Bron:
IOM: Internationale Organisatie voor MigratieWerken aan een politiek van migratieverhindering en vluchtelingbestrijding.
Hoewel de politiek tegen vluchtelingen en migranten al jarenlang wordt verscherpt en het einde hiervan niet in zicht lijkt, wordt er nog vaak een appél gedaan op “het asielrecht” wat zou moeten worden beschermd. Hierbij wordt naar ons idee volledig voorbijgegaan aan de feitelijke ontwikkelingen binnen het Nederlandse, c.q. Europese, vluchtelingenbeleid vanaf begin jaren negentig. Een korte terugblik hierop is noodzakelijk willen we de nieuwe rol van het IOM sindsdien kunnen begrijpen. Sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie en de landen van het Warschau Pact, zijn er tien miljoen mensen geëmigreerd waarvan vier miljoen mensen naar West-Europa. De bestrijding van deze vrijheid van beweging, de recente sluiting van de grenzen en het betrekken van landen uit Oost-, Centraal- en Zuidoost-Europa bij het systeem van migratiecontrole, is in de eerste helft van de jaren negentig de hefboom voor de Europese hereniging gebleken. Er werd een systeem van concentrische cirkels van “veilige landen” en “veilige derde landen” rondom Centraal- en West-Europa gelegd waarmee asielverzoeken van mensen die aantoonbaar uit deze landen komen vrijwel kansloos werden gemaakt. Het systeem van grensversterkingen, uitzettingen en terugnameovereenkomsten was in 1994 al bijna klaar en kreeg uiterlijk in 1996, met het afsluiten van de overeenkomst met de federale republiek Joegoslavië, haar definitieve beslag. Met deze maatregelen zijn de afsluitingsstrategen van de EU erin geslaagd om het aantal asielverzoeken in tien jaar tijd in de Schengen-staten met 75% te verminderen. Hoewel het recht op asiel in theorie nog bestaat, is het door genoemde maatregelen vrijwel onmogelijk geworden om in Nederland nog een asielverzoek in te dienen, laat staan een verblijfsvergunning te krijgen Binnen de internationale neo-liberale politiek die de vrijheid van het kapitaal koppelt aan een toenemende greep op de bevolking, kreeg het IOM een logistieke rol toebedeeld, zij regelen veelal transporten en zijn betrokken bij opvangkampen. In het onderstaande zal eerst kort worden ingegaan op de positie van het IOM in Nederland. Daarna zal de rol van het IOM in de politiek van migratieverhindering en vluchtelingbestrijding worden geïllustreerd aan de hand van hun rol in de oorlog in Kosovo en zal er tenslotte aandacht worden gegeven voor een dilemma in de omgang met het IOM. 1. IOM Nederland Hoewel het IOM al sinds 1951 actief is, bestaan er in Nederland pas vanaf begin jaren negentig kantoren. Sinds die tijd bestaan er afspraken met de Nederlandse regering. Het IOM hoeft geen rekenschap af te leggen aan de Nederlandse politiek, de medewerkers vallen namelijk niet onder de Nederlandse wetgeving, ze zijn immuun. Naast de grote veranderingen in de internationale politieke arena, blijkt dit onder meer uit het feit dat in Nederland ook tal van organisaties, werkzaam op het terrein van migranten en vluchtelingen, informatiemateriaal over het IOM hebben liggen en mensen hier attent op maken en doorverwijzen. Ook bestaan er sinds enkele jaren regiokantoren in Nederland. In Nederland zijn er kantoren in Den Haag, Drachten, Zwolle, Arnhem, Dordrecht, Eindhoven en Schiphol. Soms deelt het IOM een kantoor met een andere organisatie, zoals in Den Haag met Vluchtelingenwerk of houden ze kantoor in de Asiel Zoekers Centra (AZC´s) zelf, zoals in Drachten. Doorgaans worden vanuit de regiokantoren de opvangkampen bezocht waar het IOM spreekuur houdt of incidenteel voor individuele vluchtelingen komt. Recentelijk meldde het IOM dat er een groeiend aantal vluchtelingen vrijwillig terug zou willen keren naar het land van herkomst. Vrijwillig? Uit reacties van solidariteitsgroepen blijkt dat het aantal mensen wat een beroep op hen wil doen drastisch is toegenomen. Dit is onmiskenbaar een gevolg van het succesvolle uithongeringsbeleid wat gevoerd wordt tegen vluchtelingen. Het dakloos maken van vrouwen, (kleine) kinderen en mannen waarbij complete gezinnen op straat worden gegooid zonder middelen van bestaan vormt de context waarin vervolgens wordt gekozen voor “vrijwillige” terugkeer. Het IOM beschouwt het als haar humanitaire taak om deze kansloos gemaakte mensen vervolgens het land uit te werken. Daarnaast geniet het IOM ook een twijfelachtige reputatie aangaande het internationale beleid waarbij steeds meer wordt geprobeerd om te verhinderen dat vluchtelingen sowieso kunnen vluchten. UN en IOM samen tegen vluchtelingen Het aannemen van resolutie 688 door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in 1991 was erop gericht om mogelijke vluchtelingstromen, in dit geval vanuit Noord-Irak richting Turkije, te verhinderen. Het centrale element hierin was het opzetten van zgn. safe havens in Noord-Irak. Sindsdien hebben internationale instituties, vooral de Verenigde Naties, het ´recht op vertrek´ en het ´recht op asiel´ aan de andere kant van de grens, vervangen door een ´plicht om te blijven´ en zetten dit, mocht het zo uitkomen, ook met militair geweld door. Afgezien van het pilot-project Noord-Irak waren de sindsdien ingerichte ´safe havens´ vrijwel nooit veilig voor vluchtelingen. Integendeel, het verhinderen dat mensen kunnen vluchten uit een crisisgebied leidde meerdere malen tot gruweldaden: in Rwanda/Zaïre, Somalië/Kenia, Haïti/Cuba en Sri Lanka. Vooral Srebrenica, waar in 1995 meer dan 7.000 Bosnische moslims onder de ogen van (Nederlandse) VN-troepen werden vermoord, vormt het symbool voor deze dodelijke politiek. Aanvankelijk bestonden de ´safe havens´ uit regio´s of steden, maar het verwerd als snel tot een eufemisme voor vluchtelingenkampen (zoals in Kenia, Zaïre, Cuba en Australië). Deze kampen werden vaak eendrachtig door o.m. het UNHCR en het IOM bestuurd. Hierbij heeft het IOM met name als taak om een gecontroleerd transport van vluchtelingen te organiseren. Het VN-concept heeft vooral veiligheid gebracht voor Westerse, en andere, staten. Maar minder veiligheid voor vluchtelingen! 2. Kosovo als oorlog tegen vluchtelingen In deze paragraaf zal worden ingegaan op hoe de oorlog in Kosovo is gebruikt voor een nieuwe fase in de politiek van migratieverhindering en vluchtelingbestrijding en wat de rol van het IOM hierbij is geweest. De retoriek over mensenrechten die moesten worden beschermd fungeerde in de media als rechtvaardiging voor de oorlog. Echter, alleen al vanwege het feit dat al snel bekend werd dat de kosten van de oorlog maar liefst twintig keer hoger waren dan de geschatte kosten van de wederopbouw van de regio, is al reden genoeg om hier vraagtekens bij te plaatsen. Daarnaast bleek er, binnen een maand, wel honderden miljarden te kunnen worden gespendeerd aan de oorlog terwijl er slechts vijf miljard, uitgesmeerd over een aantal jaren, voor de basisbehoeften van een hele regio beschikbaar werd gesteld. Tot zover het humanitaire rookgordijn. Aan de vooravond van de oorlog, in maart 1999, verscheen er een studie van o.m. het IOM, genaamd “IOM en ICMPD: Migration in Central and Eastern Europe”. Genoemde organisaties beschouwden de crisis in Kosovo als de belangrijkste uitdaging voor de migratiepolitiek van het Westen. Wat duidelijk wordt uit deze studie is dat er gegevens zijn gebruikt van de grenspolitie n.a.v. arrestatie en verhoor van Albanezen én uit gehoren van asielzoekers door hulpverleningsinstanties uit maar liefst twaalf verschillende landen. Een belangrijke rol voor de toekomstige bestrijding van vlucht en migratie wordt daarbij ingenomen door de vluchtroutes van vluchtelingen die als strategische plaatsen worden gezien waar informatie wordt ingewonnen en waar de vluchtbestrijding in toenemende mate begint. De verhoren waar elke vluchteling die er nog in slaagt om hier binnen te komen aan blootgesteld wordt, en welke bol staan van gevoelige informatie, worden geanalyseerd en bewerkt om vervolgens te kunnen worden benut voor strategieën bedoeld om migratie en vlucht tegen te gaan. De tweede internationale vluchtelingenconferentie die aan de vooravond van de oorlog plaatsvond, was de “Speciale conferentie van de Boedapest-groep over illegale migratie door Zuidoost-Europa” eind juni in Boedapest. Uit het slotdocument van genoemde speciale conferentie blijkt o.m. het volgende. De besproken implementatie van opsporing en afsluiting langs de Balkan-route zou van een “particular urgency” zijn. Alle deelnemende staten zullen met “the maximum extent possible” optreden, “to do the utmost to implement these measures in the context of a common strategy…” De belangstelling voor het vluchtverhaal is veranderd in een opsporingsonderzoek waarbij de vluchtroute centraal is komen te staan. Uit beide internationale vluchtelingconferenties blijkt niet alleen het grote belang en op wat voor schaal vluchtelingconcepten een motor van de Europese hereniging zijn gebleken en tot nieuwe politieke samenwerkingsverbanden hebben geleid, maar ook hoe zeer de samenwerking van politieapparaten hierbij een rol speelt en dat politionele maatregelen gericht op het afsnijden van vluchtroutes tot integraal onderdeel van het actuele concept van ´opvang in eigen regio´ zijn geworden. De Kosovaarse vluchtelingen die na te zijn gevlucht voor het Joegoslavische leger en politie, Servische milities en NAVO-bombardementen in Blace aankwamen, werden in deze grensplaats tijdelijk opgevangen in een doorgangskamp. Van daaruit verwees het IOM hen naar een van de vier kampen in Macedonië. De mensen hier waren geïnterneerd, contacten met de buitenwereld waren vrijwel onmogelijk. Bezoek wat levensmiddelen wilde brengen moest zeer veel geduld hebben, volgens verslaggevers mochten slechts tien personen per uur de toegangscontrole passeren. De omheinde kampen werden door de Macedonische politie bewaakt. Meerdere malen werd door geïnterneerden de afrastering gesloopt en kwam het tot gewelddadige incidenten met de politie (tageszeitung 11 mei 1999). Na de oorlog zijn er veel kantoren van het IOM geopend. Door de rol van arbeidsbureau te vervullen, het stimuleren van de middenstand en de uitbetaling van fondsen maar af en toe ook de afvalverwerking, vertalingswerk en taken op het terrein van het openbaar bestuur op zich te nemen, functioneerde het IOM binnen het vaccuum vlak na de oorlog quasi als een vervangende staat. Op de keper beschouwd functioneert ze quasi als een transnationaal protectoraatsbestuur. Anders dan het UNHCR of het Rode Kruis bestaat het doel van de IOM niet primair uit het verstrekken van humanitaire hulp. In een wereld van grote omwentelingen, een wereld die krasse inkomenstegenstellingen kent, herstructurering van natie-staten en milieurampen, beschouwt het IOM het veelmeer als haar taak om over de hele wereld te komen tot een geordende, rationele en geplande sturing en beweging van bevolkingsgroepen, etnische groepen en professies. Het wekt dan ook geen verbazing dat het IOM door migrantenorganisaties heftig wordt bekritiseerd: “We kennen het IOM als een organisatie die in opdracht van verschillende staten tegen Roma-vluchtelingen werkt.Professor Ian Hankock noemde het IOM in een bericht over de situatie van de Roma in Europa ´de vijand van het Roma-volk`… die de deportatiepolitiek van talrijke Europese staten bedrijft en zich tegelijkertijd voordoet als een barmhartige niet-gouvermentele organisatie (NGO)”, aldus de Roma National Congress, een zelforganisatie uit Hamburg. 3. Dilemma in de strijd tegen mensen- en vrouwenhandel Vooral sinds de Vrouwenconferentie van de Verenigde Naties van Peking in 1995 heeft retoriek over mensenhandel, vrouwenhandel en slavernij ingang gevonden in het migratiediscours. Voor een deel kan het zo zijn dat feministische visies de mars door de instituties hebben doorstaan en bijvoorbeeld het IOM van de noodzaak van internationale bescherming van vrouwen hebben kunnen overtuigen. Anderzijds kunnen we ons afvragen of het uitvissen en bestrijden van migratie af en toe onder de vlag van het beschermen van vrouwen niet dichterbij komt. Dat dus feminisme - of betrokken vrouwen – niet worden gebruikt om migratiecontrole en migratiebeperking te legitimeren. Op papier blijkt enerzijds bezorgdheid en afschuw over ontvoering, mishandeling en het tot slaaf maken van vrouwen en kinderen, anderzijds ook een daar ver boven uit stijgende algemene strijd tegen elke vorm van ongewenste migratie. Met name de IOM voert haar programma´s graag uit onder het opschrift van bestrijding van mensen- en vrouwenhandel. De betrokkenheid van het IOM betekent concreet dat in de als belangrijk geïdentificeerde staten (bijv. Polen, Macedonië) zogenaamde voorlichtingscampagnes worden gehouden waarbij gewezen wordt op de risico´s die vrouwen lopen wanneer ze willen migreren. Zo wordt een eenzijdig afschrikkingsscenario geschetst wat vrouwen de lust moet ontnemen om te willen migreren. Enerzijds is het niet zo dat de meerderheid van de vrouwen die migreren eindigen in de sexindustrie, hoewel het aandeel groot is. Anderzijds blijkt uit tal van studies dat vrouwen hopen door te migreren een beter bestaan te kunnen opbouwen. De vlucht voor vaders, ooms, grootmoeders (de patriarchale structuren) en het zoeken van zelfstandigheid, politieke en sociale vrijheden en een eigen inkomen vormen de motivatie voor vrouwelijke migranten. Het belangrijkste punt van deze IOM-projecten is dat vrouwen eenzijdig worden voorgesteld als slachtoffers, ze worden niet meer als vrouwen gezien die zelfbewust hun leven willen vormgeven. Het zou veel beter zijn wanneer de eisen van onafhankelijke vrouwengroepen als beoordelingscriteria zouden worden gehanteerd zoals het erkennen van vrouw-specifieke vluchtgronden binnen asielprocedures, een zelfstandige verblijfstitel en de legalisering van prostitutie. Ten tweede zouden we moeten vragen naar de daadwerkelijk geboden hulp voor de slachtoffers van gedwongen prostitutie. In feite valt slechts 0,16% (732 mensen in 2000) van alle door het IOM uitgezette mensen onder de categorie ‘Slachtoffers van vrouwen- en mensenhandel’. 4. Conclusie Het beeld van hulpverleners over het IOM wordt bepaald door de rol van deze organisatie bij de uitzetting van vluchtelingen in Nederland. Doordat veel hulpverleningsorganisaties geconfronteerd worden met een groeiend aantal dakloze vluchtelingen die ze volgens de wet niet mogen helpen, zijn hier en daar nieuwe projecten van noodopvang ontstaan. Hoewel er brede steun lijkt te bestaan voor deze projecten (zo doen er in de provincie Friesland slechts 2 gemeenten niet op enigerlei wijze mee aan deze projecten, waaronder de gemeente Leeuwarden), wordt alleen opvang geboden aan diegenen die door het beleid zijn murw gebeukt en “bereid” zijn terug te keren naar hun land van herkomst. Deze wanhopige mensen, waarvan alle mogelijkheden om een menswaardig bestaan op te kunnen bouwen hun zijn ontnomen, vormen de ´klanten´ van het IOM. We hebben ook gezien wat voor rol het IOM niet alleen achter de schermen speelt bij het uitstippelen van strategieën om migratie en vlucht te verhinderen, maar ook een onderdeel is geworden voor de oorlogsstrategie in Kosovo en samenwerkt met de NAVO en regionale autoriteiten om mensen vooral daar te houden. Als slot kennen we de zgn. bezorgdheid van het IOM over prostitutie en vrouwenhandel. Ook hier hebben we gezien dat de beleden bezorgdheid helemaal niet heeft geleid tot daadwerkelijke steun voor vrouwen die als slaaf in de sexindustrie hebben gewerkt. Daarom vinden we de retoriek over humanitaire steun van het IOM aan vluchtelingen ook niet geloofwaardig. Integendeel, uit studies en conferenties waar ze bijdragen aan hebben geleverd, maar ook uit de praktijk, blijkt zonneklaar dat migratiemanagement hun opdracht is. Hun inzet en praktijk is gebaseerd op een beheersing van de migratie in het belang van de heersende klassen in de industrielanden. Daarmee staat hun politiek lijnrecht tegenover het fundamentele basisrecht van ieder mens om te gaan en te staan waar hij of zij dat wil.
|