatische man me dat hij in vreemdelingenbewaring werd genomen nadat hij op straat werd aangehouden omdat hij te weinig licht op zijn fiets had. Een Afrikaanse man zei opgepakt te zijn op verdenking van winkeldiefstal. Hij bleek niets gestolen te hebben, maar werd in bewaring genomen omdat hij geen verblijfspapieren had.
De toegenomen aandacht voor vreemdelingen deed het aantal vreemdelingen in detentie stijgen. Jaarlijks verblijven er nu twaalfduizend vreemdelingen in detentie.[6] Eind jaren tachtig waren dit er tweeduizend. Vreemdelingen werden toen samen met strafrechtelijk gedetineerden in een huis van bewaring geplaatst. Hier deden zich echter beheersproblemen voor als spanningen, vechtpartijen en brandstichtingen, waarop in de jaren negentig werd besloten gebouwen speciaal voor de vrijheidsontneming van vreemdelingen in te richten: militaire complexen werden omgebouwd tot detentiecentra en er werd een grenshospitium geopend. Door de toename van het aantal vreemdelingen in de detentiecentra ontstond er een tekort aan cellen. Mede daarom werd in 2003 de Tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in het leven geroepen. Zij moest onder meer op zoek naar een flexibele oplossing voor het gebrek aan cellen voor vreemdelingen. Zij creëerde twee uitzetcentra: detentiecentra op vliegvelden waar vreemdelingen vlak voor de uitzetting verblijven. Een jaar later nam ze twee detentieboten in gebruik: vreemdelingen konden nu in een hut op een beveiligde boot in bewaring worden genomen in afwachting van hun uitzetting. Momenteel is de Directie, wiens tijdelijkheid is opgeheven, bezig om de detentiecapaciteit van vreemdelingen nog verder uit te breiden. Op korte termijn worden twee nieuwe detentieboten en een cellencomplex ten behoeve van de vrijheidsontneming van vreemdelingen geopend.
Nederland is zowel nationaal als internationaal bekritiseerd wegens het grote aantal vreemdelingen in detentie en de omstandigheden waaronder zij in de detentiecentra moeten verblijven. Zo concludeerde de Raad van Europa, die het beschermen van de mensenrechten tot haar taak heeft, in maart 2006 dat het Nederlandse vreemdelingenbeleid de Europese verdragen van mensen- en kinderrechten blijft schenden. Zwitsers parlementariër Rosemarie Zapfl-Helbling vond het ronduit schokkend dat er niets was gebeurd met een rapport uit 2005 waarin dit al geconcludeerd werd en dat er nog steeds kinderen in de gevangenis verbleven. Ze was erg hard voor destijds verantwoordelijk minister Verdonk: “Ze verdraait de zaken zo dat ze haar het beste van pas komen.”[7] Uit onderzoek van verschillende Europese universiteiten en nationale experts in vijfentwintig landen van de Europese Unie is gebleken dat vreemdelingen in de Nederlandse detentiecentra onder - ik citeer - “extreem sobere omstandigheden” verblijven. Ze zitten het grootste gedeelte van de dag op hun cel en hebben per week recht op één uur bezoek, anderhalf uur sport, zes uur recreatie en zeven uur luchten. De vreemdelingen die geen strafbaar feit hebben gepleegd zijn volgens de onderzoekers aanzienlijk slechter af zijn dan strafrechtelijk veroordeelden in reguliere penitentiaire inrichtingen.[8] Tenslotte bleek uit onderzoek van de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt) dat kinderen in vreemdelingenbewaring niet zitten opgesloten in een veilige kindvriendelijke omgeving waar ze de beschikking hebben over maximale bewegingsvrijheid, zoals de Verenigde Naties dit graag wil.[9]
De herhaaldelijke kritiek op het grote aantal vreemdelingen in detentie en de extreem sobere omstandigheden waaronder zij zouden moeten verblijven, roept de volgende vraag op: hoe ziet de vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland er uit in de ogen van vreemdelingen die deze aan den lijven hebben ondervonden en in hoeverre kan de vreemdelingendetentie op grond van hun ervaringen als onmenswaardig worden beschouwd? Deze vraag heeft centraal gestaan in dit onderzoek. In het verlengde hiervan dringt zich nog een vraag op: hoe zijn de recente ontwikkelingen rondom de vrijheidsontneming van vreemdelingen, vanaf de verscherping van het vreemdelingenbeleid tot aan de herhaaldelijke kritiek op de tenuitvoerlegging van de detentie, te verklaren in het licht van de huidige risicomaatschappij? Ook deze vraag zal in deze studie worden beantwoord.
Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen heb ik me gewend tot de meest direct betrokkenen, de vreemdelingen in detentie. Zij worden over het algemeen weinig aan het woord gelaten in het debat over vrijheidsontneming van vreemdelingen. Ik interviewde echter achtenveertig vreemdelingen die recent in detentie verbleven omdat ze niet over de juiste papieren beschikten. Ik sprak met hen over hun aanhouding en aankomst in de detentiecentra, de cellen, het dagprogramma, de zorg, de contacten in en buiten de detentiecentra, de orde en het vertrek uit detentie. De ervaringen van deze achtenveertig vreemdelingen worden in deze studie opgetekend. Zo wordt een overzicht gegeven van de omstandigheden in de detentiecentra om vervolgens te kijken in hoeverre deze menswaardig zijn en hoe het zo is gekomen dat deze veelvuldig bekritiseerd worden.
In hoofdstuk 2 wordt daartoe eerst ingegaan op de achtergrond en de methodologie van dit onderzoek. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de ervaringen van de achtenveertig vreemdelingen weergegeven en zo de omstandigheden in de detentiecentra en grenshospitia in kaart gebracht. Hierna wordt in hoofdstuk 4 de menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen onderzocht: de juridische aspecten van het begrip ‘menswaardigheid’ worden uiteengezet, waarna de visies van de respondenten, criticasters en de Nederlandse regering hiertegen afgezet worden om te zien in hoeverre de vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland als menswaardig beschouwd kan worden. Nadien wordt in hoofdstuk 5 getracht de recente ontwikkelingen in het vreemdelingenbeleid te verklaren in het licht van de huidige risicomaatschappij om zo de totstandkoming van de kritiek op het beleid te kunnen begrijpen. Tot slot volgt in hoofdstuk 6 een samenvatting en een conclusie.
2. Achtergrond en methodologie
In dit hoofdstuk wordt de totstandkoming van deze studie besproken. In paragraaf 2.1 wordt aandacht besteed aan de achtergrond van het onderzoek, de verruimde mogelijkheden voor de vrijheidsontneming van vreemdelingen, waarna in paragraaf 2.2 wordt ingegaan op de methodologie.
2.1 Achtergrond: verruimde mogelijkheden voor vrijheidsontneming van vreemdelingen
Het strengere vreemdelingenbeleid van de laatste jaren heeft de aandacht voor vreemdelingen doen toenemen: de nadruk is meer komen te liggen op het voorkomen dat vreemdelingen zichzelf toegang tot Nederland verschaffen, het opsporen van vreemdelingen en het uitzetten van illegale vreemdelingen. Hierdoor wordt meer gebruik gemaakt van de verruimde mogelijkheden vreemdelingen hun vrijheid te ontnemen en verblijven er meer vreemdelingen in grenshospitia, detentiecentra, uitzetcentra en op detentieboten.
Sinds de invoering van de nieuwe vreemdelingenwet in 2001 bestaan er vier gronden voor de vrijheidsontneming van vreemdelingen. De vrijheid van vreemdelingen kan ten eerste ontnomen worden op grond van art. 6 Vw. Dit is een grensbewakingsmaatregel om te voorkomen dat een vreemdeling zichzelf alsnog toegang tot het land verschaft nadat deze hem is geweigerd. Deze vorm van vrijheidsontneming wordt ook wel ‘grensdetentie’ genoemd.
De vrijheid van een vreemdeling kan tevens ontnomen worden op grond van art. 59 Vw. Deze maatregel is bedoeld voor vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven en het land dienen te verlaten om zo de uitzetting van de vreemdeling te kunnen bewerkstelligen. De maatregel mag worden opgelegd ten behoeve van de nationale veiligheid of ter bescherming van de openbare orde. De nationale veiligheid is in het geding indien de vreemdeling zich bezig houdt met spionage of terroristische activiteiten en de openbare orde wordt bedreigd indien er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdelingen zich aan uitzetting zal onttrekken. Art. 59 lid 2 Vw biedt de mogelijkheid de vrijheid van vreemdelingen te ontnemen voor wie op korte termijn de papieren voorhanden zullen zijn die benodigd zijn voor de terugkeer van de vreemdeling. Vrijheidsontneming op grond van art. 59 Vw wordt ook wel ‘vreemdelingenbewaring’ genoemd.
Ook op grond van art. 58 Vw kan de vrijheid van vreemdelingen worden ontnomen. Dit artikel is bedoeld voor uitgeprocedeerde asielzoekers, maar wordt niet of nauwelijks gebruikt omdat art. 6 en art. 59 Vw dezelfde mogelijkheden bieden. Tot slot kan de vrijheid van vreemdelingen ontnomen worden op grond van art. 50 Vw. Indien er een redelijk vermoeden bestaat van illegaal verblijf, mag een vreemdeling worden aangehouden en meegenomen naar een plaats voor verhoor. Vervolgens kan hij in vreemdelingenbewaring geplaatst worden als blijkt dat hij niet over de juiste papieren beschikt.
Detentiecentra en grenshospitia
De inbewaringstelling van vreemdelingen wordt ten uitvoer gelegd in detentiecentra en grenshospitia. Deze zijn op basis van het regime onder te verdelen in twee categorieën. Er zijn detentiecentra waar het Reglement regime grenslogies (Rrg) geldt: het grenshospitium te Amsterdam, uitzetcentrum Zestienhoven te Rotterdam, het grenshospitium en het uitzetcentrum te Schiphol-Oost en een gedeelte van het cellencomplex op het detentiecentrum Zeist. En er zijn detentiecentra waar de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) van kracht is: de detentiecentra te Heerhugowaard, Roermond, Schiphol-Oost, Ter Apel, Tilburg en Zeist en op de detentieboten Bibby Stockholm en de Reno aan de Merwehaven in Rotterdam. Daarnaast wordt een onbekend aantal vreemdelingen gedetineerd in justitiële jeugdinrichtingen, cellen op het politiebureau en cellen van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) en in reguliere instellingen. Tot slot zijn er speciale inrichtingen voor jeugdige vreemdelingen en kinderen: vreemdelingen tussen de 16 en 18 jaar verblijven op een speciale jeugdafdeling in Tilburg en kinderen kunnen terecht in het grenshospitium, het uitzetcentrum te Rotterdam of de detentiecentra te Heerhugowaard en Zeist.
De grondslag voor de inbewaringstelling bepaalt het regime waaronder de vreemdeling wordt gedetineerd en zo de locatie waar de vreemdeling wordt geplaatst: vreemdelingen die op grond van de artt. 6 en 58 Vw worden gedetineerd komen op een afdeling terecht waar het Rrg van kracht is, vreemdelingen die op grond van art. 59 in bewaring worden genomen, komen op een plek terecht waar de Pbw geldt.
De regimes
De verschillen tussen beide regimes zijn niet groot. Als het Rrg van kracht is, mag de vreemdeling op grond van art. 4 bij de tenuitvoerlegging van de bewaring niet verder worden beperkt in de uitoefening van zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en veiligheid. Dit betekent dat de vreemdeling alleen tijdens de lunch, het avondeten en de nacht in zijn cel mag verblijven. Het is niet toegestaan om de vreemdelingen disciplinaire maatregelen of ordemaatregelen buiten de eigen kamer op te leggen en zij hebben een gunstigere bezoek- en telefoonregeling. Het is een sober regime dat bedoeld is voor een kortstondig verblijf. Doel is immers dat de vreemdeling het land snel verlaat.
Het regime onder de Pbw wordt als zwaarder beschouwd. Deze wet, die ziet op voorlopig gehechten en strafrechtelijk veroordeelden, kent twee soorten regimes: het regime van beperkte gemeenschap voor de eerste groep en het regime van algehele gemeenschap voor strafrechtelijk veroordeelden zonder contra-indicaties. De wet kent geen specifieke bepalingen voor de detentie van vreemdelingen. Zij worden net als voorlopig gehechten onder een regime van beperkte gemeenschap gedetineerd. Dit betekent dat zij op cel verblijven tenzij er een programma aangeboden wordt. Het programma voor vreemdelingen is echter minder groot omdat zij niet in aanmerking komen voor verlofregelingen en activiteiten gericht op terugkeer naar de samenleving en slechts een beperkte mogelijkheid hebben tot arbeid, recreatie en sport. Zij brengen dan ook meer tijd door op cel dan voorlopig gehechten en strafrechtelijk veroordeelden.
Duur van het verblijf
De Vw kent geen maximumduur voor het verblijf in een detentiecentrum. De detentie kan voortduren zolang er zicht is op vertrek of uitzetting. Het verblijf mag echter niet langer mag duren dan met het oog op het doel van de bewaring, de voorbereiding en de effectuering van de uitzetting noodzakelijk en proportioneel is. Uit de jurisprudentie is gebleken dat na zes maanden het uitgangspunt van de vreemdeling zwaarder weegt dan het algemene belang, mits er geen contra-indicaties zijn die voortzetting van de bewaring rechtvaardigen. In 2004 verbleef een vreemdeling gemiddeld zestig tot tachtig dagen in detentie. Er waren vreemdelingen die al na een paar dagen vertrokken, maar ook vreemdelingen die langer dan een jaar in detentie moesten verblijven. Het verblijf op de detentieboten te Rotterdam mag echter maximaal zes maanden duren. Dit heeft het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage onlangs besloten.[10]
Het verblijf in een detentiecentrum wordt beëindigd indien de vreemdeling is vertrokken of uitgezet, of indien de maatregel door de rechter, de minister van justitie of de IND wordt opgeheven. De detentie kan onder andere worden opgeheven als er geen zicht meer is op uitzetting, de vreemdeling alsnog wordt toegelaten tot Nederland of de openbare orde de detentie niet langer vordert.[11]
De vrijheidsontneming van vreemdelingen is onderdeel van het bestuursrecht en daardoor een administratieve maatregel. Het is dan ook niet strafbaar zonder geldige papieren in Nederland te verblijven. Toch heeft het dezelfde gevolgen als het plegen van een strafbaar feit: detentie onder de Pbw of het vergelijkbare Rrg. Volgens onderzoek van verschillende Europese universiteiten en nationale experts zijn vreemdelingen in detentiecentra zelfs aanzienlijk slechter af dan strafrechtelijk veroordeelden in een reguliere penitentiaire inrichting. Hier lijkt dan ook sprake te zijn van een paradox. Dit lijkt niet in de weg te staan om steeds meer gebruik te maken van de verruimde mogelijkheden vreemdelingen hun vrijheid te ontnemen: het aantal vreemdelingen in detentie blijft stijgen ondanks de toenemende kritiek op het grote aantal vreemdelingen in detentie en de omstandigheden waaronder zij moeten verblijven. Dit heeft een kleinschalig debat doen ontstaan over de vrijheidsontneming van vreemdelingen.
Vreemdelingen zelf worden nauwelijks aan het woord gelaten in dit debat. Anton van Kalmthout, hoogleraar straf- en migratierecht aan de Universiteit van Tilburg, heeft hen in 2002 en 2003 wél de kans gegeven hun verhaal te vertellen.[12] Samen met anderen heeft hij éénenzestig illegale vreemdelingen geïnterviewd over de oorzaken en achtergronden van hun emigratie, de verblijfsperiode in Nederland, de aanloop tot de insluiting en inbewaringstelling, de detentie-ervaringen, de toekomstplannen en de terugkeermogelijkheden. Vervolgens heeft hij hun verhalen opgetekend. Hieruit blijkt dat deze vreemdelingen die in de detentiecentra in Tilburg en Ter Apel verbleven, de detentie erg wisselend hebben ervaren. Hun verhalen varieerden van “ik vind het hier wel best” en “ze behandelen me goed hier” tot aan “het is verschrikkelijk hier” en “we worden als dieren behandeld.” De meeste respondenten lijken tevreden te zijn over de omstandigheden en de behandeling tijdens de detentie, maar er zijn ook geïnterviewden die moeite hebben de detentie te accepteren en die aangeven dat de manier waarop deze ten uitvoer wordt gelegd schadelijk is voor hun geest. Daar de detentie-ervaringen van deze vreemdelingen slechts een klein onderdeel van dit grote onderzoek vormden, zijn de detentieomstandigheden niet systematisch in kaart gebracht en is niet ingegaan op de verschillende aspecten van de detentie. Daarom heb ik besloten verder te gaan waar dit onderzoek is opgehouden en de omstandigheden in detentiecentra en grenshospitia systematisch in kaart te brengen aan de hand van ervaringen van vreemdelingen die de detentie aan den lijve hebben ondervonden en de menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen te onderzoeken.
2.2 Methodologie
Tijdens dit onderzoek is gebruik gemaakt van verschillende onderzoeksmethoden. In eerste instantie heb ik de literatuur die is verschenen over het vreemdelingenbeleid uitvoerig bestudeerd. Het doel was meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van het vreemdelingenbeleid, in de vrijheidsontneming van vreemdelingen, in de criteria waaraan een menswaardige detentie behoort te voldoen en in de kritiek die Nederland gekregen heeft wegens de tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie. Deze informatie was nodig om de menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland te kunnen onderzoeken.
Het was tevens nodig de situatie in een detentiecentrum of grenshospitium te observeren en met gedetineerde vreemdelingen en medewerkers te spreken om eerst de omstandigheden in kaart te kunnen brengen. Daarom heb ik de detentiecentra en grenshospitia voor vreemdelingen aangeschreven met het verzoek dit gedeelte van het onderzoek daar te mogen uitvoeren. Dit verzoek is door de locatiedirecteuren van de verschillende inrichtingen afgewezen. Ze gaven hier verschillende motivaties voor. Zo zouden de te grote werkdruk, het te grote verloop van de bewoners en de lopende onderzoeken de uitvoering van het onderzoek belemmeren. De directie van de detentieboten gaf aan niet in te kunnen gaan op dit verzoek in verband met “lopende onderzoeken alsmede dat de inrichting over zeer beperkte voorzieningen beschikt.”[13] De locatiedirecteur van detentiecentrum Roermond schreef dat het weinig zinvol zou zijn dit onderzoek in zijn inrichting uit te voeren vanwege “het feit, dat in dit centrum geen asielzoekers en geen kinderen met ouders worden opgenomen, maar slechts personen, die zich willens en wetens illegaal in Nederland hebben gevestigd.”[14] Ook het hoofd van de Directie Bijzondere Voorzieningen van de DJI heeft het onderzoeksvoorstel afgewezen. Hij gaf aan dat dit onderzoek een te grote druk zou leggen op de dagelijkse gang van zaken in de detentiecentra en voor veel onrust onder de vreemdelingen zou zorgen. Bovendien was er vanwege lopende onderzoeken geen behoefte aan nader onderzoek.[15]
Ik moest me hierdoor richten op vreemdelingen die niet meer in detentie verblijven maar hier wel verbleven hebben en nog in Nederland zijn. Om hen te kunnen vinden, heb ik op internet gezocht naar organisaties die hulp verlenen aan vreemdelingen, naar mensen die werkzaam zijn in detentiecentra en naar anderen die in contact konden staan met vreemdelingen die recent in detentie verbleven. Ik heb telefonisch of via e-mail contact met hen opgenomen en hen het onderzoeksvoorstel voorgelegd met de vraag of zij vreemdelingen kenden die aan het onderzoek mee zouden willen werken. Deze mensen en organisaties hebben deze vraag vervolgens bij collega’s neergelegd, waardoor het welbekende sneeuwbaleffect is ontstaan. Via-via kwamen meer mensen en organisaties op de hoogte van dit onderzoek die het belang hiervan inzagen. Zij gingen op zoek naar vreemdelingen die aan dit onderzoek mee wilden en konden werken. Dit bleek niet gemakkelijk: veel vreemdelingen aarzelden om mee te werken omdat ze het moeilijk vonden iemand te vertrouwen en represailles vreesden. Bovendien waren ze bang hun lopende procedure voor een verblijfsvergunning in gevaar te brengen of de nadelige gevolgen hiervan te ondervinden als ze weer in detentie terecht zouden komen. Met de belofte op volledige anonimiteit is het deze mensen en organisaties toch gelukt samen achtenveertig vreemdelingen bereid te vinden mee te werken aan dit onderzoek. Zij hebben voor mij een interviewafspraak gemaakt met de vreemdeling of mij de contactgegevens van de vreemdeling gegeven zodat ik zelf een afspraak kon maken.
Bij het maken van de afspraken liet ik de vreemdelingen de locatie voor het interview kiezen om er voor te zorgen dat zij zich op hun gemak zouden voelen op de locatie en er vrij durfden te praten. De gesprekken vonden daardoor plaats op bankjes in parken en op pleinen, bij organisaties die hulp aan de vreemdeling verleenden, op de verblijfplaats van de vreemdelingen en in stationrestauraties. Er was soms een vertrouwenspersoon van de vreemdeling bij het interview aanwezig, maar meestal sprak ik één-op-één met de vreemdeling of met het hele gezin indien zij samen in detentie verbleven hadden. Ik maakte kennis met de vreemdeling(en) en vertelde iets over mezelf en het onderzoek. Ik beloofde de geïnterviewden nogmaals dat zij anoniem zouden blijven en dat ik er voor zou zorgen dat de verstrekte informatie niet tot hen herleidbaar zou zijn. Ik gaf aan dat ze vragen mochten overslaan als ze hier niet op wilden antwoorden. Ook gaf ik hen de gelegenheid om mij vragen te stellen. Als de respondenten gerust waren gesteld en ik hun vertrouwen gewonnen had, begon ik met het interview aan de hand van een gestructureerde vragenlijst.[16]
Het verloop van de gesprekken varieerde. Zo waren er respondenten die vrij gemakkelijk over hun tijd in detentie spraken. Zij vertelden heel rustig hoe zij hun tijd in detentie ervaren hadden. Andere respondenten werden daarentegen erg boos als ze over de detentie praatten. Ze begrepen niet dat hun vrijheid was ontnomen onder zulke sobere omstandigheden en hun onbegrip had zich omgezet in woede op de Nederlandse overheid. Deze kwam tijdens het interview weer naar boven en stimuleerde hen zo veel mogelijk over de detentie te vertellen. Daarnaast waren er ook respondenten die me bewust niet alles over de detentie vertelden. Zij vonden het te moeilijk om de gebeurtenissen weer boven te halen of hadden deze zo diep weggestopt dat ze zich niet meer alles konden herinneren. Tot slot was er een groep respondenten die het erg zwaar vond om over deze periode uit hun leven te praten en weer te beleven. Ze raakten erg geëmotioneerd waardoor ik tijdens het interview een pauze moest nemen om de respondent weer tot rust te laten komen. Ik vertelde dan nogmaals dat ze de vraag over mochten slaan en probeerde hen gerust te stellen door hen wat te laten drinken en hen even tijd te geven om bij te komen. Als de respondent zich weer herpakt had, vervolgde ik het interview. Ik heb éénmaal voortijdig een interview afgebroken. Bijna aan het eind van de vragenlijst brak deze jonge vrouw in huilen uit. Ze was niet meer te kalmeren, waarna ik heb besloten het interview niet meer te vervolgen. Een ander interview duurde slechts tien minuten omdat het deze man het te moeilijk vond om over zijn detentie te praten. Daarnaast waren negen vreemdelingen niet in staat met mij te praten vanwege de hoogoplopende emoties bij de gedachte aan de detentie. Zij wilden echter wel aan het onderzoek meewerken en zijn daarom geïnterviewd door vertrouwenspersoon als een hulpverlener, een familielid of een geestelijk verzorger. Ik heb de vertrouwenspersoon eenzelfde vragenlijst overhandigd en hen het doel van het interview en het onderzoek uitgelegd. Zij hebben vervolgens het interview afgenomen en de ingevulde vragenlijst naar mij opgestuurd. In geval van onduidelijkheid nam ik nogmaals contact met hen op. De informatie uit deze interviews kan wat vertekend zijn. Dit geldt ook voor de overige informatie: de losgekomen emoties tijdens de interviews kan de ervaringen van de respondenten enigszins gekleurd hebben. De verhalen vertoonden echter veel overeenkomsten.
De gesprekken vonden plaats tijdens de zomer in 2006. Een gesprek duurde meestal anderhalf tot twee uur. Er zaten echter ook interviews tussen van vijfenveertig minuten en bijna drie uur. De gesprekken werden in het Nederlands of het Engels gevoerd. Er is vier keer door kinderen of vrienden van de respondenten vertaald. Tijdens de interviews maakte ik aantekeningen die ik bij thuiskomst uitwerkte. Ik heb vervolgens de uitgewerkte interviews per onderwerp naast elkaar gelegd om zo de verschillende ervaringen van de geïnterviewden in één oogopslag te kunnen overzien. Ik bekeek per onderwerp of de ervaringen overeenkwamen, hoe vaak een bepaald antwoord voorkwam en of er afwijkende of opvallende ervaringen tussen stonden. Toen bleek dat per onderwerp overwegend hetzelfde antwoord gegeven werd, besloot ik te stoppen met het afnemen van interviews omdat het met behulp van de steeds terugkerende antwoorden mogelijk was conclusies te trekken over de omstandigheden voor vreemdelingen in detentie.
De respondenten
Nu het niet mogelijk was het onderzoek uit te voeren in een detentiecentrum of grenshospitium, was ik genoodzaakt alle vreemdelingen te interviewen die recent in vreemdelingendetentie verbleven, mee wilden werken aan het onderzoek en Nederlands of Engels spraken of konden beschikken over een vertaler. Het is hierdoor lastig te bepalen of dit een representatieve afspiegeling is van de detentiepopulatie.[17] Het onderzoek heeft echter een groot bereik door een grote verscheidenheid van respondenten. Zo hebben negenentwintig mannen en negentien vrouwen aan dit onderzoek meegewerkt. Zij varieerden in leeftijd van 4 tot 60 jaar. Tien van hen waren minderjarig. Het opleidingsniveau van de vreemdelingen was erg gevarieerd: sommigen hadden geen opleiding en anderen waren hoog opgeleid. De geïnterviewde vreemdelingen waren afkomstig uit tweeëntwintig verschillende landen en één respondent was statenloos. Zestien respondenten waren afkomstig uit Afrika: zes uit Centraal Afrika, zes uit West Afrika en vier uit Oostelijk Afrika. Zevenentwintig respondenten kwamen uit Azië: één uit Zuidoost Azië, vier uit Centraal Azië, zes uit Oost Azië en zestien uit landen in het Midden Oosten. Tenslotte waren vijf respondenten uit Europa afkomstig: drie uit Oost Europa en twee uit Zuid Oost Europa.
De geïnterviewde vreemdelingen verbleven allen in een detentiecentrum in Nederland. De duur varieerde van twee dagen tot vijftien aaneengesloten maanden. Veel vreemdelingen hebben in meerdere detentiecentra vastgezeten, waardoor de totale duur in detentie soms opliep naar zeventien maanden. De respondenten verbleven gemiddeld 157 dagen ofwel ruim vijf maanden in detentie. Deze vreemdelingen waren gedetineerd in het grenshospitium te Amsterdam (12), het detentiecentrum Zeist (17), de detentieboten Rotterdam - Merwehaven (7), het uitzetcentrum Rotterdam Airport (25), het detentiecentrum Noorderzand te Heerhugowaard (6), het detentiecentrum Roermond (3), het detentiecentrum Tilburg (3) en op het cellencomplex Schiphol-Oost (2). Ze verbleven hier in de periode van 2004 tot 2006. Twee mannen en een echtpaar verbleven eerder in vreemdelingenbewaring, namelijk in 2000, 2002 en 2003. De huidige status van de respondenten verschilde: er waren vreemdelingen die nog in een procedure zaten en in afwachting waren van een beslissing op hun asielaanvraag, er was een groep die in de illegaliteit leefde, een paar vreemdelingen is inmiddels teruggekeerd naar het land van herkomst en één vreemdeling verbeef ten tijde van het schrijven nog steeds in detentie.[18]
3. Vreemdelingen aan het woord
In dit hoofdstuk worden de ervaringen van deze achtenveertig vreemdelingen opgetekend. Ik sprak met hen over de aanhouding en aankomst in het centrum, de cel, het programma, de zorg, de contacten, de orde en veiligheid, het vertrek uit het detentiecentrum en een terugblik op het verblijf in detentie. Deze onderwerpen komen in dit hoofdstuk achtereenvolgens aan bod zodat een overzicht ontstaat van de omstandigheden in de detentiecentra en grenshospitia.
3.1 Aanhouding en aankomst in de detentiecentra
De achtenveertig vreemdelingen spraken eerst over de aanhouding, het verblijf in een politiecel en de aankomst in het detentiecentrum. Hun ervaringen worden in deze paragraaf weergegeven.
De aanhouding
Acht respondenten zijn aangehouden bij aankomst op het vliegveld Schiphol omdat zij niet over de juiste papieren beschikten om Nederland binnen te komen. Zij zijn op grond van art. 6 Vw overgebracht naar het grenshospitium te Amsterdam. Ze vertelden de aanhouding en de plaatsing in het grenshospitium als erg moeilijk te hebben ervaren omdat ze niet wisten wat hen te wachten stond en niet begrepen waarom ze naar het grenshospitium gebracht werden. Een Afrikaanse man die later een verblijfsvergunning heeft gekregen, vertelde: “Ze geloofden mijn verhaal niet en wilden me terug sturen terwijl het in mijn land niet veilig was.” Het onbegrip was groot bij deze respondenten, maar ze gaven aan goed behandeld te zijn.
De overige geïnterviewden zijn aangehouden omdat ze niet rechtmatig in Nederland verbleven. Ze zijn vervolgens overgebracht naar een detentiecentrum om van hieruit Nederland te verlaten. Een groot gedeelte van hen is aangehouden op een opvangadres. Zij zeiden bij de aanhouding niet goed behandeld te zijn. Zo vertelde twee Aziatische vrouwen dat zij bij hun aanhouding als criminelen werden behandeld:[19] “Er kwamen zo’n twintig of dertig politieagenten met honden, paarden en een helikopter om ons naar de gevangenis te brengen. Iedereen is de straat op gegaan om te protesteren. We wilden nog liever op straat leven, maar dat mocht niet. Van de COA (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers) moesten we naar de gevangenis. We zijn zonder schoenen en kleding naar de gevangenis gebracht. We werden net als criminelen behandeld. De kinderen werden gepakt terwijl ze heel erg bang waren. Wij werden geboeid en naar de gevangenis gebracht. Ik had zoiets alleen op televisie gezien.” Meerdere respondenten vertelden bij de aanhouding het gevoel te hebben gekregen crimineel te zijn. Een minderjarig meisje dat met haar ouders en haar broer in bewaring is genomen, vertelde: “Mijn ouders moesten stempelen bij de IND. Daar kregen ze te horen dat ze naar de gevangenis moesten. Zij moesten daar blijven en ik mocht terug naar Ter Apel om onze spullen in te pakken. Ik moest heel erg huilen, huilen. Ik kon er niet tegen. Ik moest de hele tijd huilen. En ik moest plassen. Ik kon niets zien in de auto. Het was dezelfde auto als waarmee we naar de ambassade zijn gegaan. Mijn ouders moesten ondertussen bij de IND wachten.” Haar moeder viel haar bij: “We zaten in een kale kamer met alleen een stenen bankje. De kamer zat op slot. We moesten een uur in deze kamer wachten en moesten toen naar de auto.” Haar dochter nam het woord weer over: “De auto was ook heel erg. De auto had zwarte ramen, tralies. Het was heel klein en er zaten deuren tussen ons in. Het was net een gevangenis. Wij zaten samen in een auto en vader zat in een andere auto. Maar we gingen niet meteen. We hebben vijf uur in de auto gezeten. Daarna waren we helemaal kapot. Mijn vader moest overgeven omdat hij zo misselijk was geworden. Het was heel erg. We voelden ons net criminelen. En dat terwijl we niets gedaan hebben. Zelfs dieren worden beter behandeld. We zaten in een veel te kleine auto. Overal was bagage, dus we konden niet eens normaal zitten. We konden niets zien omdat de ramen geblindeerd waren. We kwamen helemaal dol aan.” Ook vertelden veel van deze respondenten niet te snappen waarom ze naar de gevangenis moesten. Een 16-jarig meisje zei: “We waren in Ter Apel. We hadden een afspraak met de IND toen de vreemdelingenpolitie kwam. Vanaf dat moment zijn we in bewaring genomen. Zij gaven als reden dat we geen vast adres hadden en dat we niet mee wilden werken. Dat was niet waar, want we hadden wel een vast adres.” Een andere man vertelde: “We hadden gewoon een afspraak met de IND. Binnen een uur moesten we in een boevenbusje met onze drie kinderen naar de gevangenis. Maar waarom? Ik weet het niet. Ik kon het gewoon niet geloven. Ik geloofde het niet. Ik wilde het niet. Ik was bang. Ik vroeg me steeds af of ik een crimineel was. Maar dat ben ik niet.” Het onbegrip over de aanhouding en plaatsing in een detentiecentrum was ook bij deze respondenten groot.
Een paar respondenten is op straat aangehouden wegens de verdenking van een strafbaar feit. Zo vertelde een Aziatische man dat hij aangehouden werd omdat hij te weinig licht op zijn fiets had. Toen hij geen papieren kon laten zien, werd hij naar het politiebureau gebracht. Een West Afrikaanse man vertelde dat hij werd verdacht van winkeldiefstal. Bij de aanhouding bleek dat hij niets gestolen had. Maar omdat hij geen geldige papieren had, werd hij naar het politiebureau gebracht: “Ik schaamde me. Al die mensen keken en dachten dat ik iets gestolen had. Maar dat was niet zo. (…) Ik had helemaal niets gestolen. Maar ja, was wel illegaal.”
Tot slot zijn vier respondenten opgepakt tijdens het verrichten van zwart werk. Een Oost Afrikaanse man vertelde: “Toen ik in Nederland op straat werd gezet, ging ik op zoek naar een manier om te leven. Dat is erg moeilijk zonder papieren. Je moet geld hebben om een advocaat te betalen. Ik heb 500,- euro betaald voor mijn advocaat. Ik ben aangehouden toen ik aan het werk was. Ik werkte twee dagen in een slagerij. Dat moest wel om in leven te blijven. De politie kwam bij de slagerij en vroeg om mijn documenten. Ik had geen papieren en werd meegenomen naar het politiebureau.” Een man afkomstig uit het Midden Oosten vertelde een vergelijkbaar verhaal: “Ik verkeerde in een slechte situatie. Ik had geen geld en geen eten. In een winkel kon ik koken voor vrienden en dan daar geld mee verdienen. De arbeidsinspectie kwam binnen toen ik voor vrienden aan het koken was. Ze vroegen legitimatie, maar die kon ik niet geven. Ze keken naar mijn geld en mijn portemonnee. Toen moest ik mee naar het politiebureau.” Hierna volgde vreemdelingendetentie omdat ze niet over de juiste papieren beschikten. Deze respondenten vermeldden geen bijzonderheden over de aanhouding.
Het verblijf op het politiebureau
Veertien respondenten vertelden voor de vreemdelingendetentie in een cel op het politiebureau te hebben verbleven. Vier vreemdelingen hebben hier verder niets over gezegd. De andere tien respondenten vertelden het verblijf in een politiecel erg moeilijk te vinden vanwege de omstandigheden waaronder ze moesten verblijven. Een Aziatische man sprak boos: “De politiecel is het ergste van allemaal. Je zit daar tussen vier muren. Je mag een half uur per dag naar buiten en alleen dan mag je roken. Dus dan rook je achter elkaar door. Je mag om de twee dagen douchen. Een beetje tijdschriften lezen. That’s it! Je hebt alleen contact met anderen bij het luchten.” Ze vertelden dat iedereen een eigen cel had en dat er geen ruimte was om samen te komen. Een jonge Afrikaanse vrouw sprak: “Ik heb samen met mijn kind een weekend in een politiecel doorgebracht voordat ik naar het detentiecentrum ging. Hier zaten we de hele dag opgesloten. We mochten een paar minuten per dag in een kooi naar buiten.” Ook waren de cellen vies volgens enkele van hen. Zo vertelde een Afrikaanse man: “Ik werd naar het politiebureau gebracht. Het was een hele vieze cel. Ik wilde hem schoonmaken, maar dat mocht niet. Ik moest me rustig houden. Ik mocht twee á drie keer per dag een kwartier naar buiten en een sigaret roken. (…) Het was een hele moeilijke situatie. Maar het gebeurde gewoon. Op de boot begonnen de echte problemen.” Het lange verblijf in de cel, het gebrek aan contacten en frisse lucht en de gebrekkige hygiëne maakten het verblijf in een politiecel erg lastig voor deze respondenten.
Er was één Aziatische man die moest lachen toen hij over zijn tijd op het politiebureau sprak: “Toen moest ik naar het politiebureau. Ik heb daar drie dagen gezeten. Ze moesten foto’s maken. Dat weigerde ik, want ik wilde niet terug. Maar het moest. Toen hield ik steeds mijn ogen dicht zodat ze geen foto konden maken. Toen konden ze geen foto maken omdat ik mijn ogen dicht bleef houden. Toen zijn er twee politieagenten gekomen en die hebben mijn ogen opengehouden. Ze waren erg boos op me. Toen ben ik in hongerstaking gegaan: ik wilde niet meer eten en drinken.”
De aankomst in het detentiecentrum
Na het verblijf in de politiecel werden de respondenten overgebracht naar het detentiecentrum. De andere geïnterviewden werden hier direct naar toe gebracht. Uit de interviews bleek dat vreemdelingen in alle detentiecentra een soortgelijke aankomstprocedure moeten ondergaan. Een Afrikaanse man die op de detentieboten te Rotterdam verbleef, omschreef deze als volgt: “Ik werd naar de boot in Rotterdam gebracht. Daar moest ik door een elektronische poort en dan kwam ik op de eerste boot. Daar kwamen we met een groep van twintig personen tegelijkertijd. Ik moest mijn kleren uitdoen en werd gevisiteerd door twee personen. Daarna werd ik naar een andere kamer gebracht. Daar moest ik een paar uur lang wachten met vieze, stinkende en gekke mensen die constant op de deur bonsden. Er was niemand met dezelfde nationaliteit. Ik probeerde Nederlands te praten met een paar. Daarna gaven ze me spullen, lakens en zo, en werd ik naar de echte boot gebracht waar ik op een cel werd geplaatst. Je moet eerst nog langs een metaaldetector. De volgende dag had ik een afspraak met de dokter. Daarna werd mijn een sticker met mijn gegevens op de deur geplakt. En dan zit je op je cel.”
De ervaringen van de gesproken vreemdelingen over de aankomst in het detentiecentrum variëren. Er zijn respondenten die geen problemen ondervonden hebben, maar er zijn ook respondenten die hier nare herinneringen aan over hebben gehouden. Dit was afhankelijk van het transport, de tijd waarop ze aankwamen, het aantal vreemdelingen dat samen aankwam en de visitatie. Zo beschreef een aantal respondenten met een “belachelijk grote hoeveelheid politie- of beveiligingsmensen” naar het detentiecentrum te zijn gebracht. Ze mochten zich niet aankleden, geen spullen pakken en niemand op de hoogte brengen maar moesten direct plaatsnemen in wagens met geblindeerde ramen. Ze vertelden lang in de auto te moeten zitten omdat ze anderen op moesten halen en vaak stil stonden. En niet alle respondenten kregen te eten en drinken. Een aantal van hen gaf aan misselijk of bont en blauw in het detentiecentrum aangekomen te zijn. Ook het tijdstip van aankomst in het detentiecentrum was van invloed op de manier waarop de aankomst door de respondenten werd ervaren. Een man uit het Midden Oosten vertelde blij te zijn dat hij laat aan kwam omdat hij nu niet meer gevisiteerd werd: “Bij de gevangenis werd ik weer gefouilleerd. Ik kwam samen met anderen aan en we werden omstebeurt gevisiteerd. Maar het was al heel laat. En het was heel koud, want het was winter. Daarom kwam ik niet meer aan de beurt.” Een gezin kwam laat in de middag aan, maar was hier absoluut niet blij mee: “We kwamen om 17:00 aan. Toen werden we weer voor een uur in een kamer opgesloten. Daar was alleen een bankje. We waren hartstikke moe en wilden liggen, maar er was alleen één bankje. We kregen geen eten en drinken, terwijl we al vijf uur in de auto hadden gezeten. In totaal hebben we zes uur geen eten en drinken gehad. Toen moesten we vingerafdrukken en foto’s laten maken, maar we waren daar niet toe in staat. Daarom moest alleen vader. Vervolgens werd de bagage gecontroleerd. Die moest daar blijven. Toen werden we naar onze kamers gebracht. Daar kregen we eindelijk eten en toen zijn we heel snel gaan slapen. Maar de eerste dag hadden we niets van kleding.” Tot slot riep de visitatie vervelende herinneringen op. Een Afrikaanse man sprak met stemverheffing: “Ik werd gefouilleerd, moest mijn kleren uit doen en toen moest ik allerlei houdingen aannemen. Ook na het transport moest dat.”
Er was één man die vanwege een hongerstaking een aparte procedure moest doorlopen toen hij in op de detentieboten te Rotterdam aan kwam. Deze Aziatische man vertelde: “Toen ik in het detentiecentrum arriveerde, kwam de dokter. Die vroeg me waarom ik in hongerstaking was. Ik vertelde hem dat ik mijn kinderen (die wel in Nederland mochten blijven) niet kwijt wilde. Ik heb hem mijn verhaal verteld. Hij probeerde me over te halen, maar ik wil echt niet terug. Na vier dagen heb ik weer gegeten en gedronken. Toen was de IND gekomen. Ik dacht toen dat ik mocht blijven. Toen bleek dat ik toch terug moest, ben ik weer in hongerstaking gegaan. Ik wil mijn kinderen niet kwijt. Daarom wil ik niet terug. Later heb ik met een tolk gepraat. Toen ben ik van de isolatie naar een reguliere afdeling gebracht.”
3.2 De cellen
Na het voltooien van de aankomstprocedure, werd de vreemdeling naar zijn cel gebracht. De cel wordt ook wel kamer genoemd omdat het een detentiecentrum is en geen gevangenis. De geïnterviewden spraken zelf vooral over de cel. Ik sprak met hen over de indeling van de cel, de persoonlijke bezittingen die ze mee mochten nemen en hun ervaringen in de cel. Hun ervaringen worden in deze paragraaf besproken.
De indeling van de cel
Uit de interviews bleek dat de indeling van de cel per detentiecentrum anders was. Er waren echter veel overeenkomsten. Zo stonden er volgens de geïnterviewde vreemdelingen in de meeste cellen (stapel)bedden, een tafel, stoelen, een toilet, een kastje, een televisie en soms was er een speciale wand waar foto’s en kaarten opgehangen konden worden. In het grenshospitium, op de detentieboten en in het uitzetcentrum te Rotterdam was ook een douche aanwezig in de cellen. In de overige centra moesten de vreemdelingen in een aparte ruimte op de gang douchen. In het detentiecentrum te Roermond stond een chemisch toilet in de cellen. De respondenten die daar verbleven, vertelden per dag twee flessen met water te krijgen. De geïnterviewde vreemdelingen uit alle detentiecentra vertelden dat er in de cellen geen ramen waren die open konden. Er werd daarom door veel respondenten geklaagd over een gebrek aan frisse lucht en ventilatie. Ook was het volgens een deel van hen erg heet in de cellen. Afhankelijk van de inrichting waren de cellen geschikt voor één, twee, vier, zes, acht of negen personen. Er waren zowel grote als kleine cellen.
Een aantal respondenten was tevreden over de cel. Dit geldt niet voor iedereen. Vooral de geïnterviewde vreemdelingen die op de detentieboten te Rotterdam verbleven, hadden veel klachten over de cel. Zo was er volgens hen een gebrek aan privacy omdat de deur van de douche niet dicht kon en werd er veel overgegeven in de cellen wegens zeeziekte. Ook was er een klacht over de televisie. Een Aziatische man vertelde: “Er zaten geen muziekzenders op de televisie. En soms werden kanalen uitgeschakeld. Als er bijvoorbeeld bij NOVA iets was over Verdonk, werd het kanaal uitgezet. Dan was er zogenaamd een storing of zo iets. Ze waren bang dat er woede zou ontstaan bij het zien van deze programma’s en wilde het zo rustig mogelijk houden en zo min mogelijk problemen creëren.” Tot slot klaagden de respondenten uit Rotterdam over de gebrekkige hygiëne in de cel. Ook de respondenten die in de detentiecentra te Roermond en Zeist verbleven, klaagden hierover.
Persoonlijke bezittingen op cel
De geïnterviewde vreemdelingen vertelden behalve kleding en schoenen geen of weinig persoonlijke bezittingen mee te mogen nemen op cel. Ze zeiden bij aankomst een pakket te krijgen met daarin zeep, scheerschuim, tandpasta en andere spullen voor de persoonlijke verzorging. Als ze persoonlijke bezittingen op cel wilden hebben, moesten ze een formulier invullen om zo toestemming te vragen, aldus de geïnterviewden. Een man die op de boot te Rotterdam verbleef, vertelde: “Je kreeg helemaal niets! Je moest je kleren inleveren en dan op een bonnetje schrijven wat je nodig hebt. Als je toestemming had, kreeg je het. Zo mocht je bijvoorbeeld geen nagelknipper meenemen. Alleen als je die nodig had, kreeg je een kleintje.” Dit leidde tot frustratie bij een groep respondenten: “Je mag alleen je kleding meenemen en ze geven je helemaal niets! Ik kreeg niet eens mijn eigen aftershave. En dat was wel nodig omdat ik Afrikaans haar heb en dat is erg stug. Dat kan ik niet met de mesjes van daar scheren. Dan gaat mijn huid helemaal kapot. Maar ik kreeg mijn eigen aftershave niet. En ik moest eerst een brief schrijven voordat ik naar de kapper mocht om me te laten scheren.” Een Afrikaanse jongen sprak verdrietig: “Je mag niet alles meenemen. Mijn gsm, rekenmachine en schoolmateriaal moest ik daar laten.” Het werd door de meeste respondenten werd het betreurd dat ze geen of weinig persoonlijke bezittingen mee op cel mochten nemen. Voor een kleine groep respondenten was dit extra moeilijk omdat het kleine beetje bagage dat ze hadden afkomstig was uit het land van herkomst. Ze wilde dit graag bij zich houden omdat ze bang waren het kwijt te raken
Ook vertelden een aantal respondenten dat ze geen spullen bij zich hadden toen ze werden aangehouden. Een deel van hen gaf aan soms lang te hebben moeten wachten voordat ze over eigen kleding konden beschikken. Ze liepen dan tot hun grote frustratie lang in dezelfde kleding. Zo vertelde een Afrikaanse man: “Ik ben toen overgebracht naar Soesterberg. Ik had helemaal geen spullen bij me. Alleen mijn spijkerbroek, jas en telefoon.”
Tot slot bleek uit de verhalen van de geïnterviewde vreemdelingen dat er verschillen bestonden tussen de detentiecentra wat een vreemdelingen in zijn cel mocht hebben. Zo mochten de respondenten soms wel (maximaal 50,- euro) en soms geen geld meenemen op cel. Ook mochten sommige respondenten wel foto’s en brieven aan de muur ophangen en anderen niet. Dit was afhankelijk van het detentiecentrum waar de vreemdeling verbleef en het personeel dat hier werkzaam was.
Ervaringen in de cel
De meeste respondenten hebben het verblijf op cel als erg zwaar ervaren door de minimalistische inrichting en het geringe aantal persoonlijke bezittingen dat ze mee mochten nemen. Ze vertelden dat (cellen in) de detentiecentra niet geschikt waren voor vrijheidsontneming van vreemdelingen. Dit gold vooral voor de detentieboten te Rotterdam. Een man afkomstig uit Centraal Azië sprak: “De boot is niet goed. Het is een gevangenis voor criminelen, niet voor vluchtelingen. (…) Vluchtelingen zijn daar altijd depressief en bang. Ze denken er de hele tijd, 24 uur per dag.” De respondenten hadden het idee slechter af te zijn dan strafrechtelijk veroordeelden. Een andere Aziatische man zei: “Er is een enorm verschil tussen een huis van bewaring en vreemdelingenbewaring. Dat verschil is enorm overdreven. Een Nederlandse burger wordt op zo’n manier gestraft, terwijl een illegaal niets gedaan heeft, maar iets veel ergers krijgt. Ze worden behandeld als kuddedieren om maar zo min mogelijk uit te geven. Ze zouden dat gelijk moeten maken.”
Ook hadden de minimalistische omstandigheden in de cel een slechte invloed op de gemoedstoestand, aldus veel geïnterviewden. Een man stelde: “Het verblijf in de cel was niet goed. De ruimte was te klein. De communicatie was niet goed. Je weet niet wat je moet doen. Ook niet met je eigen gevoel. Je psychische gesteldheid is hier niet goed. Je wordt gedwongen medicijnen te slikken. Dit gebeurt te veel. Als hier iemand nieuw binnenkomt, is hij binnen een maand psychisch niet goed.” Vooral de respondenten op de detentieboten hadden het erg moeilijk: “Je had hier geen ruimte. Je kon alleen liggen of zitten en niets meer. Er was een laag plafond en je voelde het constant bewegen door het water. Er werd veel overgegeven daar in verband met zeeziekte.” Een aantal geïnterviewden had ook moeilijkheden met het slapen in de detentiecentra: “Zelfs ’s nachts kun je niet slapen. De bewaarders lopen dan een ronde en lopen op hun enorme schoenen als olifanten te stampen. Het is een boot, dus je hoort alles. Dus hier word je iedere keer wakker van. Maar je mag hier niets van zeggen. Dan vinden ze je brutaal. Maar zij zijn ook brutaal. En je hebt totaal geen privacy. Er zijn gipsplaten, dus je hoort alles. Je kunt bij wijze van spreken een gat in de muur maken met je vinger.”
De slechte omstandigheden veroorzaakten veel onbegrip bij de respondenten. Een minderjarig meisje verwoordde dit als volgt: “Het was een heel raar gevoel. Je wordt als een crimineel of als een dier opgesloten en je weet niet waarom ze je zo behandelen want je hebt niets gedaan.” Volgens enkele geïnterviewde vreemdelingen was dit niet goed voor het gevoel van eigenwaarde: “Het is heel lastig. Voor jezelf en voor andere mensen. Je bent niets in de wereld: je zit opgesloten, bent hulpeloos. Voor jonge mensen is het helemaal moeilijk. Je zit op een kamer met gipsplaten en je kunt alles horen wat ze zeggen, het lopen, het slaan in de muur. Je kunt niet slapen en krijgt hoofdpijn. Je wordt gek!” Het merendeel van de respondenten vond het dan ook erg moeilijk om lang op cel te verblijven: “Het was hel! Echt! Het was zo moeilijk.”
3.3 Het programma
De achtenveertig vreemdelingen spraken vervolgens over het programma in de detentiecentra. Ze vertelden over de recreatie, het luchten, het onderwijs, de arbeid en de sportmogelijkheden. Deze onderwerpen komen in deze paragraaf achtereenvolgens aan de orde.
Het dagprogramma
Het dagprogramma in de detentiecentra was volgens de respondenten afhankelijk van het geldende regime. Uit de interviews bleek dat de afdelingen waar het Rrg van kracht was, het meest ruime dagprogramma kenden. Daar werden de vreemdelingen ’s ochtends rond 8:00 gewekt en ’s avonds rond 17:00 of 20:45 uur weer ingesloten. Gedurende de dag konden de respondenten afhankelijk van het programma luchten, sporten, naar onderwijs of naar de bibliotheek. In de meeste detentiecentra werd de lunch verplicht op de kamer gebruikt, maar in het grenshospitium te Amsterdam werd gezamenlijk op de afdeling geluncht. Kinderen verbleven altijd op een afdeling met een dergelijk programma.
De inrichtingen en afdelingen waar de Pbw gold, kenden een korter dagprogramma volgens de respondenten die op zo’n afdeling verbleven. Ze vertelden het grootste gedeelte van de dag in hun cel door te brengen en op vaststaande tijden te mogen luchten, sporten en recreëren. De lunch en het avondeten werden volgens hen op hun kamer te gebruikt. Het detentiecentrum Roermond stond bij de geïnterviewde vreemdelingen bekend om haar minimale voorzieningen. De respondenten die hier verbleven, vertelden dat ze sommige dagen nog geen twee uur van hun cel af mochten. Daarin moesten ze zich ook wassen en douchen, want ze hadden alleen een chemisch toilet en flessen water op hun kamer.
Recreatie
Recreëren vormde een onderdeel van het dagprogramma. Uit de interviews bleek dat de tijd die in de recreatieruimte mocht worden doorgebracht per inrichting verschillend was. Zo mochten sommige geïnterviewde vreemdelingen één uur per dag recreëren, terwijl anderen van 8:00 tot 20:45 uur in de recreatieruimte mochten komen. De voorzieningen in de recreatieruimtes waren wel vergelijkbaar. Meestal stonden er tafelvoetbaltafels of tafeltennistafels, spelletjes zoals schaken, dammen en scrabble, een televisie en soms een biljart. Vreemdelingen konden hier samen zitten om met elkaar te praten. Volgens een aantal respondenten waren in een aantal detentiecentra de spelletjes incompleet en ontbraken de tafeltennisbatjes waardoor ze niets in de recreatieruimte konden doen. Op één afdeling in Zeist waren volgens enkele respondenten de stoelen kapot zodat ze hier niet konden zitten.
Veel respondenten vertelden in het begin van hun detentie vaak naar de recreatieruimte te gaan voor afleiding en steun. Na verloop van tijd gaven zij er echter de voorkeur aan om tijdens de recreatie op cel te verblijven. Dit vanwege de gespannen sfeer op de afdeling en omdat ze er constant in de gaten werden gehouden en werden geconfronteerd met de ellende van anderen, aldus een groot deel van de respondenten. Een Afrikaanse vrouw die in het grenshospitium verbleef, vertelde: “Er zijn daar veel mensen met wie je kunt praten. Je leert er veel van andere culturen. (…) Ik wilde me niet vervelen en kwam daarom veel uit mijn cel toen ik nieuw was. Later wilde ik hen niet meer zien en niet meer met hen praten. Ik zat toen meer in mijn kamer.” De respondenten gaven aan dat het dan emotioneel te zwaar werd om in de recreatieruimte te verblijven. Een man uit het Midden Oosten verwoordde dat als volgt: “In het begin ging ik wel naar recreatie. Na een maand niet meer. Dan wilde ik alleen nog maar op mijn kamer zitten. Zelf sporten en televisie kijken. Ik was helemaal kapot en heb mezelf geheel afgezonderd. Ik kon er niet meer tegen. Er was altijd een spanning. Er werd altijd gevochten en er waren altijd problemen.”
Luchten
Dit geldt ook voor het luchten. Veel geïnterviewde vreemdelingen gaven aan het luchten fijn te vinden omdat ze dan frisse lucht in konden ademen die in de cellen vaak ontbrak. Naarmate ze langer in detentie zaten, bleven ze echter liever op hun kamer dan dat ze gingen luchten.
Uit de interviews bleek dat er grote verschillen bestaan wat betreft het luchten. Zo vertelden de geïnterviewde vrouwen en kinderen tussen 8:00 en 16:45 uur naar de luchtplaats te mogen, terwijl respondenten uit andere inrichtingen één uur per dag mochten luchten. Ook waren de luchtvoorzieningen erg verschillend. Uit de verhalen bleek dat de luchtplaats in sommige detentiecentra een open ruimte was met daaromheen stenen muren, soms een kooi die aan alle kanten begrenst werd door tralies en soms een open ruimte omheind met hekken en prikkeldraad. De geïnterviewden die in een kooi moesten luchten, vertelden zich net een dier of een crimineel te voelen doordat ze omringd waren met tralies en niet naar buiten konden kijken. Ook vertelden respondenten op sommige luchtplaatsen niets te kunnen doen behalve rondjes lopen en zitten. En volgens hen waren een aantal luchtplaatsen te klein voor het grote aantal mensen dat er tegelijkertijd luchtte. Dit heeft vooral veel indruk op de geïnterviewde kinderen gemaakt. Een dertienjarig meisje vertelde: “Er waren overal tralies. Je voelde je net als een crimineel. Het was niet zo groot en ook boven waren tralies. En er was een hek met iets groens er omheen zodat je niets ziet.” Maar ook volwassen respondenten waren niet te spreken over het luchten. Een man uit Centraal Azië vertelde: “In Rotterdam was het echt een kooi. Ben je ooit in de zoo geweest? Je kunt alleen maar rondjes lopen, net zoals een kudde dieren. Het is bedoeld om frisse lucht te krijgen. Iets anders kun je niet doen. Als het regent of koud is, moet je je tijd volmaken. Je kunt niet eerder naar binnen. Er is te weinig personeel. Ook als je bijvoorbeeld diarree hebt, mag je niet eerder naar binnen.” Het luchten werd dus zowel positief als negatief ervaren door de respondenten. Dit was afhankelijk van het detentiecentrum waar de vreemdeling verbleef.
Onderwijs
De respondenten vertelden dat er voor kinderen in detentiecentra onderwijs werd aangeboden. In het grenshospitium te Amsterdam, de detentiecentra te Zeist en Heerhugowaard en in het uitzetcentrum te Rotterdam verbleven kinderen. Het onderwijs was hier echter van bedenkelijk niveau volgens de geïnterviewde kinderen en hun ouders. Ze vertelden dat kinderen van alle leeftijden bij elkaar werden gezet en dan werden begeleidt door één leraar. Een Aziatische vrouw vertelde: “Wij zijn overgeplaatst naar Heerhugowaard vanwege de onderwijsvoorzieningen. Maar het onderwijs was niet goed. Kinderen tot 12 jaar zaten in één klas. Ze leren er alleen maar spelen. Ze gaan er een paar keer per week naar toe en er is alleen maar een beetje speelgoed. Het stelt niet veel voor.” Andere geïnterviewde kinderen bevestigden dat het onderwijs maar weinig voorstelde en dat ze vooral speelden en maar weinig leerden: “Het was meer een crèche.” Het slechte onderwijs werd betreurd omdat de kinderen ‘stilstonden’ en een achterstand opliepen die moeilijk weer in te halen was, zeker naarmate ze langer in detentie verbleven.
In de meeste detentiecentra was een bibliotheek aanwezig. Alle respondenten juichten dit toe, ook al waren ze niet te spreken over de hoeveelheid en de kwaliteit van de boeken. Er waren volgens hen te weinig boeken en het niveau was erg laag. Tevens waren er weinig boeken in verschillende talen beschikbaar, waardoor maar weinig mensen de mogelijkheid hadden om daadwerkelijk te lezen, aldus de geïnterviewde vreemdelingen.
Arbeid
Momenteel kunnen vreemdelingen in detentiecentra niet meer naar de arbeid. Tot 2007 bestond deze mogelijkheid in het detentiecentrum te Tilburg. Hier voerden vreemdelingen productiewerk uit. De respondenten die hier verbleven, vertelden het werk saai te vinden maar te waarderen. Ze waren blij met de afleiding: “Je werkt niet voor het geld, maar voor de contacten. Tijdens de arbeid kon je communiceren. De tijd gaat dan wat sneller en je hebt wat afleiding. Dan voelt het even niet alsof je in de gevangenis bent.”
In overige instellingen was er geen arbeid. Wel werd hier volgens de geïnterviewden iemand aangesteld voor het schoonmaakwerk. Volgens hen kon een vreemdeling aangeven of hij interesse had in het werk. Dan werd zijn naam op de lijst gezet. Als hij aan de beurt was, mocht hij de gangen, de recreatieruimte en de wc’s schoonmaken. De reinigers vertelden dit niet het leukste werk te vinden, maar het wel te waarderen. Ze waren blij iets te doen te hebben en de verveling te kunnen doorbreken. Ook het constante nadenken over de eigen situatie werd zo doorbroken volgens hen. Er was echter niet genoeg schoonmaakwerk voor iedereen. Dit werd door sommige respondenten betreurd. Ook zij zouden graag iets om handen hebben gehad.
Sport
De respondenten zeiden dat sport ook veel afleiding gaf. Ze vertelden dat sport erg belangrijk was omdat het diende als uitlaatklep om de ellende even te vergeten. Respondenten die op de boten en in het uitzetcentrum te Rotterdam verbleven, betreurden het dan ook dat zij niet konden sporten wegens het ontbreken van sportfaciliteiten. Ze beschouwden rondjes lopen op de luchtplaats niet als sport. De geïnterviewden uit de overige inrichtingen waren erg blij met de sportmogelijkheden die hen geboden werden en waardeerden dat ze soms konden fitnessen, voetballen, volleyballen en handballen. In het begin gingen ze vaak sporten. Naarmate ze langer in detentie verbleven, kreeg de stress vat op hen waardoor ze geen zin meer hadden of het niet meer konden opbrengen om met de groep te sporten. Een enkele geïnterviewde vreemdeling deed dan oefeningen op zijn cel om zo toch gezond en in conditie te blijven.
3.4 De zorg
De geïnterviewde vreemdelingen vervolgden hun verhaal met hun ervaringen over het eten, de medische zorg, de psychologische en psychiatrische zorg, de geestelijke verzorging, de juridische bijstand en de begeleiding tijdens de detentie. Hun ervaringen worden in deze paragraaf opgetekend.
Het eten
Veel vreemdelingen trokken een vies gezicht als ik hen naar het eten in de detentiecentra vroeg. Zij vertelden dat het eten niet lekker en niet goed was omdat ze elke dag hetzelfde kregen en dit eigenlijk niet genoeg was. Ze stelden brood, beleg en één warme maaltijd te krijgen die in sommige inrichtingen in de magnetron moest worden opgewarmd. In het grenshospitium werden de maaltijden gezamenlijk genuttigd, maar in overige inrichtingen werd veelal op cel gegeten volgens de geïnterviewde vreemdelingen. In sommige detentiecentra bestond de mogelijkheid om eten in een speciale winkel in de inrichting te kopen of door middel van een lijst te bestellen. Voor de meeste respondenten was dit echter te duur, waardoor zij aangewezen waren op het voedsel in de inrichting.
Het eten zorgde voor problemen bij een aantal van de respondenten. Een Afrikaanse man vertelde: “De mensen komen voor de eerste keer in Europa en worden meteen in de gevangenis gezet. Daar eten ze voor het eerst Europees voedsel. Als je hier niet aan gewend bent, is dit erg moeilijk te eten. Daarom veroorzaakt dit zoveel problemen: mensen kunnen het niet eten en worden er ziek van. Je krijgt eten dat je nog nooit hebt gegeten.” Veel geïnterviewde vreemdelingen hadden het idee elke dag hetzelfde te eten. Een Aziatische man gaf aan: “Het is niet te vreten, maar je moet wel eten om te overleven.” Voor de kinderen was dit vooral moeilijk, volgens enkele respondenten. Zeker als de bewaarders frietjes of iets anders te eten bestelden en in hun bijzijn opaten terwijl zij zelf niets mochten bestellen, aldus een paar geïnterviewden.
Er waren echter ook positieve verhalen te beluisteren over het eten. Zo werd er volgens een aantal respondenten rekening gehouden met bepaalde overtuigingen zoals geloof en vegetarisme en kregen kinderen veel fruit, melk en groente. En een kleine groep geïnterviewde vreemdelingen vond het eten in de detentiecentra wel lekker.
Medische zorg
De geïnterviewde vreemdelingen uit alle detentiecentra klaagden ook veel over de medische zorg die ze in de inrichting gekregen hebben óf juist niet gekregen hebben. Ze beschouwden de medische zorg in de inrichtingen als één van de slechts geregelde zaken in de detentiecentra. Dit leidde tot irritatie bij veel van de geïnterviewde vreemdelingen: “Het was echt heel erg. Echt niet goed geregeld. Als een kind ziek was, kreeg ze paracetamol. Als het geen gevaarlijke ziekte is, wilden ze niet behandelen. En als kinderen midden in de nacht koorts kregen, mochten ze niet de deur openen. Je moest een briefje invullen en twee á drie dagen wachten. Je kreeg altijd paracetamol en water. Op het laatst was er een kindje dat hoge koorts had en ook paracetamol kreeg. Ze was bijna dood. Ze lag te spugen en te schudden. Ze is bijna dood gegaan. Hierna werd wel de deur open gedaan, want de mensen waren verantwoordelijk als er iets gebeurde.”
Uit de interviews bleek dat de procedure om medische hulp te krijgen in alle detentiecentra hetzelfde was: de vreemdeling moest een formulier invullen om toegang te krijgen tot een dokter of verpleegster. Indien er alleen een verpleegster aanwezig was, bepaalde zij of de vreemdeling een dokter mocht zien. Bij de dokter werd zoals gebruikelijk de diagnose gesteld en eventueel medicatie of behandeling voorgeschreven. De procedure verliep echter niet goed volgens de respondenten. Zo vertelden ze dat ze lang moesten wachten om uiteindelijk een verpleegster of een dokter te zien te krijgen. Volgens hen was een week wachten geen uitzondering. Ook niet voor kinderen. Ze vertelden dat ze lang pijn leden en dat de klachten verergerden doordat ze niet tijdig geholpen werden. Dit leidde tot veel frustratie bij de respondenten, in het bijzonder als er kinderen bij betrokken waren: “Mijn zoon was een heel weekend ziek. Hij had hoge koorts en een infectie. Hij kreeg een halve paracetamol per dag. Dat moest de pijn onderdrukken totdat de dokter kwam. Die kwam pas op maandag!” Volgens de geïnterviewde vreemdelingen wachtten de bewaarders ook lang voordat ze kwamen helpen, vooral als ze problemen kregen als ze ingesloten waren: “Als je roept vanuit je kamer, komen ze. Indien het erg is, kijken ze door het luikje. Indien het heel erg is, doen ze de deur open. Je vraagt om tabletten en die krijg je dan een paar uur later. Alleen paracetamol, meer krijg je niet. Je moet gewoon met de pijn door blijven gaan,” vertelde een man uit het Midden Oosten. Volgens een Afrikaanse man moest een vreemdeling bijna dood gaan voordat hij geholpen werd. Hij vertelde dat een bewaarder tegen hem had gezegd: “Je gaat niet dood. Alleen dan roep ik een dokter.”
Respondenten uit alle detentiecentra vertelden dat de ‘paracetamolremedie’ veelvuldig werd gebruikt. Een Afrikaanse man heeft me uitgelegd wat dit betekent: “Voor alle klachten werd paracetamol voorgeschreven, zelfs als er een beter middel voorhanden was. Tandpasta, crème, zalf, medicijnen en andere middelen mochten niet ingevoerd worden. Ik had tandpijn en last van mijn tandvlees. Ze deden er niets aan. Er was goede tandpasta waarmee het over zou gaan, maar die heb ik niet gekregen.” Een andere Afrikaanse man vertelde: “Er waren mensen met een huidziekte en vochtbultjes, waarvoor ze hun huid moesten scrubben. Ik ook, maar ik kreeg geen zalf of crème die ik nodig had.” Uit de interviews bleek dat meerdere vreemdelingen niet over de juiste geneesmiddelen konden beschikken terwijl deze makkelijk te verkrijgen waren.
Een aantal respondenten zei het idee te hebben dat de dokter hen niet goed behandelde. Ze vertelden dat medische ingrepen werden uitgesteld of in zijn geheel niet werden uitgevoerd. Volgens hen mocht een vreemdeling slechts een enkele keer naar het ziekenhuis voor een operatie of een behandeling. Zo vertelde een man dat hij niet naar het ziekenhuis mocht: “Ik had slechte nieren. Er zat niersteen in. Ik kreeg tabletten en mocht niet naar het ziekenhuis. Ik moest in deze situatie blijven en ik kreeg alleen paracetamol. Of helemaal niets. (…) Mensen mogen daar niet naar het ziekenhuis, alleen als het de laatste fase voor de dood is.” Een Afrikaanse man vertelde: “Ik was heel erg ziek en toen hebben ze mij geboeid naar het ziekenhuis gebracht. Daarna was ik nog steeds heel erg ziek en moest ik weer naar het ziekenhuis. Maar toen werd ik overgeplaatst. Terwijl ik erg ziek was, kon ik niet meer naar het ziekenhuis. Ik hoorde later dat de dokter erg verbaasd was dat ik niet naar het ziekenhuis was gekomen. They just don’t care!” Ook anderen respondenten stelden niet geopereerd te zijn omdat ze werden ontslagen of overgeplaatst. Enkele vreemdelingen vertelden dat medische hulp in het detentiecentrum niet noodzakelijk werd geacht, maar dat een andere dokter van buiten het detentiecentrum er na het ontslag anders over dacht. Een paar respondenten is echter wel naar een ziekenhuis geweest. Een jongen vertelde hoe zijn bezoek aan het ziekenhuis eruit zag: “Toen ik naar het ziekenhuis ging, kreeg ik een stok in mijn broek. Zij (de bewaarders) gingen zitten slapen, terwijl ik niet kon zitten vanwege de stok in mijn broek. En dat terwijl ze weten dat ik niets zal doen. Maar ja, het is hun werk, zoals ze zelf zeggen.” Hij heeft dit als erg vernederend ervaren. Twee respondenten vertelden een verhaal over een vreemdeling met een gebroken arm die geboeid naar het ziekenhuis moest.
De geïnterviewde vreemdelingen vertelden tot slot door het lange wachten op de dokter, het gebruik van de ‘paracetamolremedie’ en de gebrekkige behandeling het idee te hebben gekregen dat de dokter niets om hen gaf en hen niet wilde helpen. Een vrouw die in het grenshospitium verbleef, vertelde: “De medische zorg was heel erg. Er was geen controle of behandeling. Er was nooit iets aan de hand. Het was allemaal goed. En dan kreeg je geen behandeling en werd je weggestuurd. Een verpleegster heeft gezegd: ‘jullie maken geen kans. Je kunt maar beter oprotten.’ Zo was de houding van de artsen.” Bij veel respondenten bestond het idee dat ze terug moesten naar hun eigen land om medische hulp te krijgen. Een paar respondenten vertelde blijvende klachten te hebben overgehouden doordat ze geen of te laat medische zorg kregen. Hierdoor werd de medische zorg door de respondenten als één van de slechtst geregelde zaken in de detentiecentra beschouwd.
Psychologische en psychiatrische zorg
De geïnterviewde vreemdelingen waren ook erg kritisch over de psychologische en psychiatrische zorg in de detentiecentra. Het bleek in de meeste inrichtingen erg moeilijk te zijn om met een psychiater of psycholoog te praten. In detentiecentrum Zeist was echter één keer per week een psychiater aanwezig en ook op het uitzetcentrum te Rotterdam kon met een psychiater worden gepraat.
Veel geïnterviewde vreemdelingen gaven aan de behoefte te hebben gevoeld met een psychiater of psycholoog te praten. Er zijn echter maar weinig respondenten die deze hulp hebben gehad. Veel van hen beschouwden het ontbreken van psychologische en psychiatrische hulp dan ook als gemis. Een man die op de detentieboten en in het grenshospitium verbleef, vertelde: “Alles werd opgelost met paracetamol en slaappillen zonder aandacht aan je probleem te besteden.” Een slachtoffer van de Schipholbrand die aan dit onderzoek meewerkte, vertelde een vergelijkbaar verhaal: “Er was een psycholoog in de gevangenis. Die wilde tabletten geven, maar ik durfde ze niet te nemen. Ik was bang om te slapen en dat er dan iets zou gebeuren. (…) Ze hebben me niet geholpen, alleen tabletten gegeven. Ik denk dat ik vrijgelaten ben vanwege deze psychische problemen. Het is beter voor me om vrij te zijn omdat ik dan meer rust krijg. Ik ben vrijgelaten om psychologische redenen, maar niet lang daarna weer opgepakt en weer teruggebracht naar een gevangenis.” Een aantal van de respondenten stelde nu nog te kampen met slaapproblemen, depressief of erg down te zijn en antidepressiva of slaapmedicatie te gebruiken. Zij dachten dat hun situatie verslechterd was doordat er niemand was bij wie ze terecht konden met hun problemen. Een man die op een detentieboot verbleef, vertelde: “Er was geen zorg en er was geen medicatie. Als mensen niet op iemands schouder terecht kunnen, willen ze zichzelf om gaan brengen. Het is een heel zware situatie.” Een vreemdeling die ik heb gesproken heeft getracht zichzelf om te brengen en andere respondenten vertelden gezien te hebben dat andere vreemdelingen probeerden zelfmoord te plegen. Ook waren er vreemdelingen die niet mee konden werken aan dit onderzoek omdat ze het emotioneel niet aan konden over hun tijd in detentie te praten.
Er waren echter ook respondenten die van mening waren dat een psychologisch/psychiatrisch rapport geen verschil maakte: als de vreemdeling wel een psychiater bezocht en deze zei dat de problemen van de vreemdeling (hoopfdpijnaanvallen, depressies) voortkwamen uit de detentie, dan werd de vreemdeling volgens hen toch terug gestuurd naar zijn cel. Deze kleine groep geïnterviewde vreemdelingen was daarom van mening dat het geen zin had om met een psychiater te praten.
Geestelijke verzorging
De meeste geïnterviewde vreemdelingen waren wel erg enthousiast over de geestelijke verzorging in de detentiecentra. Ze vertelden dat er zowel een imam als een pastor aanwezig was die één keer per week een dienst leidde waar de vreemdelingen aan deel konden nemen. In Roermond was er één keer in de twee weken een dienst. Ook vertelden de geïnterviewde vreemdelingen dat er in de meeste inrichtingen ruimte was voor een persoonlijk gesprek met de pastor of de imam. De vreemdeling moest dan een formulier invullen of na afloop van de dienst duidelijk maken dat hij graag met de imam of de pastor wilde praten. Diezelfde week volgde er dan een kort gesprek. Hier was een bewaarder bij aanwezig, tenzij de vreemdeling in het geheim met één van hen sprak. Dit gebeurde volgens enkele respondenten uit het grenshospitium te Amsterdam in de bibliotheek of op cel.
Het merendeel van de respondenten had erg veel waardering voor de geestelijk verzorgers. Zij vertelden dat de geestelijk verzorgers hen steunden en hen hielpen moed te houden en te hopen op betere tijden. Ze wisten dat het geen oplossing was, maar bidden hielp hen de tijd in detentie door te komen. Wel werden er enkele kanttekeningen geplaatst door de respondenten. Zo werd het door hen betreurd dat er maar weinig tijd was voor een persoonlijk gesprek. Ook was er bij het gesprek een bewaarder aanwezig, wat het volgens de geïnterviewden erg moeilijk maakte om over hun situatie te praten. Tot slot was er niet voor iedereen een geestelijk verzorger aanwezig. In het grenshospitium was bijvoorbeeld een soennitische imam terwijl daar ook sjiietische moslims verbleven. Zij hadden daardoor geen mogelijkheid om naar een geestelijk verzorger te gaan. Maar ondanks deze kanttekeningen waren de meeste respondenten erg tevreden met de geestelijke verzorging.
Dit geldt niet voor de respondenten die op de detentieboten te Rotterdam verbleven. Zij vertelden niet enthousiast te zijn over de geestelijk verzorger omdat hij de vreemdelingen niet hielp en hen geen steun bood. Zo vertelde een man afkomstig uit het Midden Oosten over het gesprek dat hij had met de pastor: “De pastor praatte alleen over mij en mijn zaak en niet over God of de bijbel. Ik vroeg hem of ie in dienst van God of van de IND was. Ik hoefde hem niet meer te zien. Hij was er alleen maar om informatie over je te verzamelen.” Andere geïnterviewde vreemdelingen die op de boot verbleven, vertelden een vergelijkbaar verhaal. Zij waren in tegenstelling tot de respondenten uit andere detentiecentra niet positief over de geestelijke verzorging.
Juridische bijstand
De geïnterviewde vreemdelingen hadden erg verschillende ervaringen met advocaten tijdens hun detentie. Er waren respondenten die een advocaat toegewezen hadden gekregen en respondenten die zelf een advocaat hadden uitgezocht. Deze laatste groep was vaak tevreden. Ze hadden het idee dat de advocaat zijn best deed en hen goed probeerde te helpen. Ze zeiden zonder de hulp van de advocaat misschien nog wel vast te hebben gezeten. Veel respondenten vertelden echter wel meerdere advocaten te hebben gehad omdat ze niet tevreden waren over de eerste advocaat. Deze werd soms gevonden met behulp van de lijst met telefoonnummers van advocaten die bij de telefoon lag, maar vaak werd er via via een advocaat gevonden door de respondenten. Ze keken dan welke advocaat veel mensen vrij had gekregen en namen deze in de arm. Dit leidde bij de respondenten vaak tot tevredenheid. Ook een klein gedeelte van de respondenten die een advocaat had toegewezen gekregen, vertelde goed geholpen te zijn en tevreden te zijn. Er was echter ook een groep geïnterviewden met toegewezen advocaat die erg ontevreden was. Zij hadden het gevoel dat hun advocaat niets voor hen gedaan had. Zo vertelde een Afrikaanse man: “Mijn advocaat heeft me nooit opgezocht. Het was een arrogante advocaat. Hij werd verondersteld te komen, maar dat heeft hij nooit gedaan. (…) Veel advocaten weten niet eens waar hun cliënt nu eigenlijk is. Ze doen helemaal niets voor je omdat je ze niet kunt betalen. Hypocrieten!”
Begeleiding tijdens de detentie
De geïnterviewde vreemdelingen vertelden tijdens de detentie geen begeleiding te krijgen. Ze waren voornamelijk aangewezen op zichzelf, hun lotgenoten en het personeel in de inrichting. Maatschappelijk werk of een andere vorm van begeleiding was volgens hen niet toegestaan. Wel konden vreemdelingen praten met de IND of een terugkeerfunctionaris. Deze gesprekken gingen volgens de geïnterviewden echter alleen over de terugkeer. De geestelijk verzorger bood hen meer steun. De respondenten zeiden tijdens hun detentie begeleiding te hebben gemist. Zeker diegenen die voor hun detentie in contact stonden met maatschappelijk werk, misten een psycholoog of een andere hulpverlener. Zij waren erg blij met de hulp die ze kregen van Vluchtelingenwerk Nederland en bezoekgroepen, omdat ze hier de steun vonden die ze zeiden te missen.
3.5 Contacten in en buiten de detentiecentra
De geïnterviewde vreemdelingen spraken hierna over de contacten die ze hadden met celgenoten, vreemdelingen op de afdeling, het personeel in de detentiecentra en met de buitenwereld. In deze paragraaf komen deze contacten aan bod.
Het contact met celgenoten
De geïnterviewden uit de detentiecentra gaven aan het grootste gedeelte van de dag tijdens de detentie op cel te verblijven. Soms zaten ze hier alleen, maar vaak met twee, vier, zes, acht of zelfs negen personen. De directeur of het personeel bepaalde de indeling op basis van de komst van vreemdelingen en de beschikbare plaatsen in de cellen. Hij hield hierbij volgens de respondenten geen rekening met persoonlijke voorkeuren. In het grenshospitium te Amsterdam was dit wel het geval. De geïnterviewden die hier verbleven vertelden aan te kunnen geven met wie ze een cel wilden delen en dat hier rekening mee werd gehouden. Door een demonstatie van de gedetineerde vreemdelingen werd dit later ook mogelijk op de detentieboten te Rotterdam. Dit werd erg gewaardeerd door de respondenten die hier verbleven. De geïnterviewde gezinnen en echtparen vertelden samen in een cel te hebben verbleven. Grote gezinnen verbleven volgens hen in twee cellen naast elkaar met daartussen een deur zodat ze naar elkaar toe konden. Soms werd er een extra bed bijgezet om ze allemaal samen te kunnen laten zijn. Dit werd erg op prijs gesteld door deze geïnterviewde gezinnen.
Er waren respondenten die het fijn vonden een cel te delen. Dit betekende aanspraak, levendigheid en afleiding, een lege cel was daarentegen erg eenzaam. Er waren echter ook geïnterviewden die het moeilijk vonden een cel te delen. Een Afrikaanse man verwoordde dit als volgt: “De situatie in de kamers is niet goed voor de mensen. Je hebt verschillende gewoontes, gedachten en komt van verschillende landen. Het is moeilijk om met vier of zes mensen te leven. Taal is één van de grootste problemen. Als je in een kamer zit met twee mensen, kun je soms niet eens samen praten.”
Moeilijkheden tussen celgenoten ontstonden volgens de respondenten vooral door de gebrekkige communicatie. Ze vertelden dat Chinezen, Afrikanen en Arabieren bij elkaar op cel werden gezet zonder dat er met de taal rekening werd gehouden. Celgenoten waren hierdoor niet altijd in staat met elkaar te communiceren. Een man uit het Midden Oosten verduidelijkte dit met een voorbeeld: “Er was een jongen uit een Afrikaans land die geen Nederlands sprak, maar wel een beetje Engels. Dat gold ook voor mij. Ik probeerde met de jongen te praten, maar hij verstond niets. Later kwamen er twee anderen bij en die spraken helemaal niet. Dat was een moeilijke situatie” Het was echter een “come and go” in de cel. Door deze sterk wisselende samenstelling kon het zo zijn dat een vreemdeling de eerste maand niet in staat was met zijn celgenoten te praten, maar dat hij na een maand met vreemdelingen uit hetzelfde continent in één cel verbleef. Zo vertelde een Aziatische man: “Er was toevallig een container met mensen uit een Aziatisch land aangekomen, waardoor er erg veel mensen uit Azië waren met wie ik kon praten. Dat was fijn.” Ook werden de vreemdelingen door de taalproblemen gestimuleerd om Engels of Nederlands te praten. Een Afrikaanse man verduidelijkte: “Ik probeerde Engels te praten. Je moet het proberen, want je zit samen in dezelfde situatie. Soms was het erg moeilijk.”
Daarnaast veroorzaakte ook gedrag en het verschil in hygiëne, ritme en televisiesmaak moeilijkheden tussen celgenoten. Zo waren er volgens geïnterviewden bijvoorbeeld problemen tussen rokers en niet-rokers. Een man afkomstig uit het Midden Oosten vertelde dat hij graag een andere kamergenoot wilde: “Ik deelde mijn kamer met een jongen uit hetzelfde land. In het aanmeldcentrum zaten we ook samen op een kamer. Het was een goeie jongen, dus in het hospitium wilde we ook graag samen een kamer, maar hij rookte. Ik had hem gevraagd dat niet te doen, maar toen deed hij het op de wc. Dat was niet goed voor me en dan wilde ik niet.” Hierna heeft hij een andere kamer gekregen. Als er problemen waren tussen celgenoten, kon de samenstelling in een cel gewijzigd worden volgens de respondenten. En Afrikaanse vrouw vertelde bijvoorbeeld dat ze liever een cel voor zichzelf had: “Ik had heel veel stress en daarom heb ik gevraagd voor een kamer voor mezelf. Dat mocht.” Andersom gebeurde dit ook, vertelde een Afrikaanse jongen: “Ik deelde mijn kamer met een Engelssprekende man. Ik kon met hem praten. Maar daarna werd ik ziek en wilde niemand met mij in één cel, maar ik was bang en wilde liever mijn cel met iemand delen.”
Het contact met vreemdelingen op de afdeling
De respondenten vertelden in de recreatieruimte, tijdens het luchten en op andere momenten dat ze niet in hun cel waren ingesloten, contact te kunnen hebben met andere vreemdelingen op de afdeling. Het contact was volgens hen meestal goed, maar weinig.
Ze vertelden dat het beeld op de afdelingen net als in reguliere penitentiaire inrichtingen werd gekenmerkt door groepsvorming. Vreemdelingen trokken volgens hen naar vreemdelingen toe die hun cultuur deelden, dezelfde afkomst hadden of dezelfde taal spraken omdat dit de communicatie vergemakkelijkte. Een Afrikaanse man die in het grenshospitium verbleef, verwoordde de situatie op de afdeling als volgt: “Het was erg moeilijk. Iedereen heeft een verschillende cultuur, situatie, huidskleur. We kwamen uit alle delen van de wereld. Soms was het leuk, maar soms ook heel erg slecht. Sommigen wilden geen interactie. Veel mensen zijn niet gezond en voelen zich niet goed. Ze hadden niet verwacht en verondersteld op een dergelijke plaatst terecht te komen. Er zijn dan ook veel gevechten en mensen moeten vaak naar de isolatie.” Er hing dan ook een gespannen sfeer op de afdeling volgens de respondenten. Een Oost-Europese vrouw die in het grenshospitium verbleef, legde dit als volgt uit: “Het was altijd heel gespannen daar. (…) Je kon je niet ontspannen: je werd niet op de hoogte gebracht van besluiten van de IND en dan gebeurde het dat je ineens in de boeien werd geslagen en werd meegenomen. Daardoor was er nooit rust. Behalve in de weekenden. Dan kwam er niemand om je in de boeien te slaan en je mee te nemen.” De spanning werd volgens de respondenten ook vergroot door de aanwezigheid van het personeel. Ze vertelden zich nog verder beknopt te voelen in hun vrijheden doordat ze constant in de gaten werden gehouden door de toezichthouders. Maar ondanks de spanning en de ellende vonden de geïnterviewde vreemdelingen de sfeer op de afdelingen vrij goed: ze probeerden het beste van de slechte situatie te maken en elkaar te helpen indien nodig. Als iemand hier niet meer toe in staat was, trok hij zich terug in zijn cel, aldus de geïnterviewden.
De respondenten die op de detentieboten aan de Merwehaven verbleven, spraken negatiever over de sfeer dan de geïnterviewde vreemdelingen uit andere inrichten. Zij vertelden dat er zich veel problemen voordeden op de afdeling. De geïnterviewde mannen die hier verbleven, gaven aan dat het hier moeilijk was om samen te leven: “Er zijn veel problemen vanwege deze moeilijke situatie. Zo was er elke dag alarm vanwege het vechten. Er waren elke dag twee of drie problemen en dat is alleen nog maar op mijn afdeling.” Volgens de geïnterviewden was groepsvorming hier extra belangrijk hetgeen de sfeer niet ten goede kwam: “Er was een groep Russisch sprekenden, Afrikanen, Chinezen, Arabieren, enzovoorts. Dat gaat per taal en per continent. Reputatie is hier erg belangrijk. Wat je doet, met wie je omgaat, enzovoorts. Je wordt gerespecteerd of niet. En als je niet gerespecteerd wordt, heb je het zwaar. De jungle-rules gelden hier. In mannen zit altijd een beetje kind, en ze hebben last van bewijsdrang. En omdat je tussen de criminelen zit, is het zo erg. (…) De meeste conflicten ontstaan vanwege de telefoon, de televisie en mannelijkheid. Op de boot was een bepaalde groep die erg actief was. Zij hadden een goed contact met de bewaarders en sloten compromissen met hen. Als ik bijvoorbeeld suiker nodig had, ging ik naar de bewaarder en dan werd er geregeld dat ik suiker kreeg. Er was een soort van samenwerking, omdat wij de macht hadden op de boot. Mensen waren bang van ons omdat ze wisten dat wij ook met de bewaarders vochten. Zo waren er geen conflicten, maar dit gebeurde wel stiekem.” Dit ging ten koste van de sfeer en daarom vonden de geïnterviewde vreemdelingen die op de boot verbleven het waarschijnlijk moeilijker om samen te leven op de afdeling dan de respondenten uit andere detentiecentra.
Dit werd ook veroorzaakt door de aanwezigheid van criminele illegalen en bolletjesslikkers die op de detentieboten én in het detentiecentrum te Zeist op dezelfde afdeling verbleven als de geïnterviewde vreemdelingen. In de andere detentiecentra verbleven alleen vreemdelingen die geen toegang tot het land hadden gekregen, uitgeprocedeerde asielzoekers en illegalen. Het samen op één afdeling verblijven met criminelen veroorzaakte angst bij de geïnterviewde vreemdelingen. Een man uit het Midden Oosten die op de detentieboot heeft gezeten vertelde erg bang te zijn: “Mijn celgenoten waren geen criminelen, maar er zitten verschillende mensen op de boot en niet alleen maar vluchtelingen. Ik heb mijn riem maar goed dichtgemaakt zodat ze niet naar mij toe zouden komen. Ik wil daar niets mee te maken hebben.” Deze combinatie van vreemdelingen en criminelen zorgden voor een geladen sfeer volgens de respondenten die in deze centra verbleven.
Het contact met vreemdelingentoezichthouders
Geïnterviewden uit verschillende detentiecentra vertelden overeenkomstige verhalen over het werkzame personeel in de centra. Er was volgens hen in elke inrichting zowel goed als slecht personeel in dienst: er waren aardige, vriendelijke vreemdelingentoezichthouders die de vreemdelingen probeerden te helpen, maar er waren ook vreemdelingentoezichthouders die afkomstig waren uit een penitentiaire inrichting en de vreemdelingen behandelden alsof ze criminelen waren. Volgens de respondenten had deze laatste groep geen begrip voor de situatie waarin zij verkeerden: ze waren racistisch, provoceerden de vreemdelingen en ze lieten hen nog slechter voelen dan ze al deden. Vooral de respondenten die het psychisch erg moeilijk hadden, hadden geen goed woord over voor deze bewaarders.
Het was opvallend dat sommige respondenten extra streng waren voor bewaarders van allochtone afkomst. Ze verwachtten van hen meer begrip voor de situatie waarin ze verkeerden. De allochtone bewaarders werden daardoor extra streng beoordeeld door de geïnterviewden. Ze werden, vooral in detentiecentrum Zeist, door een gedeelte van de respondenten beschuldigd van nepotisme: ze zouden vreemdelingen van dezelfde afkomst, openlijk bevoordelen door hen langer te laten telefoneren, meer kleding te geven, enzovoorts. Ook waren de respondenten extra streng voor bewaarders die werkzaam waren in centra waar kinderen verbleven. Deze bewaarders moesten goed met de kinderen om kunnen gaan. Dit was volgens de geïnterviewden in deze centra echter niet altijd het geval. Zo vertelde een Aziatische vrouw die in het uitzetcentrum te Rotterdam verbleef: “Ze waren echt lang niet altijd even goed. Er was veel verschil in. Zo was er een vrouwelijke bewaarder die leuke dingen probeerde te doen met de kinderen om het hen zo goed mogelijk te maken, maar sommigen waren heel streng. Ze riepen constant: ‘stop! Dat mag niet.’ We hebben een paar keer ruzie met ze gemaakt als ze de baas gingen spelen over onze kinderen of als ze veel te streng waren.”
Tot slot hadden een aantal geïnterviewde vreemdelingen er moeite mee dat zij gevangen zaten en de vreemdelingentoezichthouders de macht over hen hadden terwijl zij een hogere opleiding hadden genoten dan de bewaarders. Ze lieten zich erg negatief uit over het beroep van bewaarder. Ook vertelden ze dat sommige bewaarders hen korter lieten luchten en steeds dreigden met isolatie om zo hun macht te laten gelden. Deze respondenten waren erg negatief over deze bewaarders, maar benadrukten dat er ook goed personeel was dat hen steunde.
Het contact met de buitenwereld
De geïnterviewde vreemdelingen gaven aan dat ook het contact met familie, vrienden en betrokkenen hen steun gaf, maar dat het moeizaam verliep. Er mocht volgens hen één keer per week op vaststaande dagen bezoek worden ontvangen nadat vooraf een formulier ingevuld was met daarop de gegevens van de bezoeker(s). Het gebruik van de telefoon was afhankelijk van het detentiecentrum waar de vreemdeling verbleef: hij moest zelf een telefoonkaart kopen en kon dan tijdens recreatie of onbeperkt of maximaal tien minuten per dag bellen. Het was niet mogelijk telefoon te ontvangen. In- en uitgaande post was toegestaan, maar deze werd vooraf geopend en gelezen door de vreemdelingentoezichthouders. Veel van de respondenten vonden deze mogelijkheden te beperkt. Andere respondenten gaven daarentegen aan geen gebruik gemaakt te hebben van de mogelijkheden om contact met de buitenwereld te onderhouden omdat ze niemand in Nederland kenden.
Veel geïnterviewde vreemdelingen vertelden dat er veel bezwaren kleefden aan de mogelijkheden om contact met de buitenwereld te onderhouden. Ze stelden dat vooral de procedures rondom het ontvangen van bezoek en de korte duur van het bezoek erg bezwaarlijk waren. Zo werden zowel zij als de bezoekers voorafgaand aan en na afloop van het bezoek gefouilleerd. Tijdens het bezoek, waarbij altijd één of meerdere vreemdelingentoezichthouders aanwezig waren, moest de vreemdeling tegenover de bezoeker(s) zitten en was fysiek contact niet toegestaan. Meerdere respondenten geven aan dat ze op hun vingers werden getikt indien er fysiek contact was. Ook was het volgens hen voor de bezoeker niet toegestaan om andere vreemdelingen op de afdeling te begroeten. Een jong meisje dat eerst samen met het gezin vast heeft gezeten maar eerder is vrijgekomen, beschreef hoe een gemiddeld bezoek verliep: “Bij het bezoek mocht je iemand maar één keer begroeten. Je moest aan de andere kant van de tafel gaan zitten en je mocht elkaar niet aanraken. Toen moeder ziek was, mocht ik haar niet aanraken. Ik moest haar negeren. Je moet speciale kleding aan en er staat constant een bewaker bij je. Je wordt behandeld als een crimineel. Voor en na het bezoek wordt je gefouilleerd. Ook je haren en je mond worden bekeken. En je hebt documenten nodig, anders kom je niet binnen en mag je niet op bezoek.” Deze strenge bezoekregels wekten bevreemding bij veel van de respondenten. Zo vertelde een Aziatische vrouw: “Het bezoek is echt heel raar. Zo kwam er iemand voor bezoek. Hij kende iemand op de afdeling en zwaaide. Hij vroeg aan deze bekende hoe het ging. Maar dat mocht niet en hij werd op zijn vingers getikt. Ook mogen man en vrouw niet naast elkaar zitten bij het bezoek. En ze mogen elkaar niet aanraken. Er kwam een zoon op bezoek bij zijn moeder en hij gaf zijn moeder een hand. Zelfs dat mocht niet, terwijl het zijn moeder was.” De geïnterviewden vertelden dat afhankelijk van het detentiecentrum waar de vreemdeling verbleef, het bezoek een uur of 45 minuten duurde. Volgens de respondenten was dit voor veel bezoekers te kort, omdat ze hiervoor een lange en/of dure reis moesten maken. Sommige geïnterviewde vreemdelingen vertelden geen bezoek meer te ontvangen vanwege de strenge regels en de korte duur van het bezoek. Zij wilden bijvoorbeeld niet dat hun kinderen zagen dat papa gefouilleerd moest worden en in zo’n omgeving moest leven.
De telefoon werd wel veelvuldig gebruikt door de respondenten. Zij vertelden tijdens de recreatie gebruik te mogen maken van de telefoon. In de meeste detentiecentra mocht maximaal tien minuten per dag gebeld worden, omdat anders niet iedereen aan de beurt kwam. Nu kwam volgens de respondenten nog niet iedereen aan de beurt en moest er soms een dag gewacht worden om te bellen. Veel geïnterviewden vonden tien minuten per dag te kort omdat dit voor hen het enige communicatiemiddel was om contact te houden met de buitenwereld. Ook vonden ze de omstandigheden waaronder ze moest bellen niet geschikt. Ze vertelden dat ze in de recreatieruimte moesten bellen waar het te rumoerig was om een goed gesprek te kunnen volgen en waar geen privacy was omdat iedereen mee kon luisteren. Tot slot was de telefoon erg duur volgens de respondenten. Ze vertelden dat soms de kaart al leeg was voordat ze werden doorverbonden en er iemand aan de telefoon was geweest. De respondenten betreurden het daarom dat het niet mogelijk was om telefoon te ontvangen en er geen boodschappen voor hen achtergelaten konden worden.
De respondenten zagen tenslotte het versturen en ontvangen van post als minst ideale middel om contact te onderhouden met de buitenwereld. Ze vertelden dat in- en uitgaande post werd geopend door de beveiliging en dat de inhoud werd gecontroleerd. Enige privacy ontbrak waardoor de respondenten liever geen post verstuurden of ontvingen. Ook gaven zij aan post niet ontvangen te hebben, terwijl deze door familieleden of vrienden naar hen werd verstuurd. Zij betwijfelden dan ook of het wel mogelijk was om post te ontvangen in de inrichting en maakten ondanks hun bezwaren liever gebruik van de telefoon of de bezoekregeling.
Taalproblemen
Tot slot vertelden de geïnterviewde vreemdelingen dat taalproblemen aan de orde van de dag waren in de detentiecentra en dat dit het contact en de communicatie tussen vreemdelingen onderling en tussen vreemdelingen en toezichthouders bemoeilijkte. Volgens de respondenten was het hierdoor voor vreemdelingen en hun toezichthouders erg lastig om duidelijk te maken wat er bedoeld werd. De communicatie verliep dan ook niet altijd vlekkeloos volgens de respondenten. Een Europese vrouw verwoordde het als volgt: “Iedereen had taalproblemen. En er was geen tolk of vertaler aanwezig. Het was puur toeval als je elkaar begreep en anders hadden we pech. Dan bleef het onopgelost.” Alleen bij het contact met de IND, de advocaat of de rechter mocht een tolk of vertaler worden gebruikt. De geïnterviewden gaven aan dat veel vreemdelingen hierdoor afhankelijk waren van de vreemdelingen in de inrichting die dezelfde taal spraken en voor hen konden vertalen. Maar gelukkig waren er ook vreemdelingen (waaronder de meeste respondenten) die Nederlands, Engels of Frans spraken en die wel gemakkelijk met vreemdelingen en toezichthouders konden communiceren.
3.6 Veiligheid en orde
Hierna spraken de respondenten over de veiligheid en de orde in de detentiecentra. Ze vertelden over de veiligheid in de inrichting waar ze verbleven, de manier waarop ze met disciplinaire maatregelen te maken hadden gehad en de incidenten die plaatsvonden tijdens hun verblijf in detentie. In deze paragraaf worden deze ervaringen weergegeven.
Veiligheid
De meeste geïnterviewde vreemdelingen vertelden zich niet veilig te voelen tijdens de detentie. Een Afrikaanse man uit het grenshospitium omschreef dit als volgt: “Je bent weg uit Afrika, dus het is beter dan waar je vandaan komt, maar je voelt je niet veilig.”
Onveiligheidsgevoelens ontstonden volgens de geïnterviewden omdat ze niet wisten wat er met hen zou gaan gebeuren en ze constant in onzekerheid verkeerden over hun toekomst. Ze zagen dat mensen op dezelfde afdeling ineens werden meegenomen om uitgezet te worden en waren bang dat hen hetzelfde zou overkomen. De respondenten vertelden elke werkdag met angst voor een naderende uitzetting rondgelopen te hebben. Een Europese vrouw reageert heel verontwaardigd als ik haar vraag of ze zich veilig voelde. “Nee, zeker niet! Het was heel onzeker daar. Je kon iedere dag in de boeien geslagen worden of slecht bericht krijgen. En je weet dat isolatie boven je hoofd hangt. Alleen in de weekenden had je rust. Je vertrouwt er niemand. Er was veel onrust doordat je zag wat er met anderen gebeurde. Dat was erg slecht voor je gemoedstoestand. En er gebeurde ook steeds meer.” Deze onzekerheid en de angst voor uitzetting hadden volgens de respondenten een slechte invloed op hun gezondheid. Een Afrikaan vertelde: “Je kunt je daar niet veilig voelen. Ik was constant bang om uitgezet te worden. Je weet niet wat er gaat gebeuren en wanneer je vrij komt. Dat is echt eng. Mijn gezondheid ging meer en meer achteruit.” Andere respondenten vertelden een vergelijkbaar verhaal.
Ook gaven ze aan dat het onmogelijk was een veilig gevoel te hebben in een gevangenis met zo’n streng regime en met zulke minimale voorzieningen. Volgens de respondenten waren de detentiecentra niet geschikt voor de vrijheidsontneming van vreemdelingen: het was slecht voor hun gezondheid, voor de kinderen en er werd niet goed met ze omgegaan. Een minderjarig meisje vertelde: “Het was wel beveiligd, maar je hebt geen veilig gevoel. Je zit gevangen. Als je op je kamer zat en er gebeurde iets, deden ze niet open. Dat slaapt niet lekker. Als je belde, keken ze door het luikje. Maar ze deden niet open en kwamen niet binnen.”
Bij de respondenten uit een aantal detentiecentra werden de onveiligheidsgevoelens versterkt door de aanwezigheid van strafrechtelijk veroordeelden. Ze waren bang dat zij hen iets aan zouden doen en vonden het niet fijn om samen met mensen die een strafbaar feit hadden begaan op één afdeling te verblijven. De angst van de geïnterviewde vreemdelingen voor de strafrechtelijk veroordeelden was groot. Een man afkomstig uit het Midden Oosten probeert dit uit te leggen: “Er was geen veiligheid! (…) Ook waren er criminelen. Er was dus een gevaarlijke situatie. Je moet daarom iedereen op een afstand houden. Ze moeten van mij afblijven. Zo moet je wel met de mensen omgaan, anders is er geen mogelijkheid om het vol te houden. Ik wil niets te maken hebben met drugs dealen en criminelen.”
De respondenten vertelden tot slot dat het gevoel van onveiligheid was toegenomen na de brand op het cellencomplex Schiphol-Oost waarbij elf vreemdelingen om het leven kwamen. Ze vreesden dat dit scenario zich zou herhalen in het detentiecentrum waar zij verbleven, omdat ook daar vaak brand werd gesticht, er geen automatische ontgrendeling van de cellen was en het personeel volgens hen niet capabel was in te grijpen. Een Afrikaanse man die in detentiecentrum Zeist heeft gezeten, vertelde: “Ik voelde me niet veilig. Ook vanwege de brand die op Schiphol is uitgebroken. En ik zag daar zelf dingen gebeuren. Bewoners zelf steken brand. Dat is hun manier van vechten.” De angst voor het uitbreken van brand zat diep bij de respondenten. Een Aziatische man vertelde: “Ik was elke dag bang. Ik had gehoord wat er in schiphol was gebeurd. Als er in één cel iets gebeurt, kan niemand weg. En als het begint, kun je niets doen.” Daarbij was het vertrouwen van de respondenten in het beveiligingspersoneel niet erg groot. Er werd getwijfeld of zij wel adequaat op zouden kunnen treden in geval van brand of andere calamiteiten: “Ik voelde me niet veilig. Ik zag daar beveiliging en zag dat zij geen specialisten waren. Ze zijn niet goed in hun werk en weten niet veel van de veiligheid.” Vooral de respondenten die op de detentieboten te Rotterdam verbleven, vertelden weinig tot geen vertrouwen te hebben in het personeel.
Vijf respondenten voelden zich wel veilig. Zij verbleven allen in het grenshospitium en zagen dit als een veilige plaats. De zekerheid om te kunnen slapen en te eten te hebben, gaf hen een veilig gevoel omdat ze dit niet kenden voordat ze naar Nederland kwamen en nadat ze uit het hospitium ontslagen werden. Ook vertrouwden zij er op dat het personeel hen zou beschermen indien nodig. Twee van deze vijf vreemdelingen verbleven hier voor 2004. Deze respondenten probeerden de situatie met humor te relativeren en hoopten op betere tijden. Een Afrikaanse man beschreef het proces dat zich in zijn hoofd afspeelde ten tijde van zijn detentie als volgt: “Ik heb daar een moeilijke tijd gehad, maar hield er aan vast dat het niet voor altijd zou zijn. Hier putte ik kracht uit. Soms was ik bang, maar ik dacht bij mezelf dat dit geen zin had en dat ik niet zo stom moest doen. Je hebt humor nodig om de dingen te relatieveren en de situatie het hoofd te kunnen bieden. Dat doe ik nu nog steeds. Zo lang er leven is, is er hoop. Een moeilijke tijd is niet voor altijd. Dat kan in een week veranderen.” Hier probeerde hij zich aan vast te houden.
Disciplinaire maatregelen
In de grenshospitia en detentiecentra bestond voor personeel de mogelijkheid vreemdelingen een celstraf op te leggen of in de isoleer/separeercel te plaatsen om de veiligheid op de afdeling te garanderen, de orde te handhaven en vreemdelingen tegen zichzelf in bescherming te nemen. De celstraf hield in dat een vreemdeling op zijn kamer moest blijven en niet aan het programma mocht deelnemen. Een verblijf in de isolatie betekende dat een vreemdeling voor langere tijd alleen in een speciale cel moest blijven waar hij geen contact met anderen mocht hebben. De duur van de maatregel was afhankelijk van de oorzaak. In de inrichtingen waar het Rrg gold, mochten de disciplinaire maatregelen niet buiten de kamer van de vreemdeling plaatshebben: de isoleercel mocht niet als straf gebruikt worden, maar diende om vreemdelingen in bescherming te nemen.
De geïnterviewde vreemdelingen begonnen vaak te lachen als ik hen vroeg naar de disciplinaire maatregelen. Zij vertelden dat detentie één grote straf was en dat de maatregelen het alleen maar erger maakten. De respondenten verafschuwden deze omdat ze te snel werden opgelegd, vernederend waren en vooral door de bewaarders werden gebruikt om hun macht te laten zien. Vooral de isolatiecel werd door de geïnterviewden verafschuwd. Een Europese vrouw beschreef de gang naar de isolatie als volgt: “Iedere vorm van reactie werd afgestraft. Dan werd je apart genomen en naar de isolatie gestuurd. Ze kwamen je dan met zes mensen halen. Maar als er iets gebeurde, werd iedereen ingesloten zodat je het niet zag en er geen getuigen waren. Voor iedere emotie, zelfmoordpoging of als je niet wilde eten, werd je steeds naar de isolatie gebracht. De ernstigheid bepaalde de duur. Dat kon drie, zeven of tien dagen zijn. Het was een kleine, donkere ruimte. Je kreeg een dwangbuis aan en je had alleen een matras en een stalen toilet. De ventilatie kwam van boven, maar dat was niet genoeg.” Volgens een aantal respondenten werd een vreemdeling veel te snel naar de koude separeerafdeling gebracht. Daar werd hij uitgekleed en gevisiteerd. Daarna kreeg hij een speciaal, verzwaard pak aan waaraan hij zich niet op kon hangen en waarmee hij zichzelf niet om kon brengen. Hierna werd een vreemdeling opgesloten in de isoleercel waar hij soms erg lang moest blijven. Dit verblijf werd volgens de respondenten als erg vernederend ervaren. Een jongen vertelde: “Ik herinner me dat ik mijn medicijnen vergeten was en dat ik daardoor agressief werd. Ik werd naar de isolatie gebracht. Ik was geen menselijk wezen meer, maar een dier. Mijn kleren moesten uit en ik moest een witte jurk aan. Ze openden elke twintig minuten het luik en dan lachten ze me uit en staken hun tong uit.” Volgens de respondenten was het verblijf in de isolatie erg vernederd en psychisch moeilijk vol te houden. Het had volgens diegene die hier verbleven een slechte invloed op hun gemoedstoestand. Ik heb dan ook meerdere malen gehoord dat een vreemdeling op bevel van de psychiater uit de isolatie is gehaald omdat het niet langer verantwoord was hem/haar hier te laten verblijven. Veel respondenten vertelden het idee te hebben dat de isoleercel als machtsmiddel werd gebruikt door de bewaarders om te laten zien dat zij de baas waren. Het bevreemde hen dat de beveiliging geen tijd had naar een vreemdeling toe te komen, maar ineens met achten tegelijkertijd kon komen als een vreemdeling naar de isolatie moest. Een Afrikaanse man die op een detentieboot verbleef, vertelde: “Ik heb tien dagen in de isolatie gezeten. (…) Ze straften me omdat ik drie keer op de alarmbel had gedrukt om paracetamol te komen brengen. Ik nam elke dag paracetamol. Ik had gebeld, maar het duurde een uur. Toen belde ik weer. Toen was er een andere vrouw en ik vertelde haar het verhaal. Ik vroeg weer om paracetamol. Ik heb weer twee uur gewacht en toen opnieuw gebeld. Ik vertelde dat ik al drie uur wachtte op paracetamol en dat er niemand was gekomen. Toen heb ik het rookalarm geactiveerd en konden er ineens acht mensen komen.”
De celstraf werd door de geïnterviewde vreemdelingen als minder ingrijpend gezien. Toch was ook deze straf zwaar volgens hen omdat ze dan de hele dag op zijn kleine cel moesten verblijven zonder iets te kunnen doen. Ook werd deze volgens hen te snel en te lang opgelegd als er eigenlijk niets aan de hand was. Ze vonden het sanctioneringssysteem dan ook te zwaar. De respondenten die samen met kinderen op een afdeling verbleven, wisten minder over het sanctioneringssysteem te vertellen omdat daar weinig sancties opgelegd werden.
Incidenten
De geïnterviewde vreemdelingen spraken ook over incidenten die plaatsvonden tijdens hun detentie.[20] Ze vertelden getuige te zijn geweest van vechtpartijen, brandjes, zelfmoordpogingen, hongerstakingen en demonstraties. Enkele respondenten zeiden ernstigere incidenten als geweldpleging en verkrachting te hebben gehoord of gezien.
Geïnterviewden uit alle detentiecentra vertelden dat er regelmatig werd gevochten tussen vreemdelingen onderling. De gevechten ontstonden volgens hen door ruzies tussen vreemdelingen over vooral het gebruik van de telefoon, de televisie en het gedrag op cel. Soms losten de vreemdelingen de ruzie samen op, maar soms moest het beveiligingspersoneel komen om de vechtersbazen uit elkaar te halen. Volgens veel respondenten gingen er maar weinig rustige dagen voorbij in de detentiecentra, mede omdat er ook regelmatig brand werd gesticht.
Ook zelfmoord(pogingen) kwamen veelvuldig voor in de detentiecentra volgens de respondenten: één respondent heeft een zelfmoordpoging ondernomen en andere geïnterviewden hebben mensen gezien die zelfmoord (wilden) pleegden. Een man die op de boot verbleef, noemde een voorbeeld: “Er was een jongen van vijftien of zestien jaar. Het ging heel slecht met hem. Tijdens het luchten wilde hij niet naar buiten. Hij bleef binnen en heeft twee liter kokend water over zijn hoofd gegoten. Hij is met brandwonden naar het ziekenhuis gebracht. Daarna is hij weer in dezelfde situatie geplaatst. Hij moest terugkeren, maar hij wilde niet. Hij wilde zichzelf liever ombrengen.” Een vrouw uit het grenshospitium te Amsterdam vertelde: “Er was een vrouw die acht maanden zwanger was. Ze wilden haar uitzetten. Ze maakte problemen op het vliegveld en toen zijn ze teruggekomen. Ze had stress omdat de baby niet meer bewoog. Ze kreeg alleen maar water met paracetamol. Later bleek dat de baby al drie weken dood was. Ze had een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Ze hebben alles moeten verwijderen. Ze wisten niet waar het aan lag. Ik ging veel met haar praten en probeerde haar te steunen. Ze zei dat ik niet wist hoe zij zich voelde. Op een dag, na het sporten, kwam ik haar kamer binnen. Ze had zichzelf opgehangen aan de televisiekabel en probeerde te stoel weg te schoppen. Toen riep ik de bewaarders. Zij kwamen en hierna is ze overgebracht. Ik weet niet hoe het nu met haar is.”
Daarnaast vertelden de geïnterviewden dat er regelmatig geprotesteerd of gedemonstreerd werd in de detentiecentra. Verschillende respondenten zijn in hongerstaking geweest of hebben anderen gezien die in hongerstaking waren. Zo zou er op de boot te Rotterdam een gezamenlijke hongerstaking georganiseerd zijn. Een Afrikaanse man vertelde: “In het begin van augustus 2006 gingen we met meer dan drie honderd mensen in hongerstaking. Maar het was moeilijk te organiseren en we wisten niet of de mensen het buiten ook zouden weten. We wilden de situatie binnen veranderen. We wilden dat de IND zou komen omdat de procedures te langzaam verliepen en zij ons geen antwoord gaven. En we wilden binnen veranderingen. Maar na twee dagen begonnen de Chinezen en Indiërs weer te eten. Zij zijn niet sterk genoeg en gingen eten bestellen. Dit veroorzaakte verschillen onderling en daardoor gingen we weer eten. Na twee dagen zonder resultaat zijn we weer gestopt.” Ook bleven soms hele afdeling op de luchtplaats of in de recreatiezaal blijven als ze ingesloten moesten worden. Dit was een andere vorm van protest die door de vreemdelingen werd gebruikt om hun onvrede te laten blijken.
Daarnaast vonden er volgens de geïnterviewde vreemdelingen die op de detentieboten verbleven ook ernstigere incidenten plaats. Een Afrikaanse man die hier verbleef, vertelde: “Er waren veel conflicten. Ik heb een gevecht gehoord. (…) Het waren een Irakees en een Algerijn. Een kleine en een grote. De Algerijn sloeg met het slot van de kast het hoofd van de Irakees in. De één begon te schreeuwen dat ze de deur moesten openen. Maar het was na vijf uur, dus ze mochten de deur niet meer openen. Toen begon iedereen de alarmknop te gebruiken. Na twintig minuten kwam er iemand. De Irakees is toen naar het ziekenhuis gebracht en de Algerijn naar de isolatie.” Ook was er volgens enkele respondenten iemand in zijn cel verkracht: “Er is een keer een jongen van 18 jaar verkracht. Ik weet niet of dat op andere afdelingen ook voor kwam. Die jongen schreeuwde het uit. Maar na 17:00 uur mogen ze de cel niet meer openen in verband met geplande ontsnappingen en te weinig personeel. Iedereen kon horen dat hij verkracht werd doordat hij zo schreeuwde.” De respondenten die op de boot verbleven, zeiden veel verhalen te kunnen vertellen over de ruzies, de gevechten en alle conflicten die op de boot plaatsvonden.
Tot slot gebeurde er volgens de geïnterviewde vreemdelingen veel waar ze geen weet van hadden. Ze zeiden ingesloten te worden als er iets gebeurde. De problemen werden dan door de beveiliging afgehandeld. Een Afrikaanse vrouw vertelde: “Je weet niet wat er gebeurt. Je wordt altijd ingesloten zodat je het niet kan zien. Je hoort alleen het schreeuwen. Ik weet drie zaken waarin er geslagen werd, gedrogeerd werd en ga zo maar door.” Het bleef dan voor de vreemdelingen gissen wat er buiten de cel gebeurd was omdat ze ingesloten werden.
3.7 Kinderen in vreemdelingenbewaring
Ook de vrijheid van kinderen kan ontnomen worden indien zij geen toestemming krijgen Nederland te betreden of het land moeten verlaten. Aan dit onderzoek werkten tien minderjarigen mee die recent in een detentiecentrum verbleven.
Uit de interviews bleek dat de geïnterviewde gezinnen niet begrepen waarom het gezin in bewaring werden genomen terwijl er alternatieven voorhanden waren. Een aantal geïnterviewde ouders vertelden er vervolgens toch voor gekozen te hebben het kind mee te nemen naar het detentiecentrum omdat ze niet wisten waar het kind anders terecht zou komen: “We hadden wel gehoord dat de kinderen eventueel ergens anders ondergebracht konden worden. Maar dat wilde onze jongste dochter niet. Ze wilde graag bij haar moeder blijven.” Een Aziatisch vrouw legt uit: “Anders werden ze in een pleeggezin geplaatst. We wilden bij de kinderen blijven, daarom zijn ze mee de gevangenis ingegaan.” Niet alle geïnterviewde ouders is echter de keus voorgelegd het kind al dan niet mee te nemen naar het detentiecentrum. Een Afrikaanse vrouw stelde: “We zijn samen in bewaring genomen. Ze hebben ons geen keus gegeven. Als ze dat wel hadden gedaan, had ik … op een betere plek laten verblijven.”
De geïnterviewde ouders vertelden dat hun kinderen na de vrijlating veel problemen hebben ondervonden door het verblijf in detentie. Een Aziatische vrouw legde dit uit: “Het is helemaal niet goed voor de kinderen. Ze zullen dit nooit vergeten. Ze zijn nu heel bang als ze politie zien. Ze durven hun jas niet uit te doen uit angst om weer gefouilleerd te worden. De juffrouw van de school vroeg eens waarom ze hun jas niet uit wilden. De kinderen zijn echt bang. Soms willen ze er nog over praten. En ze zijn bang op straat om opgepakt te worden. Na zes maanden zijn ze het nog niet vergeten.” Ook een Afrikaanse vrouw vertelde wat de detentie met haar kind heeft gedaan: “Mijn kind is ziek geworden vanwege de situatie daar. Hij heeft een medische controle nodig gehad. (…) Wij, als volwassenen, maken fouten, maar wat hebben de kinderen gedaan? Ze krijgen geen school, zitten daar een jaar, ze hebben stress en genieten niet meer van hun kindertijd. Het verandert hun leven en dat krijgen ze niet meer terug. Hij heeft in de gevangenis gezeten terwijl hij nog niet eens … jaar was. Voor niets, want hij heeft niets gedaan. Dit zouden ze eens in overweging moeten nemen. Het resultaat hiervan is dat hij ziek is. Het eten is niet goed geweest. Hij geeft bloed over. Hij heeft rugpijn als een oude man. Hij gebruikt nu verbaal geweld, iets dat hij hiervoor nog nooit gedaan heeft. Er gaat zoveel door zijn hoofd.” Volgens de geïnterviewde ouders zullen de kinderen de tijd in detentie niet vergeten en de rest van hun leven met zich meedragen. Een ‘normale’ kindertijd is hen door de detentie ontnomen, aldus deze ouders.
3.8 Het vertrek
Zevenenveertig geïnterviewde vreemdelingen zijn inmiddels vrijgelaten uit het detentiecentrum of grenshospitium waar ze verbleven. Er is één respondent die ten tijde van het schrijven nog steeds in detentie verblijft. Een aantal geïnterviewde vreemdelingen is vrijgekomen nadat de rechter bepaald had dat zij onrechtmatig in detentie verbleven. Zij zijn uit het detentiecentrum ontslagen en hebben een schadevergoeding gekregen. Ze zijn nu in afwachting van een nieuwe beslissing op hun aanvraagprocedure. Een paar geïnterviewde vreemdelingen is op last van een psychiater vrijgelaten. Het was niet verantwoord hen in detentie te laten verblijven. De meeste vreemdelingen die hebben meegewerkt aan dit onderzoek zijn echter vrijgekomen omdat er geen zicht op uitzetting meer was. Zij hebben vierentwintig uur gekregen om Nederland te verlaten en zijn vervolgens buiten de deur gezet, naar het dichtstbijzijnde treinstation gebracht of afgezet op de plek waar ze aangehouden waren. Een deel van hen heeft later alsnog een verblijfsvergunning gekregen. Anderen zijn in afwachting van een beslissing in een nieuwe procedure. En weer anderen verblijven nu illegaal in Nederland. Tot slot zijn er twee mannen die ten tijden van het schrijven graag terug wilden keren naar hun land van herkomst, maar niet over de juiste documenten beschikten. Zij wachtten hier op.[21]
Alle geïnterviewde vreemdelingen vertelden erg blij te zijn met de vrijlating. Een minderjarig meisje vertelde: “Dat was de mooiste dag! (…) Mijn broer ging op de straat liggen om de sterren weer te kunnen zien. Eindelijk weer.” Dit gevoel van vreugde bij de vrijlating wordt door alle respondenten gedeeld ook al hebben veel van hen het nog steeds erg moeilijk. Het is echter beter dan die “verschrikkelijke plek,” aldus enkele respondenten.
3.9 Een terugblik op het verblijf in detentie
Aan het einde van de interviews vertelden de achtenveertig vreemdelingen hoe zij zich het verblijf in detentie herinneren en hoe zij de gehele detentie hebben ervaren. Hun herinneringen en hun ervaringen worden in deze paragraaf opgetekend.
Herinneringen aan het verblijf in detentie
Het was niet eenvoudig voor de vreemdelingen met wie ik contact gehad heb om over hun tijd in detentie te praten. Voor sommigen was het zelfs onmogelijk waardoor zij niet mee konden werken aan dit onderzoek. Zo gaf een wat oudere Europese man die meer dan een jaar op de detentieboot gezeten en met zijn dossier in zijn tas verdwaasd rondliep aan dat hij niet in staat was om over zijn tijd in detentie te vertellen: “Ik heb heel veel maanden gezeten en ben helemaal kapot. Ik kan je niets meer vertellen. Ik heb erge hoofdpijn en medicijnen. Ik heb depressies. Ik kan je niets meer vertellen, maar er is een journalist op de boot geweest. Het is precies zoals hij heeft opgeschreven. De bewaarders, de medicijnen, het luchten. Het klopt helemaal wat hij geschreven heeft. En eigenlijk is het nog veel erger. Die man heeft het met eigen ogen gezien en goed opgeschreven, maar ik kan je niets vertellen.” Ik heb besloten deze man en de anderen die het te moeilijk vonden hun detentie weer op te raken met rust te laten en hen niet te interviewen.
Hieruit en uit de interviews bleek dat de tijd in detentie nare herinneringen heeft achtergelaten. Alle respondenten gaven aan dat de tijd in detentie verschrikkelijk was en dat ze deze nooit meer zullen vergeten. Ook kinderen niet. Ze vertelden dat het ontzettend moeilijk was in het detentiecentrum en dat mensen hier “kapot” zijn gegaan aan de onmenselijke situatie. Een Afrikaanse man die in het detentiecentrum Zeist heeft gezeten, vertelde: “Het was onmenselijk! Het verblijf is gewoon hel! Je bent je vrijheid kwijt, het eten is slecht, het toezicht is slecht, er is machtsuitoefening, zieken krijgen geen hulp, enzovoorts. Onmenselijk! Het is echt onmenselijk wat zij daar doen! Je wordt helemaal niet goed behandeld en dat na al vijftien jaar in Nederland te zijn. Als er geen oorlog was, was ik nooit naar Nederland gekomen. Nu moest ik wel.” Respondenten stelden het moeilijker te krijgen naarmate ze langer in detentie verbleven. Een jonge man beschreef het proces dat hij heeft doorgemaakt tijdens zijn detentie als volgt: “In het begin ging ik wel naar recreatie. Na een maand niet meer. Dan wilde ik alleen nog maar op mijn kamer zitten. Daar sporten en tv kijken. Ik was helemaal kapot en heb mezelf geheel afgezonderd. Ik kon er niet meer tegen.” Veel geïnterviewde vreemdelingen beschreven een vergelijkbaar proces: in het begin van de detentie deden ze overal aan mee, ze gingen in de recreatieruimte zitten, sporten en luchten. Na verloop van tijd hadden ze hier de kracht niet meer voor. Ze bleven meer en meer op hun kamer en gingen zich steeds slechter voelen. Een jonge Afrikaanse vrouw vertelde: “Die plaats is echt niet goed. Ik heb het geprobeerd en mijn best gedaan daar. Maar het is echt geen goede plek om te verblijven. Heel veel mensen lijden daar aan depressies. Ze willen hun cel niet meer uit en blijven de hele tijd in die kamer zitten.”
Ook gaf een aantal respondenten aan alles te zijn kwijtgeraakt door de detentie. Ze vertelden al geruime tijd in Nederland te wonen voordat ze werden opgepakt en naar het detentiecentrum werden gebracht. Ze stelden hun eigenwaarde, hun woonruimte, hun werk en hun vriendenkring verloren te hebben. Een Afrikaanse man was hier erg verbolgen over: “Ik ben heel veel kwijt geraakt doordat ik vast zat: mijn werk, onderdak, mijn vrienden. Die kon ik niet bellen en nu zijn ze niet meer te vinden. Nu ben ik weer op vrije voeten, maar ik heb geen geld meer. Ik moet elke dag op zoek naar geld. (…) Ze pakken mensen hun eigenwaarde af. Mensen komen hier omdat ze geen leven hebben en daarom een leven hier zoeken. Maar op zo’n manier wil je hier niet leven.”
Ervaringen in detentie
De geïnterviewde vreemdelingen hebben het verblijf in detentie dan ook als erg moeilijk ervaren. Het was een kwestie van overleven, volgens enkele van hen. Anderen gaven aan hier “kapot” te zijn gegaan en niet meer ‘normaal’ te kunnen functioneren vanwege depressies, slaapproblemen en psychische en fysieke ongemakken.
Veel geïnterviewde vreemdelingen vertelden hun gehele detentie getwijfeld te hebben. Ze vertelden niet te begrijpen dat ze naar de gevangenis moesten terwijl ze niets hadden gedaan en niet te snappen dat ze hier slechter werden behandeld dan mensen die een strafbaar feit hebben gepleegd en worden gestraft. Ze vonden het verschrikkelijk, onterecht en vernederend, omdat ze niet het gevoel hadden iets misdaan te hebben. Een Afrikaanse man verduidelijkte: “Het probleem is dat we geen criminelen zijn. Heel veel mensen komen van landen waar problemen zijn en die zijn gevlucht voor hun eigen veiligheid. Ze zijn vaak gevlucht voor de dood. En dan geef je ze dit? Dat is toch niet goed voor een mens. Kun je ze niets geven? Niets voor ze doen?” Veel respondenten waren volledig uit het veld geslagen doordat ze in de gevangenis zijn gekomen terwijl ze op zoek waren naar veiligheid: “Het was heel, heel, heel erg slecht! (…) Ik heb helemaal niets gedaan, niets gestolen, niet gevochten. Als je in de gevangenis bent, lijkt je leven op te houden. Het is erg, erg slecht. Je kunt helemaal nergens naar toe. Je lijkt wel een groep jongens in de dierentuin.” Naargelang de detentie langer duurde, was de situatie moeilijker te accepteren voor de respondenten.
Ze stelden ook constant in onzekerheid te verkeren omdat ze niet wisten hoe lang ze moesten blijven en wat er met hen ging gebeuren. Ze wisten niet of ze zouden worden uitgezet of dat ze in Nederland mochten blijven. Ondertussen stond hun leven stil omdat ze niet naar school konden en niet konden werken. Een Afrikaanse jongen vertelde: “Het meest belangrijke dat je bezig houdt, is hoe je hier uit komt. Ik was echt de hele tijd bang. Het was een erg moeilijke en stressvolle tijd. Je weet niet wat er gaat gebeuren. Je kunt met niemand echt communiceren. Je wilt je vrij voelen, bewegen en ga zo maar door. Je weet niet hoe lang je daar moet blijven. Er is niets dat je daar ondertussen kunt doen voor je toekomst: geen werk en geen opleiding. Het beïnvloedt de rest van je leven. Ik denk er de hele tijd aan en kan het niet vergeten. Het heeft echt totaal geen zin om mensen op te sluiten. Het is niet menselijk en het heeft echt geen zin.”
De tijd in detentie was volgens de geïnterviewde vreemdelingen extra zwaar vanwege de zware omstandigheden waaronder ze moesten verblijven. Deze werden door de respondenten als onmenselijk beschouwd, zeker als ze langer vast zaten. Ze hadden het hier erg moeilijk mee: “Ik kan daar niet leven. Mensen zitten daar heel lang opgesloten. Het is echt verschrikkelijk om daar lang te zitten.” Volgens de respondenten konden veel vreemdelingen de detentie emotioneel niet aan. Zo vertelde een Afrikaanse man die in het grenshospitium heeft verbleef: “Ik zal het nooit vergeten. Ik had nog nooit in de gevangenis gezeten en ben daar helemaal kapot geweest. Ik heb met mijn eigen ogen gezien dat normale mensen na een paar maanden helemaal gek werden en kapot gingen. Dat is echt niet normaal.” Volgens een deel van de geïnterviewden werd het beeld in detentie beheerst door machteloosheid en boosheid van de vreemdelingen. Hun blik op Nederland is door de gebeurtenissen veranderd. Een Aziatische man bracht dit als volgt onder woorden: “Ze hebben me heel kwaad gemaakt. Ik kijk nu anders tegen Nederland aan. De IND is een deel van het systeem en bepaalt daardoor mede het gezicht van Nederland. Nederlanders hebben straks geen land meer waar ze op vakantie kunnen, doordat iedereen ze haat vanwege het asielbeleid. Er zijn daar zoveel nationaliteiten en iedereen baalt van Nederland. Er wordt daar haat gecreëerd. They feed us with hate and then send us back.” Niemand anders heeft het zo sterk uitgedrukt, maar het is duidelijk dat de geïnterviewde vreemdelingen boos zijn. Ze begrijpen niets van het systeem en vinden het niet menselijk mensen eerst te straffen door ze in de gevangenis te stoppen en ze vervolgens weg te sturen. De geïnterviewde vreemdelingen hebben dan ook veel bezwaren tegen de tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie in Nederland. In bijlage 3 zijn de bezwaren opgenomen die de respondenten aan het einde van het interview (nogmaals) expliciet hebben genoemd.
3.10 Tot slot
In dit hoofdstuk is beschreven hoe achtenveertig vreemdelingen die de vreemdelingendetentie aan den lijven hebben ondervonden de vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland zien. In tegenstelling tot de éénenzestig vreemdelingen die door Van Kalmthout en anderen zijn geïnterviewd voor eerdergenoemd onderzoek en die de detentie zowel positief als negatief beschreven, zijn al deze geïnterviewde vreemdelingen erg negatief over de tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie in Nederland.
Zij beschreven bij de aanhouding als criminelen of als dieren te zijn behandeld terwijl ze niet begrepen waarom ze (met zoveel politie) werden aangehouden. Vervolgens werden ze al dan niet via een politiecel naar een detentiecentrum gebracht waar een aankomstprocedure volgde die bestond uit het doorzoeken van de bagage, het fouilleren en eventueel visiteren van de vreemdeling en soms uit een medische controle. Dan werden ze met een pakket van lakens, toiletgerei en dergelijke naar een minimalistische ingerichte cel gebracht waar ze nauwelijks persoonlijke bezittingen mochten hebben. Het verblijf op cel werd door veel geïnterviewden als erg moeilijk ervaren. Respondenten uit de detentiecentra brachten hier veel tijd door omdat het dagprogramma slechts een kort gedeelte van de dag besloeg. Geïnterviewden die op een afdeling verbleven waar het Rrg van kracht was, werd een ruimer dagprogramma aangeboden. Zij hadden meer mogelijkheden te recreëren, te luchten en te sporten. Naarmate de respondenten langer in detentie verbleven, namen ze echter minder deel aan het programma vanwege hun verslechterende gemoedstoestand. Dit leidde er toe dat veel van de geïnterviewden zorg nodig hadden tijdens de detentie. De medische zorg was volgens hen echter niet goed omdat ze lang moesten wachten voordat ze een dokter mochten zien, er alleen paracetamol voorgeschreven werd, ze niet de juiste geneesmiddelen kregen en ze niet of niet goed werden behandeld. Ook was psychologische/psychiatrische zorg en begeleiding in de meeste instellingen niet of erg moeilijk te krijgen terwijl veel respondenten hier wel behoefte aan hadden. Ze kregen echter wel steun van geestelijke verzorgers die door de meeste respondenten positief werden gewaardeerd. Dit geldt niet voor de geïnterviewden die op de detentieboten verbleven. De geïnterviewde vreemdelingen vertelden ook gesterkt te worden door het contact dat ze hadden met de buitenwereld, ook al kleefden er veel bezwaren aan het gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek en post. Daarnaast hadden de geïnterviewden goed contact met celgenoten, afdelingsgenoten en een deel van de vreemdelingentoezichthouders. Dit was echter niet veel vanwege taalproblemen, spanningen en de moeilijke situatie waarin de vreemdelingen verkeerden. Het contact met het andere deel van de bewaarders was volgens de respondenten erg slecht: deze zouden het hen erg moeilijk maken door hen te provoceren, te dreigen met maatregelen en te koop te lopen met hun macht. Veel respondenten hadden weinig vertrouwen in dit deel van het personeel. Ze voelden zich dan ook niet veilig. Dit werd mede veroorzaakt door de onzekerheid waarin ze verkeerden, de zware omstandigheden waaronder ze verbleven, de aanwezigheid van strafrechtelijk veroordeelden en de angst voor calamiteiten. Ook hadden ze incidenten meegemaakt als vechtpartijen, brandstichting, ruzies, zelfmoordpogingen, hongerstakingen en demonstraties wat het gevoel van veiligheid niet ten goed kwam. Het personeel had de mogelijkheid een celstraf of plaatsing in de isoleer/separeercel op te leggen ten behoeve van de orde en de veiligheid, maar deze maatregelen werden volgens de respondenten te snel voor te lang opgelegd waardoor het sanctioneringssysteem verafschuwd werd. Tot slot vertelden tien minderjarige vreemdelingen die aan dit onderzoek meewerkten dat hen door de detentie een ‘normale’ kindertijd is ontnomen en dit ervoor heeft gezorgd dat ze nu nog vaak bang of ziek zijn. Bovendien hebben ze stilgestaan in hun ontwikkeling doordat er geen goed onderwijs aangeboden werd. De geïnterviewde vreemdelingen hebben dan ook erg veel bezwaren tegen de tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie in Nederland en omschrijven deze als verschrikkelijk en als hel!
De blik van deze achtenveertig vreemdelingen kan wat gekleurd zijn door de moeilijke tijd die zij in de detentiecentra en grenshospitia hebben doorgemaakt, maar uit de interviews blijkt dat zij de tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie in Nederland als onmenselijk beschouwen. Ze snappen niet dat ze worden opgesloten in een cel terwijl ze geen strafbaar feit hebben gepleegd en dat ze hier onder extreem sobere omstandigheden moeten verblijven. Vooral de respondenten die op de detentieboten te Rotterdam en in het detentiecentrum te Roermond verbleven, hadden veel klachten over de detentie: ze vertelden het grootste gedeelte van de dag in hun cel opgesloten te worden en hier helemaal niets te kunnen doen. De respondenten die in het grenshospitium te Amsterdam verbleven waren het mildst omdat de voorzieningen in het grenshospitium in vergelijking met de overige detentiecentra het best waren. Maar eigenlijk waren alle vreemdelingen die aan dit onderzoek hebben meegewerkt erg negatief over de manier waarop de vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. Een Afrikaanse vrouw die in Zeist in het detentiecentrum verbleef, omschreef het als volgt: “Er wordt in deze gevangenis niet geslagen, daarin verschilt hij van een Afrikaanse gevangenis. Maar in feite is het regime een verfijndere vorm van marteling, die het fysieke slaan te boven gaat.”
4. De menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen
In het vorige hoofdstuk bleek dat de achtenveertig vreemdelingen herhaaldelijk het woord ‘onmenselijk’ gebruikten als ze over het regime, de omstandigheden en de behandeling in de detentiecentra en grenshospitia spraken. Gezien hun ervaringen is hun woordkeus misschien wel begrijpelijk, maar nu een onmenselijke behandeling of bestraffing is verboden in internationale en Europese verdragen moet er aan een aantal voorwaarden worden voldaan om met recht te kunnen spreken van een onmenselijke detentie. In dit hoofdstuk wordt gekeken of hieraan is voldaan. Daartoe wordt in paragraaf 4.1 ingegaan op de juridische aspecten van het begrip ‘menswaardigheid.’ Vervolgens worden in paragraaf 4.2 de ervaringen van de respondenten, de nationale en internationale kritiek die Nederland kregen heeft wegens de vreemdelingendetentie en de visie van de Nederlandse regering hierop naast deze aspecten gelegd om tot slot in paragraaf 4.3 vast te kunnen stellen in hoeverre de vrijheidsontneming van vreemdelingen als onmenswaardig beschouwd kan worden
4.1 ‘Menswaardigheid’ juridisch gezien
Het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt in art. 3 dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dit betekent dat staten die bij dit verdrag zijn aangesloten, zoals ook Nederland, enerzijds de negatieve verplichting op zich nemen niemand op dergelijke wijze te behandelen of bestraffen en anderzijds de positieve verplichting aanvaarden er zorg voor te dragen dat ieders mensenrechten zijn gegarandeerd en dat niemand wordt onderworpen aan zo’n behandeling of bestraffing.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is ingesteld om er op toe te zien dat staten de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag naleven. Het oordeelt over de zaken die staten bij haar aanhangig maken indien ze vermoeden dat art. 3 door een andere staat wordt overtreden én over klachten van burgers, non-gouvernementele organisaties en andere groepen personen die menen slachtoffer te zijn van folteren, een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Het stelt zich twee vragen om te kunnen beoordelen of het in art. 3 neergelegde verbod is geschonden. Ten eerste wil het EHRM weten of de behandeling of bestraffing waarover wordt geklaagd dermate ernstig is dat art. 3 in het geding is. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt ingegaan op de tweede vraag: hoe kan het gedrag worden gekwalificeerd, als folteren, onmenselijke of vernederende behandeling, of bestraffing?
Het EHRM heeft in haar jurisprudentie aangegeven wanneer er sprake is van dermate ernstig gedrag dat art. 3 wordt geschonden.[22] Dit is het geval indien een staat gedetineerden opzettelijk onmenselijk of vernederend behandeld, én indien een staat verzuimt haar positieve verplichting na te komen door de mensenrechten van gedetineerden niet te respecteren, niet te voorkomen dat gevangenen onmenselijk of vernederend worden behandeld, of door de detentie onder zulke sobere omstandigheden ten uitvoer te leggen dat de waardigheid of de gezondheid van gedetineerden wordt aangetast. Dit laatste gaf het aan in 1987 in de zaak Dhoest vs. België waarin het stelde dat een staat de positieve verplichting had “to maintain a continuous review of the detention arrangements employed with a view to ensuring the health and well-being of all prisoners with due regard to the ordinary and reasonable requirements of imprisonment.”[23] Dit herhaalde het EHRM in 2000 in de zaak Kudla vs. Polen waarin het bepaalde dat een staat moet verzekeren dat een gedetineerde wordt vastgehouden in omstandigheden“that are compatible with respect for his human dignity, that the manner and method of the execution of the measure do not subject him to distress or hardship of an intensity exceeding the unavoidable level of suffering inherent in detention and that, given the practical demands of imprisonment, his health and well-being are adequately secured by, among other things, providing him with the requisite medical assistance.”[24] In de zaak Dougoz vs. Griekenland vonniste het EHRM voor het eerst dat te sobere detentieomstandigheden leidden tot een schending van art. 3. In deze zaak verbleef een gedetineerde in een overvolle vieze cel zonder slaapfaciliteiten, was er een schaarste aan warm water, een gebrek aan frisse lucht en natuurlijk licht en was er geen luchtplaats waar de gedetineerde kon bewegen. Het EHRM oordeelde dat Griekenland deze gedetineerde niet opzettelijk had onderworpen aan een vernederende behandeling, maar wel art. 3 had geschonden door de gedetineerde lang onder deze detentieomstandigheden te laten verblijven.[25] Een maand later veroordeelde het EHRM Griekenland wederom wegens het overtreden van art. 3. In de zaak Peers vs. Griekenland verbleef een gedetineerde gedurende twee maanden een aanzienlijk deel van de dag in zijn cel waar hij vrijwel niets anders kon doen dan op bed blijven, waar geen ventilatie en geen ramen waren, waar het ondraaglijk heet kon worden en waar hij het toilet moest gebruiken in aanwezigheid van zijn celgenoot. Dit bracht het EHRM tot het vonnis dat het uitblijven van actie van Griekenland om de onacceptabele detentieomstandigheden te verbeteren leidde tot een schending van art. 3 wegens een vernederende behandeling.[26]
Het EHRM heeft in haar jurisprudentie niet aangegeven waar een menswaardige vrijheidsontneming aan behoort te voldoen. Het beoordeelt pas achteraf of de sobere detentieomstandigheden een schending van het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling betekent. Het laat zich hierbij beïnvloeden door de standards van het European Commitee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT)[27] en de European prison rules van de Raad van Europa[28] waarin is uiteengezet hoe een menswaardige vrijheidsontneming er uit behoort te zien.[29] In geval van strijdigheid zal het echter niet direct vonnissen dat het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling is geschonden. Daarvoor moet ook worden aangetoond dat de behandeling of bestraffing de waardigheid, de gezondheid of het welzijn van gedetineerden heeft aangetast.[30] Dit bepaalt het aan de hand van factoren als de duur van de detentie, het toegepaste regime, de feitelijke uitwerking, de fysieke en mentale gevolgen van de detentie, het geslacht, de leeftijd en de gezondheid van het slachtoffer.[31]
Indien het EHRM tot de conclusie komt dat de behandeling of bestraffing dermate ernstig is dat er sprake is van een schending van art. 3 gaat het over tot het kwalificatievraagstuk. Het kwalificeert het gedrag als een onmenselijke of vernederende behandeling indien “treatment humiliates or debases an individual, showing a lack of respect for, diminishing, his of her human dignity, or arouses feelings of fear, anguish or inferiority capable of breaking an individual’s moral and physical resistance, it may be characterized as degrading and also fall within the prohibition of Article 3.”[32] Het komt dan tot een veroordeling van een staat wegens de overtreding van het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling.[33]
4.2 De menswaardigheid voorgelegd aan het EHRM
De menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland is nog niet aan het EHRM voorgelegd. Deze wordt echter betwijfeld door de geïnterviewde vreemdelingen. Zij hadden zich tot het EHRM kunnen wenden met de klacht dat de vreemdelingendetentie in Nederland onmenselijk ten uitvoer wordt gelegd. Ze hadden dan aan moeten tonen dat Nederland verzuimt heeft haar positieve verplichting na te komen door de gezondheid en het welzijn van gedetineerden niet te verzekeren, door de detentieomstandigheden niet aan te passen aan hun waardigheid en door hen aan meer leed en ongemak te onderwerpen dan met het oog op de detentie noodzakelijk is. Ze hadden vervolgens moeten bewijzen dat dit hun menswaardigheid heeft aangetast, dat dit angst en minderwaardigheidsgevoelens heeft veroorzaakt en dat hun fysieke en mentale weerstand hierdoor is gebroken. Als het EHRM dit bewezen acht, kan ze oordelen dat Nederland vreemdelingen onmenselijk of vernederend behandelt tijdens de detentie. In deze paragraaf wordt gekeken of een proces voor het EHRM zou kunnen leiden tot een veroordeling van Nederland wegens het onmenselijk behandelen van vreemdelingen in detentie.
4.2.1 De klacht van de achtenveertig vreemdelingen
De respondenten hadden de klacht kunnen baseren op de standards van het CPT en de Europese gevangenisregels waarin per onderwerp uiteengezet is hoe een humane vrijheidsontneming er uit behoort te zien. Het EHRM laat zich bij haar vonnis immers door deze richtlijnen beïnvloeden.[34]
Beginselen
De gevangenisregels hanteren een aantal beginselen waaraan de vrijheidsontneming moet voldoen. Zo mag iemands vrijheid alleen ontnomen worden als uiterste redmiddel en als er een wet is die deze mogelijkheid biedt. Alle rechten van gedetineerden moeten tijdens de vrijheidsontneming gerespecteerd worden en mogen alleen worden beperkt als (het doel van) de detentie hierom vraagt en als de beperking proportioneel is. Het leven in detentie dient zo veel mogelijk te lijken op het leven buiten detentie en veiligheidsmaatregelen moeten zo veel mogelijk beperkt worden. Elke vorm van fysieke of psychische schade bij gedetineerden moet voorkomen worden. De humane behandeling van gedetineerden staat voorop, aldus de gevangenisregels.
De ervaringen van de respondenten stemmen niet overeen met al deze beginselen. Zo stelden een aantal respondenten te betwijfelen of de detentie wel als uiterste redmiddel gebruikt wordt. Ze vertelden dat er alternatieven voor de detentie beschikbaar waren, maar dat toch hun vrijheid werd ontnomen. Een vaste verblijfplaats, het ontbreken van aanwijzingen voor onttrekking aan de uitzetting en een garantstelling, konden hun detentie niet voorkomen. De respondenten snapten daardoor niet waarom zij gevangen genomen werden, te meer daar er soms kinderen bij betrokken waren. Daarnaast bleek uit de verhalen van de geïnterviewden dat de veiligheidsmaatregelen niet tot een minimum beperkt werden. Zij werden niet net zoals strafrechtelijk veroordeelden zonder contra-indicaties onder het regime van algehele gemeenschap gedetineerd, maar onder een regime van beperkte gemeenschap. Dit is een zwaarder regime waarbij gedetineerden meer op cel verblijven. Het leven lijkt hierdoor totaal niet op het leven buiten detentie. Vraag rijst of dit beperkte regime wel geschikt is nu administratieve vreemdelingen gedetineerd worden omdat ze het land moeten verlaten en niet omdat ze gevaarlijk zijn. Verder hebben de sobere detentieomstandigheden fysieke en psychische schade veroorzaakt bij een kleine groep respondenten. Een aantal respondenten heeft blijvende psychische klachten opgelopen tijdens de detentie en gebruikt nu antidepressiva of heeft slaapproblemen en hoofdpijn en twee respondenten hebben ten gevolge van de detentie rugpijn en pijn in de gewrichten. Tot slot gaven respondenten aan dat de humaniteit ver te zoeken was tijdens de detentie. Op basis van deze ervaringen kan geconcludeerd worden dat de vreemdelingendetentie in Nederland niet voldoet aan de beginselen die de Raad van Europa in de gevangenisregels heeft neergelegd.
Detentiecentra
Het CPT heeft in haar standards uiteengezet dat de vrijheidsontneming van vreemdelingen niet ten uitvoer mag worden gelegd in een gevangenis of een omgeving die de sfeer uitademt van een gevangenis. Dit zou geen geschikte plaats zijn om iemand te detineren die niet is veroordeeld noch wordt verdacht van een strafbaar feit. Vreemdelingen moeten worden gehuisvest in centra die speciaal zijn ontworpen voor hun vrijheidsontneming en die materiele voorzieningen en een regime bieden dat past bij de reden dat ze zijn opgesloten. Deze centra moeten beschikken over passend meubilair, in goede staat verkeren en voldoende leefruimte bieden. Ook de Raad van Europa heeft aangegeven dat administratieve vreemdelingen niet onder een gevangenisregime gedetineerd mogen worden, maar dat er gunstigere regels voor hen moeten gelden.
Veel respondenten vertelden de detentiecentra en grenshospitia vanwege de cellen, het strakke regime en de strenge beveiliging als een gevangenis te hebben ervaren. “Het heet dan wel geen gevangenis, maar het is veel erger dan een gevangenis,” heb ik herhaaldelijk gehoord tijdens de interviews. Op basis van de ervaringen van deze respondenten kan dus geconcludeerd worden dat zij verblijven in een omgeving die de sfeer van een gevangenis uitademt. In de ogen van de respondenten verblijven zij zeker niet onder gunstigere regels dan strafrechtelijk gevangenen. Veel geïnterviewde vreemdelingen vertelden het gevoel te hebben slechter te worden behandeld dan de mensen die een strafbaar feit hebben gepleegd. Een paar respondenten kon dit met zekerheid zeggen doordat zij eerder in een reguliere penitentiaire inrichting hadden verbleven wegens de verdenking van een strafbaar feit. Zij werden beiden vrijgesproken, maar vertelden dat het in een reguliere gevangenis ‘beter’ was dan in een detentiecentrum voor vreemdelingen. Dit is in strijd met de standards van het CPT en de Europese gevangenisregels.
De cellen
In de gevangenisregels worden ook eisen gesteld aan de cellen in instellingen voor de vrijheidsontneming. Ze schrijven voor dat gedetineerden niet met te veel op één cel mogen verblijven en dat per gedetineerde een minimum aantal vierkante meters cel beschikbaar moet zijn. Meermanscellen zijn toegestaan, maar zijn, ténzij gevangenen hierbij gebaat zijn, niet geschikt als oplossing voor de lange termijn. Indien gevangenen samen worden gedetineerd, moet elke vorm van pesten en geweld tussen de gevangenen voorkomen worden, mogen rokers en niet-rokers niet worden gedwongen samen in één cel te verblijven en moet de privacy van gedetineerden gewaarborgd zijn. De regels schrijven vervolgens voor dat gedetineerden in hun cel de beschikking moeten hebben over voldoende frisse lucht en over natuurlijk licht waarin ze kunnen lezen en werken. Ook moet de hygiëne in acht genomen worden. De gevangenisdirectie moet er zorg voor dragen dat de gevangenis schoon is en dat gevangenen in staat zijn zichzelf te onderhouden: ze moet indien nodig schoonmaakmiddelen verstrekken en zorgen voor goede toiletfaciliteiten waar gevangenen toegang tot hebben. Ook moeten gevangenen de beschikking kunnen hebben over kleding die net als het beddengoed regelmatig gewassen moet worden.
De respondenten vertelden veelal met meerdere personen in een cel te verblijven. Ze werden willekeurig bij elkaar geplaatst. Een aantal vond dit fijn, anderen hadden liever een cel voor zichzelf gehad. Zij hadden moeilijkheden met het gebrek aan privacy, de moeilijke of onmogelijke communicatie en het gedrag van hun celgenoten. Indien dit grote problemen opleverde, konden zij om overplaatsing naar een andere cel vragen. Dit verzoek werd meestal gehonoreerd, waarna de problemen opgelost werden. Daarnaast veroorzaakte het gebrek aan frisse lucht problemen bij een aantal respondenten. Doordat de ramen niet open konden en er te weinig ventilatie was, kregen respondenten last van hoofdpijn. Ook het gebrek aan privacy werd door een aantal respondenten betreurd. Ze moesten op cel douchen en toiletteren wat in sommige cellen ten koste ging van de privacy omdat celgenoten hen konden zien. Tot slot werd er door een kleine groep respondenten geklaagd over de gebrekkige hygiëne in de cellen. Ze vonden de cellen vies, maar kregen geen middelen om de cel schoon te maken. Dit heb ik echter niet vaak gehoord tijdens de interviews. Deze gebreken zijn in strijd met de gevangenisregels, maar lijken niet op grote schaal voor te komen daar zij slechts door een kleine groep respondenten genoemd werden tijdens de interviews. Vraag is echter of de meermanscellen zijn toegestaan nu deze volgens de gevangenisregels niet als oplossing voor de lange termijn mogen dienen en nu niet alle gedetineerde vreemdelingen er bij gebaat zijn hun cel te delen.
Het regime
In de gevangenisregels zijn ook bepalingen opgenomen met betrekking tot het regime in detentie. Hieruit blijkt dat het onacceptabel is als iemand drieëntwintig uur in zijn cel wordt opgesloten. Het regime moet gedetineerden minimaal in hun waarde laten. Dit betekent dat het programma zich tenminste uitstrekt over een werkdag van acht uur en dat veroordeelden recht hebben op werk. Indien zij niet in staat zijn te werken, moeten er andere activiteiten worden aangeboden. Ze hebben bovendien mimimaal een uur per dag recht op beweging en recreatie en er moet een bibliotheek aanwezig zijn waar alle gevangenen naar toe kunnen. Ook het CPT wijdt een paragraaf aan het regime voor vreemdelingen in detentie. Ze schrijft dat het regime mogelijkheid moet bieden tot beweging in de buitenlucht, toegang tot een dagverblijf met radio, televisie, kranten en/of tijdschriften en andere passende vormen van recreatie. En naargelang iemand langer in detentie verblijft, moeten er meer activiteiten aangeboden worden.
Uit de interviews bleek dat het programma in de detentiecentra geen acht uur besloeg en dat er alleen in het detentiecentrum te Tilburg arbeid werd aangeboden. Veel geïnterviewde vreemdelingen waren erg kritisch over het zware regime waaronder zij moesten verblijven en de minimale voorzieningen die zij tot hun beschikking hadden. Zij voelden zich hierdoor in hun waarde aangetast. Zo vertelde een aantal geïnterviewden zich geen mens meer te voelen. Vooral de respondenten die op een afdeling verbleven waar de Pbw van toepassing was, waren erg negatief en in het bijzonder de geïnterviewden die op de detentieboten te Rotterdam en in het detentiecentrum te Roermond verbleven. Zij vertelden veel tijd door te brengen op hun cel en weinig te doen te hebben. Ook waren de voorzieningen volgens hen erg beperkt: zo zouden ze maar een uur per dag mogen luchten in een kooi of een luchtplaats waar niets te doen was, mochten ze niet of niet vaak sporten en was er tijdens de recreatie maar weinig te doen doordat spelletjes incompleet waren en ballen van tafelvoetbalspellen ontbraken. De geïnterviewde vreemdelingen die op een afdeling verbleven waar het Rrg van toepassing was en vooral de respondenten uit het grenshospitium te Amsterdam, waren minder negatief over de omstandigheden. Zij mochten meer tijd buiten hun cel doorbrengen en hadden daardoor ook meer te doen. Maar ook zij gaven aan zich veelvuldig te vervelen en graag wat afleiding te hebben gehad. Naarmate ze langer in detentie verleven, konden veel geïnterviewde vreemdelingen het emotioneel niet meer opbrengen deel te nemen aan het programma. Ze bleven dan voornamelijk in hun cel. Het heersende regime in de detentiecentra lijkt dan ook in strijd te zijn met de voorwaarden die in de gevangenisregels gesteld worden daar gedetineerden lang op cel moeten verblijven en er slechts een kort programma aangeboden wordt.
De zorg
De gevangenisregels wijden tevens een aparte paragraaf aan de gezondheid van gevangenen tijdens hun detentie. Ze stellen dat de staat verantwoordelijk is toe te zien op de gezondheid van gedetineerden. Zij moet er voor zorgen dat de omstandigheden dermate goed zijn dat gedetineerden de gevangenis niet slechter verlaten dan dat ze er kwamen. De medische staf is daarom met de belangrijke taak belast te kijken of de omstandigheden en voorzieningen geschikt zijn voor detentie en er voor te zorgen dat deze de gezondheid van gedetineerden zo min mogelijk schade toebrengen. De gedetineerden moeten toegang krijgen tot de hoogst verkrijgbare fysieke en geestelijke zorg die vergelijkbaar is met de zorg buiten de instellingen. Ze behoren zonder vertraging en zonder aanwezigheid van personeelsleden van de gevangenis een gekwalificeerde dokter te kunnen zien voor een consult en mogen daarbij niet geboeid en niet fysiek van de dokter gescheiden worden. De regels schrijven tot slot voor dat de gezondheidszorg in detentie zo veel mogelijk in overeenstemming moet zijn met de waardigheid van de gevangenen en dat etnische en linguïstische minderheden extra aandacht behoren te krijgen vanwege hun speciale behoeftes. Ook het CPT heeft in haar standards voorwaarden opgenomen met betrekking tot de zorg in de detentiecentra. Zij stelt dat alle vreemdelingen recht hebben op zorg en dat er speciale aandacht moet zijn voor het lichamelijke en geestelijke welzijn van asielzoekers.
De achtenveertig vreemdelingen waren erg kritisch ten aanzien van de medische zorg tijdens de detentie. Zij vertelden dat het lang duurde voordat ze een dokter mochten zien, er alleen paracetamol voorgeschreven werd ondanks andere middelen die voorhanden waren, dat klachten niet goed werden behandeld en dat ze niet werden behandeld vanwege overplaatsing. Psychische of psychiatrische zorg was volgens de respondenten helemaal moeilijk te krijgen in de instellingen terwijl hier wel behoefte aan was. Bovendien waren de omstandigheden in de detentiecentra zo sober dat deze een ongunstige invloed hadden op het fysieke en psychische welzijn van de vreemdelingen. Bij een aantal respondenten heeft dit blijvende schade achtergelaten: een groep geïnterviewden gebruikt nu antidepressiva en kampt met hoofdpijn, slaapproblemen of psychische klachten ten gevolge van de detentie en twee mannen hebben blijvende lichamelijke klachten overgehouden. De zorg in de instellingen is bovendien niet vergelijkbaar met de zorg buiten detentie. Zo vertelde sommige respondenten dat zij na de detentie wel geholpen werden terwijl dit tijdens de detentie niet nodig werd geacht. Dit is in strijd met de eisen die de Raad van Europa en het CPT stellen aan de zorg in detentiecentra.
Personeel in detentiecentra
Het CPT schrijft voor dat detentiecentra moeten beschikken over geschikt en gekwalificeerd personeel aangezien het vanwege veel voorkomende communicatieproblemen, moeilijkheden bij gedetineerden om te accepteren dat hun vrijheid is ontnomen terwijl ze geen strafbaar feit hebben gepleegd en mogelijke spanningen tussen de verschillende nationaliteiten en etniciteiten, een bijzonder zware taak is in een detentiecentrum te werken. Personeelsleden dienen daarom zorgvuldig geselecteerd te worden en een passende training te krijgen. Ze moeten goed ontwikkelde communicatievaardigheden hebben, bekend zijn met andere culturen en andere talen en in staat zijn stresssymptomen te herkennen bij gedetineerde personen om indien nodig gepaste actie te ondernemen. De gevangenisregels voegen daaraan toe dat het personeel een belangrijke taak heeft in de gevangenis: zij moet gevangenen fatsoenlijk, menselijk en eerlijk behandelen. Het is volgens de regels dan ook erg belangrijk dat er geschikt personeel wordt aangetrokken.
De geïnterviewde vreemdelingen klaagden veel over de behandeling en bejegening door een gedeelte van het personeel dat werkzaam was in de detentiecentra. Ze gaven aan dat een deel van de vreemdelingentoezichthouders erg aardig, vriendelijk en behulpzaam was, maar dat de rest onverschillig en respectloos met hen omging en niet wist hoe ze hen moesten behandelen. Volgens de respondenten was het duidelijk merkbaar dat een deel van het personeel afkomstig was uit penitentiaire inrichtingen en daardoor vooral bezig was met het in- en uitsluiten van de vreemdelingen. Ze zouden veelvuldig laten blijken macht te hebben over de vreemdelingen door constant te dreigen met sancties en hen snel naar hun cel of de isolatie te sturen. Tevens had het personeel in de detentiecentra geen begrip voor de situatie van de gedetineerde vreemdelingen hetgeen de menselijke behandeling volgens de geïnterviewden niet ten goede kwam. Ze lieten zich dan ook erg negatief uit over deze bewaarders. Van het vriendelijke personeel ontvingen ze naar eigen zeggen erg veel steun. Een aantal geïnterviewde vreemdelingen zei de competentie van het personeel te betwijfelen. Ze hadden er geen vertrouwen in dat dit personeel hen kon helpen in geval van calamiteiten. Het personeel lijkt niet te voldoen aan de door het CPT en de Raad van Europa gestelde eisen.
Veiligheid en orde
De gevangenisregels gaan ook in op de orde en veiligheid in inrichtingen. Ze stellen dat veiligheidsmaatregelen zo min mogelijk inbreuk mogen maken op de menswaardigheid en tot een minimum beperkt moeten worden: ze mogen niet te streng maar ook niet te mild zijn en het gebruik van geweld is alleen in extreme omstandigheden geoorloofd. Het gevaar voor brand, geweld, en dergelijke is nooit uit te sluiten, maar de omstandigheden en de procedures moeten er voor zorgen dat een gevangene zich veilig voelt nu de gevangenis een plek hoort te zijn waar iedereen zich veilig kan voelen. Het personeel moet daartoe op elk moment van de dag bereikbaar zijn voor de gevangenen. Het mag ten behoeve van de veiligheid maatregelen nemen als isolatie, celstraf en uitsluiting van het programma, maar deze mogen alleen als uiterst redmiddel worden gebruikt, moeten proportioneel zijn en moeten zo kort mogelijk duren. Gedetineerden moeten van deze regels op de hoogte zijn. Lichaamsstraffen zijn niet toegestaan en niemand mag twee keer voor hetzelfde vergrijp gestraft worden. Gevangenen moet de mogelijkheid geboden worden (op vertrouwelijke basis) te klagen indien zij klachten hebben over de gevangenis.
Drieënveertig van de achtenveertig respondenten hadden niet het in de gevangenisregels gewenste gevoel van veiligheid. Ondanks de strenge veiligheidsmaatregelen die volgens respondenten overdreven waren omdat ze niet gevaarlijk waren, voelden zij zich niet veilig. Dit werd mede veroorzaakt door de angst voor brand. De respondenten hadden het idee dat de brandveiligheid in de centra gebrekkig was door het ontbreken van automatische ontgrendeling. Ze hadden niet het gevoel dat het personeel bekwaam was in te grijpen in geval van brand. Dit gevoel van onveiligheid nam na de Schipholbrand toe. Ook voelden een aantal respondenten zich onveilig doordat ze samen met strafrechtelijk veroordeelden op één afdeling verbleven. Zij gaven aan bang te zijn voor de strafrechtelijk veroordeelden en niets met hen te maken te willen hebben. Daarnaast hadden de geïnterviewden een onveilig gevoel vanwege de grote onzekerheid waarin ze verkeerden en de zware omstandigheden waaronder ze moesten verblijven. Tot slot klaagden zij over de sancties die volgens hen te snel voor te lang werden opgelegd zonder dat dit nodig was. Ook dit droeg niet bij aan het gevoel van veiligheid.
Rechten van vreemdelingen in detentie
Het CPT en de Europese gevangenisregels schrijven voor dat vreemdelingen in detentie hun politieke, burgerlijke, sociale, economische en culturele rechten behoren te behouden. Ze hebben bijvoorbeeld recht op het belijden van hun geloof: ze mogen diensten bezoeken en pastoraal bezoek ontvangen, maar hiertoe niet gedwongen worden. Ook hebben ze tijdens de gehele detentie recht op een advocaat die hen bij staat en met wie ze privé kunnen overleggen. Tevens hebben ze recht op drie maaltijden per dag. Deze moeten de benodigde voedingsstoffen bevatten en rekening houden met bepaalde overtuigingen van gedetineerden. Daarnaast moeten zij in staat gesteld worden tijdens hun detentie contact met de buitenwereld te onderhouden door middel van de telefoon en het ontvangen van bezoek van familie en relevante organisaties. Deze contacten mogen niet verder worden beperkt dan met het oog op de veiligheid en de orde noodzakelijk is. Bovendien moet hen de mogelijkheid geboden worden iemand te informeren over hun situatie en dienen zij zonder vertraging en in een taal die zij begrijpen geïnformeerd te worden over hun rechten en de procedure die op hen van toepassing is ten tijde van de detentie. Tot slot wordt het belangrijk gevonden dat men buiten de gevangenis weet wat er binnen gebeurt: mensen moeten gestimuleerd worden een gevangenis te bezoeken.
Op basis van de verhalen van de geïnterviewde vreemdelingen kan geconcludeerd worden dat hun rechten gerespecteerd worden. Er waren enkele klachten, zoals de vele bezwaren die kleefden aan het onderhouden van contact met de buitenwereld, het eenzijdige eten en de aanwezigheid van personeel bij gesprekken met geestelijk verzorgers, maar dit biedt onvoldoende grond om de naleving van de rechten van vreemdelingen tijdens de detentie te betwijfelen.
Kinderen in bewaring
In de gevangenisregels staat dat getracht moet worden kinderen zo veel mogelijk uit gevangenissen te houden. Indien kinderen toch gedetineerd moeten worden, moet hun detentie in overeenstemming zijn met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Dit betekent dat kinderen ook tijdens hun detentie goede scholing krijgen, contact kunnen hebben met hun familie en begeleidt en gesteund worden in hun ontwikkeling.
Op basis van de verhalen van de minderjarige respondenten en hun ouders kan geconstateerd worden dat de detentie van kinderen in Nederland niet in overeenstemming is met de gevangenisregels. De geïnterviewde ouders die met hun kind(eren) in detentie verbleven, gaven aan dat het verblijf in detentie niet geschikt is voor kinderen vanwege de te beperkte omgeving. Ze vertelden dat kinderen tijdens hun detentie stilstonden wegens een gebrek aan goed onderwijs en hierdoor een achterstand opliepen die moeilijk in te halen is. Volgens de geïnterviewde ouders is/zijn hun kind(eren) ‘een normale kindertijd’ ontnomen door het verblijf in de cel, het slechte eten, het gebrek aan vrijheid en onderwijs en de omgeving met tralies en bewaarders. Ze stelden dat de kinderen deze tijd nooit zullen vergeten en de rest van hun leven met zich mee zullen dragen.
Tot slot
De ervaringen van achtenveertig vreemdelingen laten zien dat er een discrepantie bestaat tussen de omstandigheden in de Nederlandse detentiecentra voor vreemdelingen en de voorwaarden die door het CPT en in de gevangenisregels gesteld worden wat betreft de eerbiediging van de beginselen, de locatie van tenuitvoerlegging, het regime, de zorg, het personeel, de veiligheid en de kinderen in bewaring. Bovendien blijkt uit hun verhalen dat Nederland heeft verzuimt de positieve verplichting na te komen die volgens het EHRM uit art. 3 voortvloeit. Zo was ten eerste de gezondheid van de geïnterviewden niet verzekerd: de zorg liet tijdens de detentie lang op zich wachten en de geïnterviewden vertelden vaak niet of niet goed behandeld te worden. De gezondheid van de respondenten heeft hieronder geleden en een aantal heeft blijvende fysieke en psychische klachten aan de detentie overgehouden. Ten tweede waren de omstandigheden in de detentiecentra niet aangepast aan de waardigheid van de geïnterviewde vreemdelingen: zij verbleven, ondanks dat ze niet gevaarlijk zijn, onder het sobere regime van beperkte gemeenschap in detentiecentra die leken op gevangenissen. Er was een kort dagprogramma en vreemdelingen verbleven veel op cel. Kinderen kregen bovendien nauwelijks onderwijs. Dit ging ten koste van de gemoedsrust en het welzijn van veel geïnterviewde vreemdelingen. Zij vertelden zich slechter te gaan voelen naarmate ze langer in detentie verbleven. Ten derde bezorgde het sobere regime de geïnterviewde vreemdelingen meer leed en ongemak dan met het oog op de detentie noodzakelijk was: daar niet gevaarlijk waren en hun vrijheid alleen ontnomen werd omdat ze Nederland moesten verlaten, was een milder regime geschikter geweest.
Het niet nakomen van deze positieve verplichting heeft er toe geleid dat de tenuitvoerlegging van de detentie de menswaardigheid van de geïnterviewde vreemdelingen heeft aangetast. Een aantal van hen vertelde zich geen mens meer te voelen tijdens de detentie doordat zij meer als dieren werden behandeld. Dit leidde tot minderwaardigheidsgevoelens bij een groep respondenten. Ook heeft de detentie angst bij hen veroorzaakt. Veel geïnterviewden vertelde constant bang te zijn omdat ze niet wisten wat er ging gebeuren en ze zich niet veilig voelden in de detentiecentra en grenshospitia. Dit heeft langzamerhand hun weerstand gebroken. Zo vertelden sommige respondenten “kapot” te zijn gegaan tijdens de detentie. Dit zijn de criteria die het EHRM gebruikt bij de kwalificatie van een onmenselijke behandeling. Dit zou er op kunnen duiden dat Nederland vreemdelingen in detentie onmenselijk of vernederend behandeld door ze onder te sobere omstandigheden te detineren. Het is echter niet eenvoudig gebleken dit voor het EHRM te bewijzen en de geïnterviewden zullen hun klachten dan ook moeten onderbouwen met feiten en bewijzen waaruit de onmenselijke behandeling blijkt.
4.2.2 De klacht onderbouwd met nationale en internationale kritiek
De respondenten zouden daarvoor gebruik kunnen maken van de nationale en internationale kritiek die Nederland heeft gekregen wegens het grote aantal vreemdelingen in detentie en de sobere omstandigheden waaronder zij moeten verblijven.
Omstandigheden voor kinderen in bewaring
De Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt) heeft bijvoorbeeld ook de omstandigheden voor kinderen in vreemdelingenbewaring bekritiseerd. Deze inspectiedienst van het ministerie van Justitie heeft in 2005 onderzoek gedaan naar de voorzieningen voor ouders met minderjarigen in vreemdelingenbewaring in het Grenshospitium aan de Tafelbergweg en het Uitzetcentrum te Rotterdam, de enige plaatsen waar ten tijde van het onderzoek kinderen in bewaring verbleven. Hieruit bleek dat kinderen hier niet zitten opgesloten in een veilige kindvriendelijke omgeving waar ze de beschikking hebben over maximale bewegingsvrijheid, zoals de Verenigde Naties dit graag wil. De ISt concludeerde dat de verblijfsomgeving in beide centra niet geschikt is voor een detentieverblijf van minderjarigen omdat deze te veel gericht is op handhaving van de orde en veiligheid en het voorkomen van ontvluchting. Vooral voor oudere kinderen met een groter bewustzijn voor de omstandigheden en de omgeving waarin zij verkeren zou deze omgeving te beperkend en onvoldoende uitdagend zijn. Ook constateerde de ISt dat zowel het grenshospitium als het uitzetcentrum tekortschoot ten opzichte van internationale normen op het gebied van onderwijs, sport, bibliotheek, voorlichting en de terugkeer van vreemdelingen.[35]
Robert van de Griend, journalist en redacteur van opinieblad Vrij Nederland, heeft de omstandigheden op de detentieboten te Rotterdam gehekeld. Hij heeft gedurende enkele maanden undercover als toezichthouder gewerkt op de Bibby Stockholm-boot en zijn ervaringen in Vrij Nederland opgetekend. Hij schrijft dat de humaniteit van de behandeling van gedetineerde vreemdelingen veel te wensen over laat. Zo leven illegale vreemdelingen volgens hem onder minimale omstandigheden op de boot. Ze verblijven met vier personen op een kleine, benauwde cel waar nauwelijks licht binnen komt en waar het slecht is gesteld met de hygiëne. Ze worden hier opgesloten van 17:00 tot 8:00 uur en tijdens de lunch die bestaat uit een magnetronmaaltijd. Per dag mogen ze een uurtje luchten. De rest van de tijd verblijven ze in de recreatieruimte waar ze nauwelijks iets kunnen doen. Indien suïcide gevreesd wordt of er problemen zijn op de afdeling, kan de vreemdeling overgeplaatst worden naar de observatieafdeling waar hij alleen op cel verblijft. Het is geen uitzondering dat een vreemdeling hier zes maanden of langer moet blijven en daardoor langzaam overspannen raakt of doordraait, aldus Van de Griend.
Ook is de competentie van het personeel bedenkelijk volgens de journalist. Hij schrijft dat het personeel niet weet wat te doen in geval van calamiteiten. Zo weten ze niet welke blusmiddelen te gebruiken bij brand en waar deze te vinden. Ook werken de piepers niet altijd waardoor een toezichthouder in geval van nood alleen kan komen te staan. De journalist vervolgt zijn verhaal met de bejegening van het personeel naar de vreemdelingen die zorgwekkend zou zijn. De vreemdelingen worden volgens hem niet met respect behandeld. Zo kreeg een vreemdeling koffiemelk in plaats van gewone melk, werd post van de advocaat ‘per ongeluk’ opengemaakt en werden de mogelijkheden om beklag te doen belemmerd. De opleiding die de vreemdelingentoezichthouders moeten doorlopen is volgens Van de Griend minimaal. Ze krijgen een cursus detentietoezichthouder van zeven dagen en een cursus bedrijfshulpverlening van twee dagen. Dit zou te beperkt zijn om het vak te leren. Ook wordt niet getoetst of iemand capabel is.
Dit heeft zijn weerslag op de veiligheid op de boot volgens de journalist. Hij beschrijft dat deze zorgelijk is. Zo kunnen de cellen op de detentieboot niet automatisch worden ontgrendeld en is het mogelijk door de detectiepoortjes te lopen terwijl deze piepen. Volgens hem staat het personeel niet voor de veiligheid in. Het management is echter niet capabel of niet bereid hier iets aan te doen. Oud-gedetineerden, (ex)bewaarders, familieleden van gedetineerden, asieladvocaten en vluchtelingenorganisaties hebben het verhaal van Van de Griend bevestigd.[36]
Het ministerie van Justitie heeft naar aanleiding van de reportage van Van de Griend de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) en de ISt ingeschakeld om het functioneren van de detentieboten te beoordelen en te bekijken of er op de boot sprake is van structurele misstanden. Zij komen tot de conclusie dat er op de detentieboten niet gesproken kan worden van structurele misstanden en/of verstoorde relaties tussen vreemdelingen en toezichthouders. Wel constateren zij dat er veel incidenten plaatsvinden op de boot zoals vechtpartijen tussen bewoners, (pogingen tot) ontvluchting en spanningen onder de vreemdelingen, dat de toegang tot de psycho-sociale verzorging tekortschiet, de voorzieningen voor lichamelijke oefening en sport erg beperkt zijn, de winkel geen groente of fruit maar slechts houdbare producten bevat, de bewoners op versleten matrassen slapen, het serviesgoed sporen van eerder gebruik vertoont, de luchtvoorzieningen op de observatieafdeling onvoldoende zijn en dat de vreemdelingen volgens de geestelijk verzorgers een ongezonde indruk maken. Ook schrijven de onderzoekers dat de vreemdelingen onvoldoende op de hoogte zijn van de Commissie van Toezicht waardoor ze niet weten waar ze met klachten terecht kunnen en dus niet over de tekortkomingen kunnen klagen. Volgens de ISt en de RSJ kan er echter niet gesproken worden van structurele misstanden omdat de tekortkomingen worden erkend door de directie en zij tracht deze te verbeteren.[37]
Spanning met mensenrechten
Ook verschillende mensenrechtenorganisaties hebben aanmerkingen op Nederland. Zij betwijfelen of de mensenrechten voor vreemdelingen in detentie nog wel gegarandeerd zijn. De Zwitsers parlementariër Zapfl-Helbling van de Raad van Europa constateerde tijdens een bezoek dat Nederland de mensen- en kinderrechtenverdragen blijft schenden. Zo verblijven er nog steeds kinderen in gevangenissen en worden er nog steeds kinderen van hun ouders gescheiden. Ook maakt ze zich zorgen over de omstandigheden waaronder de beslissing op de aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning moet worden afgewacht. Ze is geschokt dat het Nederlandse asielbeleid niet is veranderd na het eerdere rapport dat de Raad van Europa hierover uitbracht.[38]
De United Nations High Commissioner for Human Rights (UNHCHR) maakt zich zorgen over de veiligheid in detentiecentra. Hij bekritiseert Nederland vanwege de brandveiligheid omdat waarschuwingen na twee eerdere branden op het cellencomplex Schiphol-Oost in de wind zijn geslagen en de brandveiligheid niet is verbeterd: er was geen centrale ontgrendeling aangebracht, er waren geen brandwerende deuren en het personeel kwam te laat in actie waardoor bij de Schipholbrand elf vreemdelingen om het leven kwamen. Ook is de UNHCHR kritisch omdat uitgeprocedeerde asielzoekers in dezelfde ruimte worden vastgehouden als personen die zijn veroordeeld voor een strafbaar feit. Hij is bezorgd om de veiligheid van de vreemdelingen.[39]
Ook het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) is kritisch over de naleving van mensenrechten in detentiecentra voor vreemdelingen. Zij heeft een commentaar geschreven voor het CPT naar aanleiding van een rapport van de Nederlandse regering over de implementatie van de United Nation Convention against Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CAT) gedurende 1999 tot 2002. Het NJCM wilde het CPT mede namens Amnesty International Nederland, Defence for Children en Vluchtelingenwerk Nederland voorzien van meer gedateerde informatie. Zo hoopt ze een open discussie te krijgen als het CPT in mei 2007 naar Nederland komt voor een inspectiebezoek. Ze schrijft in het commentaar dat de vrijheidsontneming in Nederland niet als laatste redmiddel wordt gebruikt en dat de omstandigheden in de detentiecentra te wensen overlaten. Ze uit haar bezorgdheid over het gebrek aan bewegingsvrijheid, privacy, onderwijs, over het personeel dat niet geschikt is om met kinderen om te gaan en over het stijgende aantal vreemdelingen dat (lang) in detentie verblijft. Het NJCM denkt dat de ontwikkelingen in het vreemdelingenbeleid kunnen leiden tot schending van de CAT.[40]
Detentieomstandigheden vreemdelingen versus strafrechtelijk gedetineerden
Nederland is tevens bekritiseerd vanwege de slechte behandeling van vreemdelingen in detentie in vergelijking met strafrechtelijk gedetineerden. Verschillende Europese universiteiten en nationale experts hebben onderzoek gedaan naar de positie van buitenlandse gevangenen in detentie in vijfentwintig landen binnen de Europese Unie (EU). Uit dit onderzoek, dat mede is gefinancierd door de Europese Commissie, is gebleken dat vreemdelingen in detentie aanzienlijk slechter af zijn dan strafrechtelijk veroordeelden. Ook bleek dat Nederland niet-veroordeelde buitenlanders zonder papieren sneller opsluit dan andere landen in de EU. Het klimaat ten aanzien van illegale vreemdelingen zou hier steeds harder worden.[41]
Er wordt geconcludeerd dat de positie van vreemdelingen in detentie slechter is dan de positie van criminelen. Zij hebben minder rechten dan gevangenen die een straf uitzitten en verblijven volgens de onderzoekers onder extreem sobere omstandigheden. Ze zitten vaak lang in detentie zonder iets te doen te hebben en hebben per week recht op één uur bezoek, anderhalf uur sport, zes uur recreatie en zeven uur luchten. Ze krijgen 7,50 euro per week wat te weinig is om te kunnen voorzien in telefoonkaarten, aanvullend voedsel, rookwaar en postzegels. Ook faciliteiten als rechtsbijstand, het gebruik van de bibliotheek, medische en psychische hulp, onderwijs en recreatie zijn volgens de onderzoekers vaak beneden het niveau van reguliere penitentiaire instellingen. Vreemdelingen zouden niet goed over hun rechten worden geïnformeerd en er zou geen informatie beschikbaar zijn in een voor hen begrijpelijke taal. Ook de bekwaamheid van het personeel is een punt van zorg. Medewerkers zouden gekwalificeerd moeten zijn, bekend moeten zijn met verschillende culturen, relevante taalkennis moeten hebben en bovendien in staat moeten zijn psychische en psychiatrische symptomen te onderkennen. In de praktijk zijn ze dit vaak niet volgens de onderzoekers: een deel van het personeel is afkomstig van beveiligingsbedrijven, heeft nauwelijks een opleiding gehad om in een detentiecentrum te werken en is niet voorbereid met gedetineerden om te gaan. Ze concluderen verder dat deze categorie gedetineerden niet in aanmerking komt voor verlof en deelname aan programma’s gericht op na de detentie. Er is geen maximumtermijn vastgesteld voor de detentie waardoor de vreemdeling constant in onzekerheid verkeert over de lengte van het verblijf. Een verblijf van langer dan een jaar is geen uitzondering. Doordat de detentiecentra niet zijn ingericht op een lang verblijf en op de aanwezigheid van kinderen, ontstaat er een bron van spanning die zich vaak openbaart in opstandig of juist onverschillig gedrag, vechtpartijen, zelfmoordpogingen, hongerstakingen, enzovoorts. Dit leidt er volgens de onderzoekers toe dat vreemdelingen in detentie aanzienlijk slechter af zijn dan strafrechtelijk veroordeelden. De onderzoekers zoeken de verklaring hiervoor in het feit dat de rechten van administratieve gedetineerden vaak niet zijn vastgelegd. Als ze wel zijn vastgelegd, zijn de regels niet bindend. Daardoor ontstaat er veel ruimte voor de EU- lidstaten om deze lacunes in de wet met behulp van nationale wetgeving en naar eigen interpretatie in te vullen. Kwetsbare personen als illegale vreemdelingen worden hier volgens hen slachtoffer van.[42]
Ultimum remedium?
Niet alleen de detentieomstandigheden voor vreemdelingen worden bekritiseerd, maar ook het grote aantal vreemdelingen dat in detentie verblijft. Vrijheidsontneming is het zwaarste middel dat de overheid tot haar beschikking heeft om haar regels te handhaven en haar doelen te bereiken. Het opsluiten van mensen mag dan ook alleen worden toegepast als er geen lichter alternatief voor handen is. Het is een uiterst redmiddel ofwel een ultimum remedium. Het moet terughoudend worden gebruikt. Het aantal vreemdelingen in detentie neemt echter toe.
Het wordt betwijfeld of de vrijheidsontneming van vreemdelingen als ultimum remedium wordt gebruikt. Het NJCM gaf al aan dat volgens haar de vreemdelingendetentie niet als uiterste redmiddel wordt gebruikt. Ook Mirande Boone, universitair hoofddocent straf(proces)recht en criminologie aan de Universiteit Utrecht, schrijft dat er veel alternatieven zijn voor detentie van vreemdelingen maar dat deze niet of nauwelijks worden gebruikt. Terwijl het gaat om mensen die geen strafbare feiten hebben gepleegd en die geen gevaar vormen voor de samenleving, wordt voor het zwaarste middel gekozen. Daarbij worden de gevallen waarin en de gronden waarop vrijheidsontneming kan worden toegepast, zo ruim geïnterpreteerd dat volgens haar niet meer gesproken kan worden van terughoudendheid bij het detineren van vreemdelingen.[43]
Tot slot
De kritiek die Nederland heeft gekregen wegens de vrijheidsontneming van vreemdelingen strekt zich voornamelijk uit over de detentie van kinderen, het personeel, de veiligheid in de detentiecentra, het sobere regime voor de vreemdelingen en het grote aantal vreemdelingen in detentie. Dit sluit aan bij de klacht van de achtenveertig vreemdelingen en zou dan ook bij het EHRM aangedragen kunnen worden om hun klacht te ondersteunen.
4.2.3 Een weerwoord van de Nederlandse regering
De Nederlandse regering ondersteunt deze klacht niet. Zij heeft herhaaldelijk aangegeven zich niet te kunnen vinden in de kritiek die ze heeft gekregen wegens de vrijheidsontneming van vreemdelingen. Ze zegt het mandaat van de kiezer te hebben voor een streng vreemdelingenbeleid en dit beleid streng maar rechtvaardig uit te voeren. Vrijheidsontneming van (minderjarige) vreemdelingen kan daarbij niet worden uitgesloten volgens haar. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de vreemdelingen zelf. Het is aan hen om Nederland te verlaten en hun vrijheid wordt alleen ontnomen als ze dit niet uit eigen beweging doen. De detentieomstandigheden zijn dan echter “alleszins menselijk” volgens de regering. Ze voldoen aan relevante wet- en regelgeving, zeker omdat vreemdelingen kort in detentie verblijven. Ze heeft de omstandigheden in detentiecentra waar kinderen verblijven aangepast na de kritiek van de ISt, de omstandigheden op de detentieboten verbeterd na het onderzoek van de ISt en de RSJ en de brandveiligheid in de detentiecentra vergroot naar aanleiding van de Schipholbrand. Meer verandering vond ze niet nodig omdat de omstandigheden in de detentiecentra in haar ogen niet onmenselijk of anderszins onder de maat zijn.[44]
Dit stemt niet overeen met de bevindingen van dit onderzoek die laten zien dat de ervaringen van de achtenveertig geïnterviewde vreemdelingen discrepantie vertonen met de standards van het CPT en de Europese gevangenisregels wat bovendien wordt ondersteund door zowel nationale als internationale kritiek die Nederland eerder heeft gekregen. Ik heb daarom destijds verantwoordelijk minister van Justitie en Vreemdelingenzaken Ernst Hirsch Ballin een brief geschreven om hem de bevindingen van dit onderzoek voor te leggen en om een reactie te vragen. De Sectordirecteur Bijzondere Voorzieningen heeft namens de minister geantwoord. Hij geeft aan dat het ministerie van Justitie er grote waarde aan hecht dat de vreemdelingendetentie op humane wijze plaatsvindt. Daarom zijn er Commissies van Toezicht (CvT) die toezicht houden op de detentiesituatie binnen de inrichtingen en waarbij vreemdelingen terecht kunnen met klachten. Tevens zijn er periodieke inspecties van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de ISt. De aanbevelingen die zij doen worden volgens de sectordirecteur in grote lijnen overgenomen, zoals ook gebeurd is na de onderzoeksrapporten over de omstandigheden voor kinderen in bewaring en de omstandigheden op de detentieboten. Hij gaat in de brief niet in op de overige kritiek die Nederland heeft gekregen wegens de vrijheidsontneming van vreemdelingen en de verhalen van de achtenveertig vreemdelingen, maar concludeert het volgende: “Er zijn voldoende Toezichthoudende Instanties die periodiek een bezoek aan de inrichtingen brengen en hier verslag van doen. Waar nodig zal het Ministerie van Justitie natuurlijk te allen tijde haar werkzaamheden evalueren en zonodig aanpassen maar in ieder geval kan gesteld worden dat de vreemdelingendetentie in Nederland voldoet aan alle relevante wet en regelgeving.”[45]
4.3 Tot slot
De klacht van de achtenveertig vreemdelingen wegens een onmenselijke vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland bij het EHRM lijkt te kunnen leiden tot een veroordeling van Nederland wegens schending van het verbod op een onmenselijke of vernederde behandeling uit art. 3. Hun ervaringen laten zien dat de tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie niet in overeenstemming is met de standards van het CPT en de Europese gevangenisregels op het gebied van de eerbiediging van de beginselen, de locatie van tenuitvoerlegging, het regime, de zorg, het personeel, de veiligheid en de voorzieningen voor kinderen in bewaring. Hun klacht wordt bovendien ondersteund door de nationale en internationale kritiek die Nederland heeft gekregen wegens de detentie van kinderen, het personeel in de detentiecentra, de veiligheid, het sobere regime en het grote aantal vreemdelingen in detentie. De Nederlandse regering is het hier niet mee eens en geeft aan dat de detentie “alleszins menselijk” is en voldoet aan relevante wet- en regelgeving. Zij verzuimt echter de positieve verplichting die voortvloeit uit art. 3 na te komen door de gezondheid en het welzijn van de vreemdelingen niet te verzekeren, de omstandigheden niet aan te passen aan de waardigheid van de vreemdelingen en hen meer leed en ongemak te onderwerpen dan met het oog op de detentie noodzakelijk is. En aangezien dit de menswaardigheid van een groep geïnterviewden heeft aangetast, angst en minderwaardigheidsgevoelens bij geïnterviewde vreemdelingen heeft veroorzaakt en de fysieke en mentale weerstand van een aantal respondenten heeft gebroken, kan het EHRM concluderen dat Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan een onmenselijke en vernederende behandeling van vreemdelingen in detentiecentra. Maar zolang dit nog niet bewezen is en het EHRM zich hier nog niet over uitgesproken heeft, mag de vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland juridisch gezien niet als onmenswaardig beschouwd worden. Het is daarom raadzaam voor de vreemdelingen die momenteel in vreemdelingendetentie verblijven deze zaak aan het EHRM voor te leggen om het te laten beoordelen of Nederland het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling uit art. 3 overtreedt met de tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie in zulke sobere detentiecentra.
5. Vreemdeling in een risicomaatschappij
In het vorige hoofdstuk is gebleken dat Nederland kans maakt te worden veroordeeld wegens een onmenselijke en vernederende behandeling van vreemdelingen in detentie. Dit zal verbazing wekken aangezien Nederland mensenrechten hoog in het vaandel heeft staan en internationaal goed staat aangeschreven op dit gebied. De vraag rijst nu hoe dit zo is gekomen Dit wordt in paragraaf 5.1 uitgelegd in het licht van de risicomaatschappij. In paragraaf 5.2 wordt vervolgens gekeken wat voor gevolgen dit met zich mee heeft gebracht om tot slot in paragraaf 5.3 te kunnen concluderen waar de verscherping van het vreemdelingenbeleid toe heeft geleid.
5.1 Van een strenger vreemdelingenbeleid naar herhaaldelijke kritiek op de
vrijheidsontneming van vreemdelingen
De Duitse socioloog Ulrich Beck heeft in 1986 het begrip ‘risk society’ ofwel ‘risicomaatschappij’ geïntroduceerd.[46] Hij constateerde dat de technologische ontwikkeling een dusdanige vlucht had genomen dat zij haar eigen risico’s niet meer kon beheersen. Door de succesvolle modernisering namen de materiele noden af en stegen de potentiële dreigingen. De pogingen om deze risico’s te reduceren namen volgens Beck de overhand in de maatschappelijke ordeningsprocessen doordat de grote mate van materiele zekerheid gepaard ging met grote veelal onzichtbare risico’s. Als voorbeeld kan de gentechnologie genoemd worden: er zijn momenteel voldoende gewassen in Nederland om iedereen te eten te geven. De technologische ontwikkelingen hebben het echter mogelijk gemaakt voedsel genetisch te modificeren of manipuleren waardoor gewassen efficiënter geteeld kunnen worden en ook kunnen groeien op een ondergrond die hiervoor eigenlijk niet geschikt is. De gentechnologie heeft veel voordelen, maar brengt ook risico’s met zich mee. Zo is het onduidelijk wat de gevolgen zijn voor de biodiversiteit en kunnen er op de lange termijn effecten optreden die nu nog niet bekend zijn. Er wordt getracht deze (onzichtbare) risico’s die de gentechnologie met zich mee brengt in te dammen met behulp van regelgeving. De poging de risico’s te reduceren die de gentechnologie met zich mee brengt, neemt dus de overhand in het maatschappelijke ordeningsproces.
In de risicomaatschappij staat niet meer het verdelen van de welvaart centraal maar het spreiden van de risico’s. De politiek moest daarom leren omgaan met risicovermijding en risicomanagement en leren ingrijpen in geval van gevaar. Het had een meer interventionistische overheid tot gevolg nu deze typering van de samenleving niet alleen van toepassing was op de gentechnologie, maar ook op andere levenssferen zoals God en de internationalisering. Het typerende van de risicomaatschappij is immers het risicovolle leven met alle onzekerheden van dien. Dit kan gaan om risico’s als gentechnologie, maar ook om risico’s als de globalisering, de verzwakking van het familie- en buurtleven of andere bronnen die onzekerheid en onbehagen met zich meebrengen. In de risicomaatschappij wordt getracht deze risico’s te vermijden of te beheersen. Er wordt niet gestreefd naar het goede, maar er wordt getracht het kwade te voorkomen. Angst is het organiserende motief in de hoop een veilige samenleving te creëren.
De risicomaatschappij is tevens een ‘zondebokmaatschappij.’ De politiek is verantwoordelijk voor het elimineren van de risico’s in de samenleving. De samenleving zal de politieke boodschap dat de risico’s niet te elimineren zijn niet accepteren. Volgens Beck roepen risico’s daardoor de neiging op om ze ergens aan toe te schrijven, namelijk aan een zondebok. Het zijn dan niet meer de risico’s zelf, maar zij die de risico’s, de onveiligheid, angst of onrust, met zich meebrengen die geëlimineerd moeten worden. Als voorbeeld kunnen ‘de crimineel’ en ‘de terrorist’ genoemd worden: om te voorkomen dat criminele of terroristische daden worden gepleegd, worden mogelijke criminelen en terroristen preventief aangepakt.[47]
‘De vreemdeling’ kan ook als een zondebok van de risicomaatschappij worden gezien: bij het begin van de eeuwwisseling kon het onbehagen van de Nederlandse samenleving wegens het afnemende vertrouwen in de economie zich gemakkelijk projecteren op de vreemdeling doordat zijn gedrag en opvattingen afweken van die van de westerse cultuur. De xenofobie in Nederland nam toe ondanks het dalende aantal asielaanvragen. De afnemende economie werd toegeschreven aan de vreemdeling omdat er angst bestond dat hij onveiligheid met zich mee bracht en huizen en banen van Nederlanders in pikte. Vreemdelingen werden als risico gezien en moesten preventief aangepakt worden. De politiek speelde hier op in: het vreemdelingenbeleid werd verscherpt om de risico’s die vreemdelingen met zich mee brachten te kunnen beheersen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de mogelijkheden om vreemdelingen hun vrijheid te ontnemen in 2001 zijn verruimd met de invoering van een nieuwe vreemdelingenwet. Vervolgens werd een jaar later, met het aantreden van het eerste kabinet onder Balkenende, gekozen voor een restrictief vreemdelingenbeleid waarin vreemdelingen minder kans hadden toegang te krijgen tot Nederland, toestemming te krijgen hier te mogen verblijven of hier in de illegaliteit te leven. De nadruk kwam zo meer te liggen op de terugkeer van de vreemdeling en het voorkomen dat nieuwe vreemdelingen naar Nederland zouden komen. Dit betekende in de praktijk dat een vreemdeling bij aanraking met de autoriteiten in bewaring werd genomen indien hij niet over de juiste papieren beschikte waardoor steeds meer vreemdelingen in detentiecentra terecht kwamen. De detentiecapaciteit moest snel en creatief worden uitgebreid. Dit ging, mede door de bezuinigingen in het detentiewezen, ten koste van de omstandigheden en voorzieningen in detentiecentra. Dit heeft er uiteindelijk toe geleidt dat vreemdelingen in de detentiecentra onder zulke sobere omstandigheden verblijven dat Nederland kans loopt te worden veroordeeld door het EHRM wegens een onmenselijke of vernederende behandeling van vreemdelingen in detentie.
5.2 Gevolgen blijven uit
De kans op een veroordeling van het EHRM heeft nauwelijks gevolgen met zich mee gebracht. Zo zijn de omstandigheden in de detentiecentra voor vreemdelingen nauwelijks veranderd. Ook is er geen maatschappelijke onrust ontstaan naar aanleiding van de kritiek dat Nederland zich schuldig maakt aan schending van mensenrechten van vreemdelingen in detentie. Er zijn mensen die zich inzetten voor de vreemdelingen in detentie door zich vast te ketenen aan de detentieboten en wake’s en demonstraties te organiseren en er zijn werknemers van detentiecentra die van binnenuit proberen de detentieomstandigheden te verbeteren, maar grootschalige beweging in de Nederlandse samenleving is vooralsnog uitgebleven. Ter vergelijking; in Australië is in 2002 met honderden betogers een detentiecentrum bestormd om de asielzoekers vrij te laten en zo te demonstreren tegen het vreemdelingenbeleid.[48] Zulk soort taferelen is in Nederland vooralsnog niet te zien. Dit kan komen doordat mensen niet van op de hoogte zijn van de soberheid van de detentieomstandigheden voor vreemdelingen of omdat ze hier mee instemmen. Het uitblijven van ingrijpen van de regering en het uitblijven van maatschappelijke onrust kan echter ook verklaard worden met behulp van een zogenaamde ‘culture of denial.’
De culture of denial is een theorie van criminoloog Stanley Cohen.[49] Hij heeft deze theorie bedacht toen hij in Israël leefde en de intifada gaande was. Hij verbaasde zich over het uitblijven van reactie van de Israëlische samenleving op het geweld tegen en de onderdrukking van de Palestijnen door Israël naar aanleiding van de Palestijnse opstand tegen de Israëlische bezetting. Terwijl iedereen op de hoogte was van het beleid van Israël, werd er niet ingegrepen door diegenen die het niet eens waren met dit beleid. Een soortgelijk proces zag hij ook in Zuid Afrika tijdens de apartheid en in Algerije en Bosnië. Hij herkende een culture of denial en gebruikte deze theorie om het uitblijven van ingrijpen door staat en omstanders te verklaren.
De culture of denial wordt ten eerste gekenmerkt door mensenrechtenschendingen of misdaden van een staat die door diezelfde staat ontkend worden. Volgens Cohen ziet dit proces er als volgt uit: een staat maakt zich schuldig aan bijvoorbeeld marteling maar verzwijgt of ontkent dit. Wanneer blijkt dat er foto’s of ander materiaal bestaat waarop de marteling of de gevolgen van de marteling te zien zijn, zal de staat verkondigen dat dit geen marteling was maar iets anders, bijvoorbeeld zelfverdediging. Uiteindelijk zal de staat niet meer in staat zijn de marteling te ontkennen doordat er onomstotelijk bewijs is waaruit de marteling blijkt. De staat zal dan de marteling toegeven, maar haar gedrag rechtvaardigen door zich te beroepen op een rechtvaardigingsgrond zoals het beschermen van de veiligheid of de oorlog tegen het terrorisme.
Het tweede kenmerk van de culture of denial vormen de omstanders: mensen die op de hoogte zijn van het afkeurenswaardige gedrag van de staat, maar hier ondanks dat ze het afkeuren niet tegen optreden. Volgens Cohen treden zij niet op omdat ze zich niet verantwoordelijk voelen voor wat er gebeurt, omdat andere mensen ook in kunnen grijpen, omdat ze zich niet kunnen identificeren met slachtoffers of omdat ze menen niet effectief op te kunnen treden tegen de staat.
Deze staat en de omstanders maken gebruik van zogenaamde neutralisatietechnieken om de misdaden of de mensenrechtenschendingen en het niet optreden hiertegen goed te praten. Dit is het derde kenmerk van de culture of denial. Gresham M. Sykes en David Matza hebben vijf neutralisatietechnieken bedacht om de jeugdcriminaliteit te verklaren: redeneringen die jongeren gebruiken om hun deviante gedrag voor zichzelf en voor anderen goed te praten.[50] Volgens Cohen gebruiken staat en omstanders dezelfde vijf redeneringen om hun misdaden, mensenrechtenschendingen of het niet optreden hiertegen voor zichzelf en voor burgers goed te praten en te rechtvaardigen. Dit kan betekenen dat staat en omstanders 1) de schade ontkennen, 2) het slachtoffer ontkennen, 3) de verantwoordelijkheid ontkennen, 4) de veroordelers veroordelen of 5) zich beroepen op een hogere macht om het gedrag te rechtvaardigen.
Cohen heeft de culture of denial herhaaldelijk gebruikt om het uitblijven van reactie op misdaden of mensenrechtenschendingen van een staat te verklaren. Deze theorie kan ook gebruikt worden om het uitblijven van ingrijpen van de regering en het uitblijven van maatschappelijke onrust na de kritiek betreffende de detentieomstandigheden voor vreemdelingen te verklaren.
Zo wordt aan het eerste kenmerk van de culture of denial voldaan: de ontkenning. Nederland is zowel nationaal als internationaal bekritiseerd vanwege het grote aantal vreemdelingen dat in detentie verblijft onder extreem sobere omstandigheden. Verschillende instanties die actief zijn op het gebied van de mensenrechten gaven aan te twijfelen of de mensenrechten voor vreemdelingen in detentie in Nederland nog wel gegarandeerd zijn en verschillende onderzoekers concludeerden dat de detentieomstandigheden voor vreemdelingen ondermaats zijn. De Nederlandse regering ontkent dit echter. Zij schrijft, zonder in te gaan op de kritiek die ze gekregen heeft, dat de omstandigheden in de detentiecentra aan alle relevante wet- en regelgeving voldoen. De detentieomstandigheden zijn sober maar niet ondermaats, aldus de regering. De soberheid van de omstandigheden waaronder vreemdelingen tijdens hun detentie moeten verblijven wordt door de regering gerechtvaardigd door op de verantwoordelijkheid van de vreemdeling te wijzen: het is zijn verantwoordelijkheid terug te keren naar zijn eigen land of een derde veilig land en zo te voorkomen in detentie terecht te moeten verblijven. Ook is het aan de vreemdeling de detentie zo kort mogelijk te laten duren door vanuit het detentiecentrum alsnog vrijwillig te vertrekken of mee te werken aan de uitzetting. Verandering van de omstandigheden in de detentiecentra is dan ook niet noodzakelijk, aldus de regering.
Ook aan het tweede kenmerk van de culture of denial wordt voldaan: er zijn omstanders die op de hoogte zijn van de sobere tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie, die hier niet mee instemmen maar die toch niet ingrepen hebben om de detentieomstandigheden voor vreemdelingen te veranderen. Te denken valt aan de mensen die werkzaam zijn in de inrichtingen, journalisten en Nederlandse burgers. Het kan zijn dat deze mensen niet hebben ingegrepen omdat zij zich niet konden identificeren met de slachtoffers, de vreemdelingen. Het kan echter ook zo zijn dat ze dachten niet effectief in te kunnen grijpen en daarom niet het risico wilden lopen hun baan te verliezen. Ik heb echter geen omstanders gesproken waardoor het niet mogelijk is te zeggen waarom zij naar aanleiding van de kritiek niet in actie zijn gekomen voor verbetering van de detentieomstandigheden. Hier moet opgemerkt worden dat ook omstanders zijn die wel ingegrepen hebben maar die de detentieomstandigheden niet of nauwelijks hebben kunnen veranderen, dat er mensen zijn die niet op de hoogte zijn van de sobere tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie en dat er mensen zijn die hiermee instemmen.
Tot slot is ook het derde kenmerk van de culture of denial aanwezig: de neutralisatietechnieken. Over de omstanders is bij mij niets bekend, maar de regering rechtvaardigt de sobere omstandigheden waaronder vreemdelingen tijdens hun detentie moeten verblijven met behulp van neutralisatietechnieken. Ze gebruikt hiervoor drie verschillende redeneringen. Ten eerste beroept zij zich op een hogere macht om de vrijheidsontneming van vreemdelingen te rechtvaardigen. Zij geeft aan dat de vrijheidsontneming van vreemdelingen noodzakelijk is om het vertrek van vreemdelingen uit Nederland zeker te stellen en te voorkomen dat het voor andere vreemdelingen aantrekkelijk wordt naar Nederland te komen. Zo wordt de openbare orde beschermd en wordt voorkomen dat te veel vreemdelingen naar Nederland komen. Ten tweede ontkent de regering de schade die ze bij de vreemdelingen aanricht door het verblijf in detentie onder de sobere omstandigheden. Ze geeft aan dat de sobere omstandigheden voldoen en “alleszins menswaardig” zijn omdat vreemdelingen maar kort in detentie verblijven. In de praktijk verblijven vreemdelingen hier vaak lang en de geïnterviewde (minderjarige) vreemdelingen geven aan blijvende psychische en fysieke schade te hebben opgelopen. Ten derde ontkent ze de verantwoordelijkheid voor de vreemdelingendetentie. Het is de verantwoordelijkheid van de vreemdelingen Nederland te verlaten en de verantwoordelijkheid voor de detentie ligt dan ook bij de vreemdeling als hij in detentie terecht komt en hier lang moet blijven. Een gelukszoeker weet immers dat de kans bestaat dat hij niet in Nederland mag blijven en neemt zelf het risico in detentie terecht te komen, aldus de regering. Bovendien heeft de kiezer voor dit beleid gekozen.
5.3 Tot slot
Door toedoen van de risicomaatschappij heeft de verscherping van het vreemdelingenbeleid er toe geleidt dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming van vreemdelingen herhaaldelijk is bekritiseerd en dat Nederland zelfs kans maakt te worden veroordeeld door het EHRM wegens een onmenselijke behandeling van de vreemdelingen in detentiecentra. Dit heeft geen gevolgen met zich meegebracht: door onwetendheid, instemming met het beleid of door het ontstaan van een zogenaamde culture of denial wordt het niet nodig gevonden de detentieomstandigheden te verbeteren en is er geen maatschappelijke onrust ontstaan. Vreemdelingen verblijven nog onder dezelfde omstandigheden in de detentiecentra waardoor de twijfel omtrent de menswaardigheid van de tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie blijft voortbestaan.
6. Samenvatting en conclusie
In deze studie heeft de menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen centraal gestaan. Er is gekeken hoe de vrijheidsontneming van vreemdelingen eruit ziet in de ogen van achtenveertig vreemdelingen die deze aan den lijven hebben ondervonden en in hoeverre deze op grond van hun ervaringen als onmenswaardig beschouwd kan worden. Toen bleek dat er grond bestond de menswaardigheid van de detentie te betwijfelen is getracht de ontwikkelingen rondom de vrijheidsontneming van vreemdelingen, vanaf de verscherping van het vreemdelingenbeleid tot aan de herhaaldelijke kritiek op de tenuitvoerlegging van de detentie, te verklaren in het licht van de risicomaatschappij. In dit afsluitende hoofdstuk worden de belangrijkste bevindingen samengevat en enkele conclusies getrokken.
6.1 Verruimde mogelijkheden voor de vrijheidsontneming van vreemdelingen
Het vreemdelingenbeleid is de laatste jaren verhard. In 2001 trad onder het tweede paarse kabinet de nieuwe vreemdelingenwet van toenmalig staatssecretaris Job Cohen (PvdA) in werking. In deze wet werden de mogelijkheden om vreemdelingen hun vrijheid te ontnemen verruimd. Een jaar later werd onder het eerste kabinet van Jan Peter Balkende (CDA) gekozen voor een naar eigen zeggen “streng, maar rechtvaardig” vreemdelingenbeleid. Een restrictief toelatingsbeleid, aanpak van de illegaliteit en een effectief terugkeerbeleid stonden hierin centraal. Hilbrand Nawijn (LPF) en later Rita Verdonk (VVD) mochten hier als minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie leiding aan geven. Onder hun leiding werd de controle en de opsporing van vreemdelingen geïntensiveerd. Zo werd het voor vreemdelingen moeilijker toegang te krijgen tot Nederland, toestemming te krijgen in Nederland te mogen verblijven en hier in de illegaliteit te leven. De vreemdelingenwet van Cohen werd nu met de “koude hand” uitgevoerd.[51] Het aantal vreemdelingen in detentie nam toe waardoor de cellencapaciteit snel en creatief uitgebreid moest worden ten behoeve van de vrijheidsontneming van vreemdelingen.
De vrijheid van een vreemdeling kan door de invoering van de nieuwe vreemdelingenwet op vier gronden ontnomen worden. Indien de vreemdeling geen toestemming krijgt Nederlands grondgebied te betreden of als hij niet rechtmatig in het land verblijft en het land dient te verlaten, kan hij in grensdetentie of vreemdelingenbewaring komen. Hij wordt dan in een grenshospitium, detentiecentrum, detentieboot of een uitzetcentrum gedetineerd waar óf het Reglement regime grenslogies óf de Penitentiaire beginselenwet van toepassing is. Het Rrg kent het meest soepele regime doordat vreemdelingen alleen tijdens de lunch, het avondeten en de nacht worden ingesloten. Onder het regime van de Pbw brengt een vreemdeling meer tijd in zijn cel door. Beide regimes worden vanwege de korte detentieduur gekenmerkt door soberheid. De duur van de detentie staat echter niet vooraf vast en kent geen maximum. De detentie eindigt met het vertrek van de vreemdeling of als de rechter, de minister van Justitie of de IND hiertoe besluit.
6.2 Achtenveertig vreemdelingen aan het woord
In het kader van dit onderzoek hebben achtenveertig vreemdelingen hun ervaringen verteld over hun verblijf in vreemdelingendetentie. Ik sprak met hen over de aanhouding en plaatsing in het detentiecentrum, de cel, het dagprogramma, de zorg, de contacten in en buiten het detentiecentrum, de orde en het vertrek uit het detentiecentrum.
De respondenten spraken eerst over de aanhouding en de aankomst in het detentiecentrum. Veel van hen vertelden als criminelen of dieren behandeld te zijn bij de aanhouding. Ze begrepen niet waarom ze werden aangehouden en waarom hier zo veel politie voor nodig was terwijl ze geen criminelen waren. Veertien respondenten zijn vervolgens overgebracht naar een politiecel. Tien van hen vertelden daar constant in een (veelal vieze) cel te moeten verblijven waar ze niets konden doen en waar ze geen contact mochten hebben met anderen. Er was één kind dat hier verbleef. Vanuit de politiecel werden deze respondenten overgebracht naar een detentiecentrum. De andere geïnterviewden werden hier rechtstreeks naartoe gebracht. Daar volgde een aankomstprocedure, bestaande uit het doorzoeken van de bagage, het fouilleren en eventueel visiteren van de vreemdeling en soms een medische controle. Daarna kregen ze een pakket met lakens, toiletgerei en dergelijke alvorens ze naar de cel werden gebracht. De geïnterviewde vreemdelingen vertelden verschillende ervaringen te hebben met de aankomst in het detentiecentrum: een aantal had geen problemen ondervonden bij de aankomst, maar anderen hadden deze als erg negatief ervaren vanwege het misselijkmakende transport naar het detentiecentrum, het late tijdstip waarop ze hier aankwamen, het gebrek aan eten en drinken tijdens het transport en de aankomstprocedure en vanwege de vernederende visitatie.
De geïnterviewde vreemdelingen spraken vervolgens over de cellen in de detentiecentra. Het bleek dat in de cellen meestal (stapel)bed(den), stoelen, een toilet en douche, een kast en een televisie stonden en dat de grootte en de inrichting van de cel afhankelijk was van het detentiecentrum en het aantal personen waarmee de vreemdeling op cel verbleef. De respondenten vertelden dat ze in de cel alleen de beschikking hadden over hun kleren en schoenen. Ze moesten middels een formulier toestemming vragen om ander persoonlijke bezittingen op cel te mogen hebben. Het was echter niet toegestaan bezittingen als nagelknippers, aftershave en schoolmaterialen mee te nemen, aldus de geïnterviewde vreemdelingen. Door de minimalistische inrichting en het geringe aantal persoonlijke bezittingen die de vreemdelingen mee op cel mochten nemen, hebben veel respondenten het verblijf in de cel als erg moeilijk ervaren. Ze meenden dat deze cellen niet geschikt waren voor de vreemdelingendetentie.
De respondenten die onder de Pbw geplaatst waren, vertelden het grootste gedeelte van de dag op cel te moeten verblijven. De respondenten die onder het Rrg gedetineerd waren, hadden een ruimer dagprogramma met meer mogelijkheden om te recreëren, te luchten of te sporten. De geïnterviewde vreemdelingen die in Tilburg verbleven, hadden ook de mogelijkheid naar arbeid te gaan wat hen naar eigen zeggen veel afleiding bood. In detentiecentra waar kinderen verbleven, werd onderwijs aangeboden. Dit stelde echter niet veel voor volgens de geïnterviewde kinderen: er werd vooral gespeeld en niet veel geleerd. De geïnterviewde vreemdelingen vertelden dat niet alle recreatieruimtes, luchtplaatsen en sportvoorzieningen goed waren uitgerust. Ze namen in het begin van hun detentie nog graag deel aan het dagprogramma. Naarmate ze langer in detentie verbleven, bleven ze echter liever op cel om niet te worden geconfronteerd met de ellende van anderen, om niet constant in de gaten te worden gehouden en omdat ze het vanwege de stress en emoties niet meer op konden brengen hun cel uit te komen.
Er was dan ook veel zorg nodig voor de vreemdelingen tijdens de detentie. De geïnterviewde vreemdelingen vertelden echter dat het lang duurde voordat ze een dokter mochten zien en dat de hulp vaak niet goed was. Volgens hen werd er alleen paracetamol voorgeschreven, kregen ze niet de juiste geneesmiddelen, mochten ze vaak niet naar het ziekenhuis als dit nodig was en werd er niet goed of helemaal niet behandeld. Ook was het volgens de geïnterviewden moeilijk om psychiatrische of psychologische hulp te krijgen terwijl vaak wel de behoefte werd gevoeld om met een psychiater of psycholoog te praten. Hetzelfde geldt voor begeleiding tijdens de detentie. De meeste respondenten waren wel enthousiast over de geestelijke verzorgers omdat zij hen steunden en hielpen de tijd in detentie door te komen. Dit geldt niet voor de geïnterviewden die op de detentieboten te Rotterdam verbleven: zij hadden het idee dat de geestelijke verzorging in dienst stond van de IND nu de verzorgers vooral over de terugkeer spraken en hen niet hielpen. De respondenten dachten zowel positief als negatief over de juridische bijstand die ze ontvingen: sommigen werden goed geholpen, anderen vertelden niet te zijn geholpen. Tot slot zei een klein gedeelte van de geïnterviewden het eten lekker en goed te vinden, de rest vond het te weinig, niet lekker en onvoldoende gevarieerd.
Vervolgens spraken de respondenten over de contacten die ze hadden tijdens de detentie. Een deel van hen vertelde goed contact te hebben met hun celgenoten en steun en afleiding bij hen te vinden, anderen vertelden dat dit contact niet goed was door taalproblemen en verschillen in (rook)gedrag, ritme en televisiesmaak. Vreemdelingen konden in de recreatieruimte, op de luchtplaats en tijdens het sporten ook contact hebben met andere vreemdelingen die op dezelfde afdeling verbleven. Hier werd het beeld gekenmerkt door groepsvorming. De geïnterviewden vertelden dat de sfeer hier vaak gespannen was door de moeilijke situatie waarin ze verkeerden, de onzekerheid over de toekomst en door de aanwezigheid van strafrechtelijk veroordeelden in sommige detentiecentra. Een deel van de respondenten bleef daarom liever op cel, maar andere hadden wel goed contact met afdelingsgenoten. Volgens de respondenten was het contact met vreemdelingentoezichthouders erg wisselend: ze vertelden dat er vriendelijke toezichthouders waren met wie ze goed contact hadden en die hen steunden, maar dat er ook bewaarders waren die het de vreemdelingen erg moeilijk maakten door hen te provoceren, hun macht te laten zien en met disciplinaire maatregelen te dreigen. Het contact met deze personeelsleden verliep erg moeizaam. De contacten werden bovendien bemoeilijkt door taalproblemen die er aan de orde van de dag waren. Tenslotte konden de vreemdelingen contact hebben met de buitenwereld. Ze vertelden veel steun te krijgen van mensen buiten het detentiecentrum, maar dat het contact werd bemoeilijkt door de bezwaren die kleefden aan het ontvangen van bezoek, het gebruik van de telefoon en het ontvangen en versturen van post.
Veel geïnterviewde vreemdelingen vertelden vervolgens zich niet veilig te voelen tijdens de detentie vanwege de onderzekerheid waarin ze verkeerden, de sobere omstandigheden waaronder ze verbleven, de aanwezigheid van criminelen en de angst voor calamiteiten. Er waren vijf respondenten die zich wel veilig voelden. Zij verbleven allen in het grenshospitium. De geïnterviewden waren ook kritisch over het sanctioneringssysteem in de detentiecentra. Ze gaven aan dat er door sommige bewaarders veel gedreigd werd met disciplinaire maatregelen en dat vreemdelingen snel naar hun cel of de isoleercel werden gestuurd. Ook vertelden ze tijdens de detentie incidenten meegemaakt te hebben als vechtpartijen, brandstichting, zelfmoordpogingen, ruzies, hongerstakingen, demonstraties, zware geweldpleging en verkrachting. Vaak bleef het echter gissen wat er op de afdeling gebeurde omdat ze bij problemen ingesloten werden. Ook dit kwam het gevoel van veiligheid niet ten goede, aldus de respondenten.
Aan dit onderzoek werkten tien minderjarige vreemdelingen en hun ouders mee. De geïnterviewde ouders vertelde dat hen niet altijd de keus is voorgelegd om de kinderen al dan niet mee te nemen in detentie. Het merendeel had er echter toch voor gekozen om hun kind(eren) mee te nemen naar het detentiecentrum omdat ze niet wisten wat er anders met het kind zou gebeuren. De detentie heeft volgens de geïnterviewde ouders echter een onuitwisbare indruk achtergelaten bij de kinderen: ze hebben ‘stil gestaan’ vanwege het gebrek aan goed onderwijs, ze begrepen niet waarom ze naar de gevangenis moesten en veel van hen zijn ten gevolge van de detentie vaak bang en/of ziek. Volgens deze ouders is hun kinderen een ‘normale’ kindertijd ontnomen.
Alle respondenten vertelden aan het eind van het interview blij te zijn het detentiecentrum te mogen verlaten. Ze vonden het moeilijk de tijd in detentie weer op te rakelen en beschreven het als onmenselijk, verschrikkelijk en hel! Ze gaven aan niet te begrijpen waarom ze naar een gevangenis moesten terwijl ze niets hadden gedaan, waarom ze hier onder minimale omstandigheden te moeten verblijven en waarom ze soms langer werden opgesloten dan mensen die veroordeeld zijn voor een strafbaar feit. Ook was het voor hen onbegrijpelijk dat ook kinderen naar de gevangenis moesten. De geïnterviewde vreemdelingen hebben dan ook veel bezwaren tegen de vrijheidsontneming van vreemdelingen in detentiecentra in Nederland.
6.3 De menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen
Uit de interviews bleek dat deze geïnterviewde vreemdelingen die de vreemdelingendetentie aan den lijven hebben ondervonden de vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland als onmenselijk beschouwen. Gezien hun ervaringen is dit misschien wel begrijpelijk, maar nu art. 3 EVRM een onmenselijke of vernederende behandeling verbiedt, moet er aan een aantal voorwaarden worden voldaan om met recht te kunnen spreken van een onmenselijke detentie. Het EHRM is ingesteld om dit te beoordelen. Het heeft in haar jurisprudentie aangegeven dat er sprake is van een onmenselijke detentie indien een staat zich opzettelijk schuldig maakt aan een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden, én indien zij niet voorkomt dat gedetineerden zo worden behandeld, hun rechten niet gerespecteerd of de detentie onder zo’n sobere omstandigheden ten uitvoer legt dat hun waardigheid of gezondheid wordt aangetast. Om dit te voorkomen heeft het haar lidstaten de positieve verplichting opgelegd de gezondheid en het welzijn van de gedetineerden te verzekeren, de detentieomstandigheden aan te passen aan hun waardigheid en hen niet meer leed en ongemak te bezorgen dan noodzakelijk met het oog op detentie. Het beschrijft niet hoe staten dit in moeten vullen, maar geeft achteraf aan of de vrijheidsontneming onmenselijk ten uitvoer is gelegd. Het EHRM laat zich hierbij beïnvloeden door de standards van het CPT en de Europese gevangenisregels waarin wel is uiteengezet hoe een menswaardige detentie er uit behoort te zien. In geval van strijdigheid komt het echter niet direct tot de conclusie dat art. 3 is geschonden. Daarvoor moet bewezen zijn dat de staat de menswaardigheid van de gedetineerden aantast, gedetineerden angst of minderwaardigheidsgevoelens bezorgd of hun fysieke en mentale weerstand breekt met de tenuitvoerlegging van de detentie. Alleen dan kan het EHRM oordelen dat een staat zich schuldig maakt aan een onmenselijke of vernederende behandeling die verboden is in art. 3.
De achtenveertig vreemdelingen hadden een klacht in kunnen dienen bij het EHRM om het te laten oordelen of Nederland zich schuldig maakt aan een onmenselijke of vernederende behandeling van vreemdelingen in vreemdelingendetentie. Ze hadden deze kunnen baseren op de standards van het CPT en de Europese gevangenisregels daar de vrijheidsontneming van vreemdelingen discrepantie vertoont met deze richtlijnen op het gebied van de eerbiediging van de beginselen, de locatie van de tenuitvoerlegging, het regime, de zorg, het personeel, de veiligheid en de voorzieningen voor kinderen in bewaring. Zij hadden hun klacht kunnen ondersteunen met de nationale en internationale kritiek die Nederland heeft gekregen wegens de bewaring van kinderen, het personeel in de detentiecentra, de veiligheid, het sobere regime en het grote aantal vreemdelingen in detentie. De Nederlandse regering zou deze klacht vervolgens bestrijden: zij heeft in een weerwoord aangegeven dat het de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdelingen is om Nederland te verlaten en zo te voorkomen dat ze in detentie terecht komen, maar dat vreemdelingen tijdens een onverhoopte detentie verblijven onder omstandigheden die alleszins menswaardig zijn en voldoen aan relevante wet- en regelgeving.
Een dergelijke klacht bij het EHRM wegens een onmenselijke of vernederende behandeling van vreemdelingen in vreemdelingendetentie lijkt kans van slagen te hebben nu op basis van de ervaringen van de achtenveertig vreemdelingen geconcludeerd kan worden dat Nederland heeft verzuimd haar positieve verplichting na te komen die volgens het EHRM uit art. 3 voortvloeit. Zo waren ten eerste de gezondheid en het welzijn van de geïnterviewde vreemdelingen uit de detentiecentra niet gewaarborgd: doordat de zorg in de detentiecentra lang op zich liet wachten, de geïnterviewden niet of niet goed behandeld werden en vooral paracetamol voorgeschreven kregen en de zware omstandigheden en sobere voorzieningen een slechte invloed hadden op hun gemoedsrust, hebben veel respondenten gezondheidsklachten gekregen en zich erg slecht gevoeld tijdens de detentie. Een aantal geïnterviewden heeft hier blijvende fysieke en psychische klachten aan over gehouden. Ten tweede zijn de geïnterviewde vreemdelingen die in een detentiecentrum verbleven tijdens hun detentie aan meer leed en ongemak onderworpen dan met het oog op de detentie noodzakelijk was daar zij werden gedetineerd onder het regime van beperkte gemeenschap. De respondenten hadden hierdoor een beperkter dagprogramma, ze verbleven meer op cel en hadden minder voorzieningen dan strafrechtelijk veroordeelden zonder contra-indicaties terwijl hun vrijheid niet ontnomen werd omdat ze gevaarlijk waren of gestraft moesten worden, maar omdat ze het land moesten verlaten. Ten derde zijn de detentieomstandigheden niet aangepast aan de waardigheid van de gedetineerden: zij verbleven onder erg sobere omstandigheden, moesten in sommige detentiecentra in een kooi luchten, de kinderen kregen nauwelijks onderwijs en ze werden als ‘criminelen’ behandeld terwijl ze geen strafbaar feit hebben gepleegd. Nederland is haar positieve verplichting dus niet nagekomen. Dit heeft ertoe geleidt dat wordt voldaan aan de criteria die het EHRM stelt aan een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden. Zo gaven de geïnterviewde vreemdelingen aan dat ze in hun menswaardigheid zijn aangetast: een aantal geïnterviewden stelden zich geen mens meer te voelen maar als dieren behandeld te worden. Dit heeft tot minderwaardigheidsgevoelens geleidt. Tevens heeft de detentie veel angst veroorzaakt: doordat deze respondenten het idee hadden niet veilig te zijn in de detentiecentra en doordat ze constant in onzekerheid verkeerden, waren ze vaak bang wat er met hen ging gebeuren. Tot slot gaf een aantal respondenten aan dat hun fysieke en mentale weerstand is gebroken tijdens de detentie. Zij gaven aan dat hun gezondheid achteruit ging naargelang ze langer in detentie verbleven. Hierdoor konden ze het niet meer opbrengen deel te nemen aan het programma. Zij zouden “kapot” zijn gegaan tijdens de detentie. Dit was ook de reden dat niet alle vreemdelingen met wie ik contact heb gehad mee wilden werken aan dit onderzoek. Indien de geïnterviewden bovenstaande kunnen bewijzen - dit is niet eenvoudig gebleken in het verleden - kan Nederland door het EHRM worden veroordeeld wegens een onmenselijke en vernederende behandeling van vreemdelingen in vreemdelingendetentie.
6.4 Vreemdeling in een risicomaatschappij
Het zal veel verbazing wekken dat Nederland kans maakt te worden veroordeeld wegens een onmenselijke of vernederende behandeling van vreemdelingen in vreemdelingendetentie nu zij internationaal gezien wordt als een land dat de rechten van de mens respecteert. Het kan echter verklaard worden in het licht van de huidige risicomaatschappij. Dit is een maatschappij waar niet meer de verdeling van de welvaart centraal staat, maar de verdeling van de risico’s. Angst is het organiserende motief in zo’n maatschappij: er wordt getracht de risico’s of zij die de risico’s met zich mee brengen te vermijden of te beheersen om zo een veilige samenleving te creëren. Toen aan het begin van de eeuwwisseling het vertrouwen in de economie afnam, werd de vreemdeling gezien als iemand die risico’s met zich meebracht omdat hij andere opvattingen had, onveiligheid met zich mee kon brengen en de huizen en banen van Nederlanders in kon nemen. De xenofobie nam toe. De politiek moest op zoek naar een manier om de angst weg te nemen en de risico’s te beheersen. Daarop werd in 2001 in het tweede paarse kabinet een nieuwe vreemdelingenwet ingevoerd om de mogelijkheden vreemdelingen hun vrijheid te ontnemen, te verruimen. Een jaar later werd er bij het aantreden van de regering Balkenende gekozen voor een streng vreemdelingenbeleid waarin deze wet met de koude hand uitgevoerd werd. Gevolg was dat het aantal vreemdelingen in detentie toenam. De detentiecapaciteit moest flexibel worden uitgebreid wat mede door de bezuinigingen ten koste ging van de omstandigheden in de detentiecentra. Dit heeft de Nederlandse regering zowel nationaal als internationaal kritiek opgeleverd. Aangezien zij van mening was dat de detentieomstandigheden alleszins menswaardig waren en voldeden aan de relevante wet- en regelgeving, heeft zij de omstandigheden in de detentiecentra niet verbeterd. Daardoor bestaat nu de kans dat Nederland wordt veroordeeld door het EHRM wegens een onmenselijke of vernederende behandeling van de vreemdelingen in vreemdelingendetentie.
De ontwikkelingen rondom de vrijheidsontneming van vreemdelingen, vanaf de verscherping van het beleid tot aan de mogelijke veroordeling door het EHRM, kunnen verklaard worden in het licht van de risicomaatschappij. Deze verklaart echter niet waarom de herhaaldelijke kritiek op het vreemdelingenbeleid geen gevolgen met zich mee gebracht heeft: de detentieomstandigheden zijn immers nauwelijks veranderd en er is amper maatschappelijke onrust ontstaan. Dit kan voortkomen uit onwetendheid of instemming met het beleid. Het uitblijven van gevolgen kan echter ook verklaard worden met behulp van de culture of denial: een cultuur in Nederland waarin de Nederlandse regering ontkent dat de detentieomstandigheden voor vreemdelingen ondermaats zijn, omstanders niet in staat zijn effectief in te grijpen of uit angst helemaal niet ingrijpen en de regering en omstanders de sobere tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming rechtvaardigen door de schade en de verantwoordelijkheid te ontkennen en zich te beroepen op de bescherming van de openbare orde. Hierdoor verblijven vreemdelingen nog onder dezelfde omstandigheden in de grenshospitia en detentiecentra.
6.5 De toekomst
De veranderingen in het vreemdelingenbeleid hebben er in de praktijk toe geleid dat er meer vreemdelingen in detentie terecht komen, Nederland zowel nationaal als internationaal bekritiseerd wordt om de vrijheidsontneming van vreemdelingen en dat er gerede grond bestaat de menswaardigheid van de tenuitvoerlegging van de vreemdelingendetentie te betwijfelen. Vooralsnog is hier echter niets mee gebeurd: de kwestie is nog niet voorgelegd aan het EHRM, de detentieomstandigheden voor vreemdelingen zijn nauwelijks veranderd en maatschappelijke onrust is uitgebleven. Mijns inziens zou dit onderzoek dan ook aanleiding moeten zijn voor meer openheid. Er zou een grootschalig onafhankelijk onderzoek moeten komen waarin de omstandigheden in alle detentiecentra in Nederland worden onderzocht aan de hand van observaties en interviews met alle gedetineerde vreemdelingen en alle medewerkers. Zo kan de twijfel aan de menswaardigheid van de vrijheidsontneming van vreemdelingen óf worden weggenomen óf worden bevestigd om uiteindelijk weer tot een onomstreden vreemdelingenbeleid te komen. Anders rest slechts de gang naar het EHRM. Want ook al wordt er voor een streng vreemdelingenbeleid gekozen waarbij de vrijheid van vreemdelingen wordt ontnomen, het moet op een menswaardige manier ten uitvoer worden gelegd.
Nabeschouwing
Dit onderzoek heeft me een wereld vol verdriet, onzekerheid en hoop doen binnenstappen: de wereld van achtenveertig vreemdelingen die in Nederland in een detentiecentrum verbleven. Ik had niet verwacht een dergelijke wereld in Nederland aan te treffen en zal deze niet vergeten. Ze heeft mij verbaasd en teleurgesteld, maar ook enorm gefrustreerd. Want hoe kan het dat een welvarend land als Nederland dat pretendeert mensenrechten hoog in het vaandel te hebben zo met mensen om gaat? Hoe kan het dat deze achtenveertig vreemdelingen uit detentiecentra in Nederland zeggen zo slecht behandeld te zijn dat zij ‘kapot’ zijn gegaan en blijvende psychische en fysieke klachten hebben overgehouden? Hoe kan het dat minderjarigen in een cel worden opgesloten en zo hun kindertijd ontnomen wordt hetgeen ze de rest van hun leven niet meer zullen vergeten?
Dit onderzoek heeft deze vragen niet met zekerheid kunnen beantwoorden. Het heeft aan de hand van ervaringen van achtenveertig geïnterviewde vreemdelingen een overzicht gegeven van de omstandigheden in de detentiecentra. Tijdens de interviews werd al snel duidelijk dat dit geen positief verhaal zou worden: voor veel respondenten was het emotioneel erg zwaar om hun verhaal over de tijd in detentie te kunnen vertellen en het verdriet, de pijn en de wanhoop was van hun gezichten af te lezen. Dit heeft het onderzoek niet makkelijk gemaakt. Het was echter belangrijk om aan de hand van de verhalen van de geïnterviewde vreemdelingen een goed beeld neer te zetten van de omstandigheden in de detentiecentra daar dit voor veel respondenten de drijfveer was om mee te werken aan dit onderzoek: ze wilden eindelijk gehoord worden en duidelijk maken onder wat voor omstandigheden zij tijdens hun detentie hebben moeten verblijven. Ze hoopten dat het vertellen van hun verhaal kan bijdragen aan een verbetering van de detentieomstandigheden voor vreemdelingen en een humaner vreemdelingenbeleid. Na het horen van hun verhalen hoop ik met hen.
Bijlage 1. De aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning
Nederland probeert de komst van vreemdelingen met behulp van de vreemdelingenwetgeving te reguleren. Direct bij aankomst in Nederland zal een vreemdeling die langer dan drie maanden wil blijven en niet aan de vereisten uit de vreemdelingenwet voldoet, een aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning moeten starten om toegang tot het land te krijgen. Dit is nodig om rechtmatig in Nederland te kunnen verblijven. Nederland kent vier soorten verblijfsvergunningen: asiel voor bepaalde en onbepaalde tijd en regulier voor bepaalde en onbepaalde tijd. Deze kunnen op drie gronden worden verleend: vanwege internationale verplichtingen, klemmende redenen van humanitaire aard en het dienen van een wezenlijk Nederlands belang. Deze drie gronden worden in de Vw nader ingevuld. Daarbij is een onderscheid aangebracht tussen asielzoekers en reguliere vreemdelingen. Zij moeten andere procedures doorlopen om een verblijfsvergunning te krijgen.[52]
Een asielzoeker is iemand die bescherming zoekt bij een staat of kerk buiten zijn eigen land omdat hij vreest elders door de overheid vervolgd te worden. Hij kan een verblijfsvergunning krijgen indien hij verdragsvluchteling is, hij aannemelijk kan maken dat er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, als klemmende redenen van humanitaire aard zijn vertrek tegenhouden of als terugsturen van bijzondere hardheid zou zijn. Bij aankomst in Nederland dient de asielzoeker duidelijk te maken dat hij asiel wil aanvragen. Hij krijgt dan geen toegang tot Nederland, maar wordt overgebracht naar een aanmeldcentrum (AC) van de IND om een aanvraag voor een verblijfsvergunning in de dienen. Ook de asielzoekers die al in Nederland zijn gedurende de asielaanvraag worden naar een AC overgebracht. In het AC wordt de kleding en de bagage van de asielzoeker doorzocht en worden er foto’s en vingerafdrukken genomen. Hierna volgt het eerste gehoor waarin het reisverhaal van de asielzoeker wordt gecontroleerd: de identiteit, nationaliteit en de reisroute van de asielzoeker worden onderzocht. Vervolgens vindt het nader gehoor plaats waarin aandacht wordt besteedt aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, de beweegredenen voor het vertrek uit het land van herkomst en het aannemelijk maken van het vluchtelingenschap. Dan maakt de IND een rapport op wat door de asielzoeker becommentarieerd mag worden, waarna ze haar beslissing op de asielaanvraag bekend maakt. Indien de asielaanvraag wordt toegewezen, krijgt de asielzoeker een verblijfsvergunning. Als de asielaanvraag wordt afgewezen, dient de asielzoeker Nederland te verlaten tenzij hij in beroep gaat én een voorlopige voorziening aanvraagt. Deze voorlopige voorziening is nodig om het beroep in Nederland af te mogen wachten. Als ook nu geen verblijfsvergunning wordt verleend, rest de asielzoeker nog hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State om alsnog een verblijfsvergunning te krijgen. Als de asielzoeker ook nu geen vergunning krijgt, dient hij Nederland te verlaten.[53]
Een reguliere vreemdeling is een vreemdeling die om een andere reden dan een asielzoeker naar Nederland komt en zijn verblijfsvergunning op een andere grond aanvraagt. Hierbij valt te denken aan arbeidsmigranten, buitenlandse studenten en nagekomen gezinsleden. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning moet de reguliere vreemdeling onder meer beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding en voldoende middelen en hij mag geen gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid. De reguliere vreemdeling moet zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning indienen bij de korpschef van de gemeente waar hij woon- of verblijfsplaats heeft die nadat de vreemdeling voor hem is verschenen een beslissing neemt op de aanvraag. Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt afgewezen, kan de reguliere vreemdeling bezwaar of administratief beroep aantekenen dat meestal in Nederland mag worden afgewacht. Indien ook nu de aanvraag wordt afgewezen kan de reguliere vreemdeling nog in beroep bij de rechtbank en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is dan een voorlopige voorziening nodig om de beslissing in Nederland af te mogen wachten. Zonder voorlopige voorziening en na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning, vervalt de rechtmatigheid van het verblijf van de reguliere vreemdeling en dient hij het land te verlaten.[54]
Dit is in het kort de procedure die een vreemdeling doorloopt vanaf zijn aankomst in Nederland tot aan afgifte van een verblijfsvergunning. Als hij geen toegang tot Nederland krijgt of hem geen verblijfsvergunning wordt verleend, dient hij het land te verlaten omdat hij hier geen rechtmatig verblijf heeft. De vrijheid van de vreemdeling kan worden ontnomen om zijn vertrek zeker te stellen. Hij komt dan in een grenshospitium of een detentiecentrum terecht.
Bijlage 2. Vragenlijst vrijheidsontneming van vreemdelingen
Deze vragenlijst is gebruikt bij het afnemen van de interviews.
I. persoonsgegevens
Hierbij kunt u denken aan het transport naar het centrum, eventuele visitatie en de bejegening bij binnenkomst.
Zo ja, wat vond u van de arbeid?
Zo ja, wat vond u van het onderwijs?
59. Als u nu terug kijkt op uw verblijf in het detentiecentrum, wat is u het meest opgevallen en bijgebleven?
Bijlage 3. Bezwaren van respondenten tegen de vrijheidsontneming van vreemdelingen
Hier volgt een lijst met bezwaren tegen de vrijheidsontneming van vreemdelingen in Nederland die de respondenten aan het eind van het interview expliciet hebben genoemd. De overige bezwaren van de geïnterviewde vreemdelingen zijn al aan bod gekomen in hoofdstuk 3.
- Een vreemdeling heeft niets gedaan en moet naar een gevangenis.
- De gevangenis is geen oplossing. Er moet een echte oplossing gezocht worden.
- Het verblijf in de vreemdelingengevangenis is psychische mishandeling. Mensen komen voor veiligheid, maar krijgen een verschrikkelijk verblijf in een gevangenis.
- Het verblijf is te lang: een vreemdeling zit te lang vast terwijl een detentiecentrum hier niet voor bedoeld is.
- Vreemdelingen moeten hier langer blijven dan criminelen die wel iets hebben gedaan.
- Het is niet ongebruikelijk dat een vreemdeling meerdere keren in de gevangenis terecht komt.
- Criminelen en vreemdelingen horen niet samen in één gevangenis.
- Er wordt haat tegen Nederland gezaaid in de detentiecentra.
- Kinderen horen niet in een gevangenis.
- Families worden uit elkaar gehaald.
- Vreemdelingen worden behandeld als criminelen.
- Een vreemdeling verblijft constant in onzekerheid. Hij weet niet hoe lang hij moet blijven en wat er gaat gebeuren.
- Het is er niet veilig.
- Er is sprake van willekeur en discriminatie (Zeist).
- Mensen geven daar niets om de vreemdelingen. Ook niet als ze ziek bent.
- Er zijn veel zelfmoordpogingen. Daaruit blijkt wel hoe slecht het is.
- Het is een heel zwaar regime (Roermond).
- Het is niet gezond op de boot: het is daar altijd nat en dat is slecht voor de gezondheid. Een normale gevangenis is gezonder (detentieboten Rotterdam).
- Het eten is slecht en onvoldoende.
- Er is geen normaal eten voor kinderen (Zestienhoven).
- Kinderen kunnen niet naar school (Zestienhoven).
- Er is geen (goede) medische hulp.
- Een vreemdeling zit de hele dag op cel en mag maar één uur luchten en één uur recreatie hebben. Op cel is geen toilet. Er zijn maar twee flessen water. Maar ja, dat is het probleem van de vreemdeling (Roermond).
- De douche is niet goed. Het is of heel heet of heel koud water (Grenshospitium Amsterdam).
- Er is nauwelijks sport.
- Er is niets te doen.
- Het is moeilijk contacten te onderhouden, want bellen is te duur en bezoek erg moeilijk.
- Het is erg gesloten. Niemand mag binnenkomen en zien wat er gebeurt.
- Vreemdelingen houden blijvende medische en psychische klachten over aan het verblijf in detentie.
- Het heeft echt totaal geen zin om vreemdelingen op te sluiten. Het maakt alleen levens kapot.
Literatuur
Baudoin, P., Burgt, A. Van der en Hendriksen, B., Vrijheidsontneming van vreemdelingen, Boom
Juridische Uitgevers, Den Haag 2002
Beck, U., Risk society; towards a new modernity, SAGE, Londen 1992
Boone, M., Penitentiaire beginselen en de bewaring van vreemdelingen, in: PROCES juni 2003
p. 301-311
Boutellier, H., De veiligheidsutopie: hedendaags onbehagen en verlangen rond misdaad en straf,
Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2005
Cohen, S., Human Rights and crimes of the state: The culture of denial, 1993 in: Criminological
Perspectives: Essential Readings, SAGE Publications, Londen 2003 p. 542-560
Corduwener, J., Een vreemdeling op Justitie:Het asielbeleid van Job Cohen, Uitgeverij L.J. Veen,
Amsterdam 2001
Council of Europe, European Prison Rules, Council of Europe Publishing, Straatsburg 2006
Elderman, E., Oriëntatie in het vluchtelingenrecht, Nederlands Centrum Buitenlanders, Utrecht
2002
European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or
Punishment, The CPT standards;”Substantive” sections of the CPT’s General Reports,Council
of Europe, Straatsburg 2006
Fleuren, W., Oriëntatie in de vreemdelingenwetgeving, Nederlands Centrum Buitenlanders,
Utrecht 2002
Hudson, B., Hoofdstuk 2: Risk and the Politics of Safety, in: Justice in the Risk Society, Sage,
Londen 2003
Inspectie voor de Sanctietoepassing, Ouders met minderjarigen in vreemdelingenbewaring,
Inspectierapport Themaonderzoek, Ministerie van Justitie, augustus 2005
Inspectie voor de Sanctietoepassing en Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
Inspectierapport Incidentonderzoek: Detentiecentra Rotterdam,, Locatie Merwehaven
Stockholm, mei 2006
Kalmthout, A.M. van, Hoofdstuk 12: Vreemdelingenbewaring, in: Detentie. Gevangen in
Nederland, redactie Muller, E.R. en Vegter, P.C., Kluwer, Alphen aan de Rijn, 2005 p. 321-343
Kalmthout, A.M. van, e.a., Terugkeermogelijkheden van vreemdelingen in de
vreemdelingenbewaring; deel 1: De vreemdelingenbewaring in Tilburg en Ter Apel, het
dossieronderzoek,Wolf Legal Publishers, Nijmegen 2005
Kalmthout, A.M. van, e.a., Terugkeermogelijkheden van vreemdelingen in de
vreemdelingenbewaring; deel 3: het vergeten gelaat van de vreemdeling, Wolf Legal
Publishers, Nijmegen 2005
Linden, Mr. E.C.H.J. van der, Vreemdeling in Nederland… en dan? Een inleiding in het
Nederlands vreemdelingenrecht, Sdu uitgevers BV, Den Haag 2002
Ministerie van Justitie, Directoraat-Generaal Internationale aangelegenheden en
vreemdelingenzaken, brief 13 oktober 2005 met betrekking tot ‘Inspectierapport
themaonderzoek: ouders met minderjarigen in vreemdelingenbewaring’
Murdoch, J., The treatment of prisoners; European standards, Council of Europe Publishing,
Straatsburg, 2006
Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten, Commentary on the fourth periodic report
submitted by the Kingdom of the Nederlands on the implementation of the UN Convention
Against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment of Punishment
(CAT/67/Add.4, Nederland, 1 juni 2006
NRC Handelsblad, Afschrikken en uitsluiten, 13 september 2006
NRC Handelsblad, Illegalen in Nederland snel de cel in, 13 september 2006
Sykes, G.M., Matza, D., Techniques of neutralization,1957 in: Criminological
Perspectives: Essential Readings, SAGE Publications, Londen 2003 p.231-238
United Nations, Economic and Social Council, Specific groups and individuals migrant workers:
Report of the Special Rapporteur on the human rights of migrants, Jorge G. Butamante, 27
maart 2006 (E/CN.4/2006/73/Add.1)
Universiteit van Tilburg, Stichting Reclassering Nederland, et al, Social exclusion, project on
foreign prisoners in European Institutions, verwacht in mei 2007
Volkskrant, Raad van Europa geschokt over asielzoekerskinderen, 28 maart 2006
Vrij Nederland, Undercover op de illegalenboot, 25 maart 2006 p. 22-35
Vrij Nederland, Undercover op de illegalenboot (2),april 2006, p. 10, 28-35
www.dji.nl
www.ind.nl
www.indymedia.nl
www.justitie.nl
www.njcm.nl
www.regering.nl
Kamerstukken II 2005-2006, 24 587 nr. 188
Rechtspraak
EHRM, 19 april 2001, nr. 28524/95 (Peers vs. Greece)
EHRM, 6 maart 2001, nr. 40907/98 (Dougoz vs. Greece)
EHRM, 26 oktober 2000, nr. 30210/96 (Kudla vs. Poland)
EHRM, 10 juli 1996 nr. 33394/96 (Price vs. United Kingdom)
EHRM 14 mei 1987, nr. 10448/83 (Dhoest vs. Belgium)
EHRM, 8 januari 1978 nr. 5310/71 (Ireland vs. United Kingdom)
Gerechtshof ’s-Gravenhage, 26 april 2007, LJN:BA3925
Rechtbank ’s-Gravenhage, 11 december 2006, KG 06/1258
Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
Penitentiaire beginselenwet
Reglement regime grenslogies
Vreemdelingenwet 2000
[1] Meer informatie over de procedures voor vreemdelingen in Nederland is te vinden in bijlage 1.
[2] Zie: Baudoin, P., Burgt, A. Van der en Hendriksen, B., Vrijheidsontneming van vreemdelingen, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2002 en Corduwener, J., Een vreemdeling op Justitie: Het asielbeleid van Job Cohen, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam 2001
[3] Zo omschreef CDA-kamerlid en woordvoerder vreemdelingenzaken Wim van de Camp het vreemdelingenbeleid onder Verdonk tijdens de landelijke werkdag van de Raad van Kerken, 11 november 2006 te Amersfoort.
[4] www.regering.nl
[5] www.justitie.nl
[6] Kalmthout, A.M. van, Hoofdstuk 12: Vreemdelingenbewaring, in: Detentie. Gevangen in
Nederland, redactie Muller, E.R. en Vegter, P.C., Kluwer, Alphen aan de Rijn, 2005 p. 321-343
[7] De Volkskrant, Raad van Europa geschokt over asielzoekerskinderen, 28 maart 2005
[8] Universiteit van Tilburg, Stichting Reclassering Nederland, et al, Social exclusion, project on foreign prisoners in European Institutions, verwacht in mei 2007
[9] Inspectie voor de Sanctietoepassing, Ouders met minderjarigen in vreemdelingenbewaring, Inspectierapport Themaonderzoek, Ministerie van Justitie, augustus 2005
[10] Rechtbank ’s-Gravenhage, 11 december 2006 KG 06/1258 en Gerechtshof ’s-Gravenhage, 26 april 2007 LJN:BA3925
[11] Zie voor meer informatie over de vrijheidsontneming van vreemdelingen: Kalmthout, A.M. van, Hoofdstuk 12: Vreemdelingenbewaring, in: Detentie. Gevangen in Nederland, redactie Muller, E.R. en Vegter, P.C., Kluwer, Alphen aan de Rijn 2005 p. 321-343, en Baudoin, P., Burgt, A. Van der en Hendriksen, B., Vrijheidsontneming van vreemdelingen, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2002 en www.dji.nl
[12] Kalmthout, A.M. van, e.a., Terugkeermogelijkheden van vreemdelingen in de vreemdelingenbewaring; deel 3: het vergeten gelaat van de vreemdeling, Wolf Legal Publishers, Nijmegen 2005
[13] Brief van directiesecretaresse M.C.A. van Tubergen, dd 7 juni 2006
[14] Brief van locatiedirecteur Th. J. Peeters, dd. 1 juni 2006
[15] Brief van sectordirecteur Bijzondere Voorzieningen dhr. B.C.Kroon, dd. 23 juni 2006
[16] Deze vragenlijst is opgenomen in bijlage 2.
[17] Hier werpt zich ook de methodologische vraag op wat een representatieve afspiegeling is: moet dan gekeken worden naar de detentiecentra waar ze verbleven, geografische herkomst, leeftijd, enzovoorts?
[18] In dit onderzoek gebruik ik om verwarring te voorkomen de verzamelnaam ‘vreemdelingen’ om de respondenten te duiden. Het zijn echter niet meer allemaal vreemdelingen, doordat sommige respondenten inmiddels een verblijfsvergunning hebben gekregen, andere nog steeds in een aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning zitten en weer anderen inmiddels illegaal in Nederland verblijven.
[19] De geïnterviewde vreemdelingen spraken vaak over ‘criminelen’. Daarmee bedoelden ze de mensen die een strafbaar feit hebben gepleegd en daarvoor veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf. Ik zal hier hun terminologie aanhouden en ‘criminelen’ gebruiken indien het gaat om strafrechtelijk veroordeelden.
[20] Het gaat hier om incidenten die hebben plaatsgevonden tijdens de detentie van de geïnterviewde vreemdelingen. Dit betekent dus niet dat dit op grote schaal of stelselmatig voorkomt in de instellingen.
[21] Er hebben alleen vreemdelingen meegewerkt aan dit onderzoek die niet zijn uitgezet. Dit schetst dus geen representatief beeld van alle vreemdelingen in detentie. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat uit onderzoek van Van Kalmthout en anderen is gebleken dat het aantal gerealiseerde uitzettingen vanuit detentie in 2003 minder dan 35% bedroeg. Zie: Kalmthout, A.M. van, e.a., Terugkeermogelijkheden van vreemdelingen in de vreemdelingenbewaring; deel 1: De vreemdelingenbewaring in Tilburg en Ter Apel, het dossieronderzoek,Wolf Legal Publishers Nijmegen 2005
[22] Ik richt me hier alleen op de onmenselijke en vernederende behandeling en niet op het folteren, aangezien alleen dit aspect door de respondenten naar voren werd gebracht in de interviews.
[23] EHRM 14 mei 1987, nr. 10448/83 (Dhoest vs. Belgium)
[24] EHRM 26 oktober 2000, nr. 30210/96 (Kudla vs. Poland)
[25] EHRM 6 maart 2001, 2001 nr. 40907/98 (Dougoz vs. Greece)
[26] EHRM 19 april 2001, nr. 28524/95 (Peers vs. Greece)
[27] Dit zijn richtlijnen waarin het CPT heeft neergelegd hoe een humane vrijheidsontneming er uit behoort te zien. Staten horen zich hier aan te houden.
[28] Deze regels zijn in 2006 door het Comité van Ministers van de Raad van Europa herzien op basis van jurisprudentie van het EHRM en rapporten van het CPT. Deze niet-bindende regels behoren uitgangspunt te zijn bij de ontwikkeling van nationaal detentiebeleid Zij gelden alleen voor strafrechtelijk gedetineerden. Ze zijn niet van toepassing op administratief gedetineerden omdat zij niet onder een gevangenisregime mogen worden opgesloten, maar er gunstigere regels voor hen ontwikkeld moeten worden. Deze zijn er nog niet, maar een menswaardige vreemdelingendetentie behoort mijns inziens minimaal in overeenstemming te zijn met de Europese gevangenisregels en ook vreemdelingen moeten zich hier dus op kunnen beroepen.
[29] NB: er zijn ook andere documenten van bijvoorbeeld de EU en organen van de Raad van Europa ten behoeve van een menswaardige vrijheidsontneming. Het EHRM, dat oordeelt over de menswaardigheid van de detentie, laat zich hierdoor echter niet beïnvloeden bij de beslissing of art. 3 is geschonden. Daarom is ervoor gekozen deze documenten buiten beschouwing te laten.
[30] Zie: Murdoch, J., The treatment of prisoners; European standards, Council of Europe Publishing, Straatsburg, 2006 p. 33-37, 46-51, 113-121 en 212-229
[31] EHRM 8 januari 1978, nr. 5310/71 (Ireland vs. the United Kingdom) Zie ook: Murdoch, J., The treatment of prisoners; European standards, Council of Europe Publishing, Straatsburg, 2006
[32] EHRM 10 juli 1996, nr. 33394/96 (Price vs. the United Kingdom) en EHRM 8 januari 1978, nr. 5310/71 (Ireland vs. the United Kingdom)
[33] Zie voor meer informatie: Murdoch, J., The treatment of prisoners; European standards, Council of Europe Publishing, Straatsburg, 2006
[34] Zie voor de standards van het CPT: CPT, The CPT Standards; “Substantive” sections of the CPT’s General Reports, Council of Europe, Straatsburg 2006, en voor de Europese gevangenisregels: Council of Europe, European Prison Rules, Council of Europe Publishing, Straatsburg 2006
[35] Inspectie voor de Sanctietoepassing, Ouders met minderjarigen in vreemdelingenbewaring, Inspectierapport Themaonderzoek, Ministerie van Justitie, augustus 2005
[36] Vrij Nederland, 25 maart 2006 p. 23-35 en Vrij Nederland, 1 april 2006 p. 10, 28-35
[37] Inspectie voor de Sanctietoepassing en de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Inspectierapport detentieboten Zuid-Holland, locatie Merwehaven ,Ministerie van Justitie, mei 2006
[38] De Volkskrant, Raad van Europa geschokt over asielzoekerskinderen, 28 maart 2006
[39] United Nations, Economic and Social Council, Specific groups and individuals migrant workers: Report of the Special Rapporteur on the human rights of migrants, Jorge G. Butamante, 27 maart 2006 (E/CN.4/2006/73/Add.1)
[40] NJCM, Commentary on the fourth periodic report submitted by the Kingdom of the Netherlands on the implementation of the UN Convention Against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CAT/67/Add.4), Nederland, 1 juni 2006
[41] NRC Handelsblad, Afschrikken en uitsluiten en Illegalen in Nederland snel de cel in, 13 september 2006
[42]Universiteit van Tilburg, Stichting Reclassering Nederland, et al, Social exclusion, project on foreign prisoners in European Institutions, verwacht in april 2007 en Anton van Kalmthout tijdens een studieavond van het NJCM op 19 september 2006 te Utrecht.
[43] Boone, M., Penitentiaire beginselen en de bewaring van vreemdelingen, PROCES juni 2003 p. 301-311
[44] Zie bijvoorbeeld: Ministerie van Justitie, Directoraat-generaal Internationale aangelegenheden en vreemdelingenzaken, brief 13 oktober 2005 met betrekking tot ‘Inspectierapport themaonderzoek: ouders met minderjarigen in vreemdelingenbewaring’ en Kamerstukken II 2005-2006, 24 587 nr. 188
[45] Brief van Sectordirecteur Bijzondere Voorzieningen E.J. de Borst, dd. 22 januari 2007.
[46] Zie: Beck, U., Risk society; towards a new modernity, SAGE, Londen 1992
[47] Zie ook: Boutellier, H., De veiligheidsutopie, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2005 en Hudson, B., Justice in the Risk Society, Sage, Londen 2003, hoofdstuk 2
[48] Zie: www.indymedia.nl: Vluchtelingen ontsnappen uit Australisch detentiecentrum, 29 maart 2003
[49] Zie: Cohen, S., Human Rights and crimes of the state: The culture of denial, 1993 in: Criminological Perspectives: Essential Readings, SAGE Publications, Londen 2003 p. 542-560
[50] Zie: Sykes, G.M., Matza, D., Techniques of neutralization, 1957 in: Criminological Perspectives: Essential Readings, SAGE Publications, Londen 2003 p. 231-238
[51] Zo omschreef CDA-kamerlid en woordvoerder Vreemdelingenzaken Wim van de Camp het vreemdelingenbeleid onder leiding van de VVD-minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk tijdens de kabinetten van premier Jan Peter Balkenende op de landelijke werkdag van de Raad van Kerken, 11 november 2006 te Amersfoort.
[52] Linden, Mr. E.C.H.J. van der, Vreemdeling in Nederland… en dan? Een inleiding in het Nederlands vreemdelingenrecht, Sdu uitgevers BV, Den Haag 2002
[53] Elderman, E., Oriëntatie in het vluchtelingenrecht, Nederlands Centrum Buitenlanders, Utrecht 2002
[54] Fleuren, W., Oriëntatie in de vreemdelingenwetgeving, Nederlands Centrum Buitenlanders, Utrecht 2002