Bron:
|
Tien
stellingen over het nieuwe immigratiebeleid
De recente discussies over immigratie in de Europese Unie en in Nederland staan in meerdere opzichten voor een verandering van het beleidsmodel. Het politieke spel eromheen kan dit niet verdoezelen, het maakt juist het harde gevecht rond de koerswisseling duidelijker. Vanzelfsprekend komt het nieuwe beleid voort uit het oude. Toch is ze niet simpelweg méér van het oude. Het gaat om een, zoals hieronder aangetoond moet worden, politieke omslag. Met die omslag wordt de neoliberale politiek de basis voor een nieuw migratiebeleid. De hele samenleving ondergaat een reorganisatie volgens bedrijfscriteria, de BV Nederland wordt op de kaart gezet, migratie en bevolking worden aan bedrijfseconomische gezichtspunten aangepast. Het resultaat hiervan zijn “hire and fire” en “just-in-time” migratie-ideologieën. I. Na de vluchtelingencrisis en de crisis van het asielbeleid, na het tekort aan specialisten en tijdelijke, snel inzetbare arbeidskrachten in bepaalde sectoren én na de steeds grotere consequenties van het laissez-faire beleid m.b.t. de niet-reguliere migratie, wil het nieuwe immigratiebeleid de controle terugkrijgen over de effecten van de migratieprocessen op Europa. De term sturing in de EU-managementtaal geeft dit heel duidelijk weer. II.
Het huidige debat over migratie probeert lering te trekken uit de migratie
en trekarbeid van de tijd na ‘45. Ze ziet het als probleem dat de
migratie destijds in hoge mate ongereguleerd plaatsvond, dat er geen
kwaliteitscontrole bestond, dat de arbeidsmigranten zich massaal
ongecontroleerd vestigden en bovendien hun families lieten overkomen –
dit was expliciet niet de bedoeling – en dat zij ook na de economische
bloeifase, dus nadat aan de behoefte aan arbeidskrachten was voldaan,
bleven. III. Het nieuwe immigratiebeleid is meer dan een uitbreiding van de tot nu toe geldende uitzonderingsbepalingen op de wervingsstop. Deze bepalingen zorgden voor een lastige en niet consistente werkwijze waarmee buitenlandse seizoens- en contractarbeiderSters aangetrokken werden. Het nieuwe beleid doelt op een coherente sturing van alle vormen van migratie, ook dat is nieuw. IV. Eveneens nieuw is de reïmplementering van economische criteria in het migratiebeleid, criteria die een belangrijkere of zelfs centrale leidraad voor politieke beleidsvorming worden. Daaruit resulteren een serie conflicten tussen enerzijds het liberaal-economische kamp, de voorstanders van de politiek van globalisering en vertegenwoordigers van de markt, en anderzijds de aanhangers van volksnationale en protectionistische opvattingen. V. De systematische toepassing van nuttigheidscriteria is in zoverre nieuw, dat het nut van bijvoorbeeld de eerste immigratieperiode tot 1973 weliswaar als gegeven werd aangenomen, echter niet, zoals de nieuwe plannen binnen de EU beogen, systematisch d.m.v puntensystemen getoetst moet worden. VI. Vanzelfsprekend moet het debat over immigratie ook geplaatst worden in de context van de discussie over de hoge sociale verzekerings- en loonkosten in de “westerse landen”, evenals de staatsuitgaven, dus het steeds verder stijgende sociale budget. De zogeheten vergrijzing speelt hierbij een belangrijke propagandistische rol. Met immigratie worden enerzijds de bestaande loon- en sociaal-politieke normen omzeild en in een volgende fase waarschijnlijk ook aangevallen. Anderzijds wordt de geïntensiveerde vervolging en verwijdering van ongewensten niet in de laatste plaats met begrotingspolitieke argumenten onderbouwd. VII. De politieke plannen aangaande migratie van dit moment en voor de toekomst zijn verschillend. Momenteel gaat het er inderdaad niet om, dat is van alle kanten duidelijk gemaakt, extra immigratie na te streven, maar diens kwaliteit te controleren. In de toekomst gaat het echter wél om meer immigratie volgens bevolkingspolitieke criteria en kwaliteitskenmerken. In beide situaties sluit de politiek aan bij het cynische concept van human capital (menselijk kapitaal) alsook bij de nationaal-socialistische ideeën van een gezond, waardevol en productief “volkslichaam”. De historische continuïteit hierachter is door Agamben (2002) treffend geanalyseerd. VIII. Uit het nieuwe migratiebeleid en het nieuwe migratieregime, waaraan een herwaardering van migratie en mobiliteit ten grondslag ligt, vloeit ook een herwaardering voort van het concept “grens”. De gebruikelijke buitengrenzen van traditionele nationale staten bleken steeds meer poreus, de gestegen wereldwijde mobiliteit en de in razend tempo gestegen inkomsten daaruit – dit is in de afgelopen 10 jaar vertienvoudigd – maken veel taken van het oude type grens overbodig. Daaruit resulteert een ander grensconcept, de binnengrens. De paradox van het naast elkaar bestaan van aan de ene kant een op immigratie hamerende houding (in het bijzonder door de ondernemers én verschillende partijen en organen van de EU) en aan de andere kant de epidemische overwinningen van xenofobische partijen in Frankrijk, Oostenrijk, Italië, Denemarken en recentelijk in Nederland laat zien, dat het controleren van migratie meer en meer naar binnen toe wordt verlegd. De reisbeperkingen voor vluchtelingen, maar ook voor politieke activistes/n, evenals het breed invoeren van technologieën ter controle van mobiliteit spreken duidelijke taal. IX. Het Nederlandse debat over immigratie is deel van een Europese opvatting. Met het Verdrag van Amsterdam zijn alle EU-lidstaten een gezamenlijke en in hoofdlijnen uniforme politiek overeengekomen. Daarmee zijn de voorwaarden geschapen voor een coherent optreden in een groot Europa en zijn periferie. Migratiebeleid is niet langer een zaak van nationale overwegingen, maar van transnationale instituten. Omdat daarmee ook nationale belangen op de achtergrond raken, worden zij door arbeidsmarktpolitieke en kleinschalige, regionale criteria vervangen. X. De omslag in het Europese migratiebeleid is uitdrukking en deel van het ontwerp van een globale politiek voor een nieuw migratieregime. Analoog met de sturing en regulering van de wereldwijde geld- en goederenstromen, alsook het doorvoeren van wereldwijd gestandaardiseerde gunstige investerings- en handelsvoorwaarden (GATT, WTO), richt deze politiek zich op de sturing en regulering van de bewegingen van mensen, in de taal van neoliberalen niets anders dan menselijk kapitaal. In concept ligt er al een General Agreement on the Movement of People (GAMP) dat uit de pen van de directeuren van de International Organisation for Migration (IOM) en het Hamburgse Wereldeconomie Archief (HWWA) komt. De consequenties van de politieke koerswisseling zijn nog absoluut niet te overzien. Wel is echter duidelijk geworden dat de eerste slachtoffers asielzoekers en vluchtelingen zullen zijn. Ook de burgerrechten, in het bijzonder die van buitenlanderSters, worden met het nieuwe controlebeleid opgeofferd, de elfde september kwam daarbij goed van pas. Op de middellange termijn kan dit migratiebeleid echter ook worden beschouwd als een aanval op de sociale, politieke en klassensamenstelling. Dat deze plannen zo niet werken, dat daarentegen de confrontatielijnen zullen verschuiven, is een ander verhaal.
|