Bron:

Klacht tegen Wilders & Broertjes

Advocatenkantoor Steijnen, Olof & Stelling
Couwenhoven 52-05
3703 ER Zeist
tel. 030-6956867
e-mail: sagitar@hetnet.nl

Aan de Hoofdofficier van Justitie
van het Parket te Amsterdam
de heer Mr. L.A.J.M. de Wit
Postbus 84500
1080 BN Amsterdam

Zeist, februari 2006

Geachte heer de Wit,

Hierbij verzoeken,

  1. de Beweging tot Herstel van het Respect, gevestigd te Leiden
  2. het Samenwerkingsverband Marokkanen en Tunesiërs in Nederland (SMT), gevestigd te Utrecht
  3. de Unie van Marokkaanse Moskeeën in Amsterdam e.o. (UMMAO), gevestigd te Amsterdam
  4. het Kommitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland (KMAN), gevestigd te Amsterdam
  5. de Europese Organisatgie ter Bescherming van de Rechtspositie van Gedetineerden (EORG), gevestigd te Arnhem
  6. de Stichting Werkgroep Vluchtelingen Vrij, gevestigd te Groningen
  7. de Stichting TamaZirt, gevestigd te Amsterdam

en 75 anderen

tot gemachtigde stellend mr. N.M.P. Steijnen, advocaat te Zeist, Couwenhoven 52-5 (3703 ER), om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van

  1. de heer Geert Wilders, kantoor houdende in het gebouw van de Tweede Kamer aan het Binnenhof te Den Haag;
  2. de heer Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, kantoor houdend te Amsterdam aan de Wibautstraat 150,

wegens opzettelijke belediging van een groep mensen en het aanzetten tot haat en/of discriminatie in de zin van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts verzoeken zij om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van de heer Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, wegens verspreiding van discriminatoire en/of tot haat aanzettende uitlatingen van genoemde heer Wilders, en het deelnemen en/of steun verlenen aan activiteiten gericht op discriminatie en/of het aanzetten tot haat tegen een groep mensen door genoemde Wilders.

Genoemde Wilders en Broertjes hebben,

- genoemde Wilders door het ter publicatie aanbieden van een artikel onder de kop “ Methode-Cohen leidt tot niets”, althans door het opzettelijk opnemen in genoemd artikel van passages die als beledigend voor, alsmede aanzettend tot haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen moeten worden aangemerkt, en genoemde Broertjes door dit artikel, althans de in bedoeld artikel als beledigend voor en/of aanzettend tot haat tegen en discriminatie van een groep mensen aan te merken passages, in de editie van de Volkskrant van 18 januari 2006 te publiceren -

deswege, elk voor zich en/of gezamenlijk en in vereniging, zich schuldig gemaakt aan schending van het bepaalde in artikel 137c en/of artikel 137d Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van het bedoelde artikel gaat hierbij.

De hierboven genoemde bepalingen, voor zover hier relevant, luiden:

artikel 137c

“1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.”

artikel 137d

“1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

Genoemde Broertjes heeft, door het plaatsen van genoemd artikel in de editie van de Volkskrant van 18 januari 2006, althans door het plaatsen van de in bedoeld artikel als beledigend voor en/of aanzettend tot haat tegen en discriminatie van een groep mensen aan te merken passages, zich bovendien schuldig gemaakt aan schending van artikel 173e en artikel 137f Wetboek van Strafrecht.

Genoemde artikelen luiden, voor zover hier relevant:

artikel 137e Wetboek van Strafrecht

“1. Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:

“1. een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen vanwege hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid (...) wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie”

artikel 137f Wetboek van Strafrecht

“Hij die deelneemt of (...) stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van derde categorie.”

Het genoemde artikel, onder de kop “methode-Cohen leidt tot niets”, onder gezamenlijke strafrechtelijke verantwoordelijkheid van genoemde Wilders en genoemde Broertjes als zodanig ‘in het openbaar’ verschenen - en wel in de Volkskrant van 18 januari 2006 -, moet in zijn totaliteit worden aangemerkt als:

1.      opzettelijk beledigend jegens en/of aanzettend tot haat tegen en/of aanzettend tot discriminatie van “een groep mensen” op grond van hun ras, in casu van wat in genoemd artikel wordt aangeduid als “Marokkanen” en als “niet-westerse allochtonen”;

  1. opzettelijk beledigend jegens en/of aanzettend tot haat tegen en/of aanzettend tot discriminatie van “een groep mensen” wegens hun godsdienst of levensovertuiging, in casu wat in genoemd artikel wordt aangeduid als “moslims” en als “de moslims”.

Dan wel moeten, subsidiair, met name de navolgende passages, elk voor zich, dan wel in onderlinge samenhang, als crimineel in de zin van het Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt.

Deze nadere, in elk geval (ook) als zodanig aan te wijzen passages, worden in het navolgende tussen aanhalingstekens en vet - dan wel vet en onderlijnd - weergegeven.

“En natuurlijk zullen die [bestuurders] vragen om meer geld voor buurthuizen, banenplannen en andere sociale maatregelen die in een onvervalste machocultuur als de Marokkaanse alleen maar minachting zullen oproepen.”

Deze uitlating moet zowel op zichzelf als in onderling verband worden beoordeeld.

  1. Op zichzelf is deze uitlating in hoge mate lasterlijk en stigmatiserend voor de voltallige Marokkaanse gemeenschap.
    De
    gehele Marokkaanse gemeenschap wordt hier gestigmatiseerd als behept met een ‘onvervalste machocultuur’. En wel een ‘macho cultuur’, die alleen maar minachting zou gevoelen voor sociale maatregelen, waaronder banenplannen en buurthuizen.
    Dat dit daarbij diskwalificerend en diffamerend is bedoeld, staat, gelet op de inhoud en strekking van het hier gestelde, alsmede gelet op de inhoud en strekking van het artikel als geheel, als zodanig vast.
  2. Deze uitlating moet voorts ook nog worden bezien in relatie tot, en in onderling verband met, een verderop volgende uitlating, namelijk:
    Nederlandse bestuurders denken met sociale maatregelen de jihad van de straat te kunnen bestrijden.”
  3. Alsmede moet deze uitlating worden bezien in verband met de teneur die aan het begin van het artikel wordt gezet en waarin de volgende kwalificaties worden gebezigd, die dan als componenten aan elkaar worden geregen, een en met als kennelijk doel een sfeer van extreme bedreiging van de maatschappij door Marokkanen en andere allochtonen te kunnen oproepen:
    1. Afgrijselijke incidenten’ met Marokkaanse jongeren in de Diamantbuurt.
    2. De ‘Groep Wilders’ heeft ‘onderzocht’ dat die ‘afgrijselijke incidenten’ met Marokkaanse jongeren in de Diamantbuurt ‘allesbehalve uniek’ zijn.
    3. ‘De ouders’ van deze Marokkaanse jongeren ‘hebben een hekel aan Nederlanders en grijpen niet in’.
      -bij die laatste uitlating dienen dan nog twee aantekeningen te worden gemaakt:
      1. allereerst wordt hier dwingend gesuggereerd dat de Marokkaanse ouders niet ingrijpen omdat zij een hekel hebben aan Nederlanders.
      2. Dat staat er niet, maar moet wél zo gelezen worden. Die kwalificatie treft alle Marokkaanse ouders in de wijk, in casu de Diamantbuurt te Amsterdam, en is dus al even stigmatiserend als generaliserend.
      3. genoemde Wilders komt vervolgens met de bekende truc dat zegslieden uit de gecriminaliseerde gemeenschap het zelf gezegd zouden hebben. Dat zou het gestelde dan legitiem maken en het strafbare karakter aan de uitlating ontnemen, quod non.
      4. In dit geval is de opgevoerde Marokkaanse bron ten overvloede ook nog een anonieme bron.
  4. Er is sprake van een ‘mengsel van agressie, intimidatie, antisemitisme, vandalisme en haat jegens de Nederlandse samenleving’, die ook de bestanddelen zouden hebben gevormd voor de rellen in Frankrijk in november vorig jaar.
  5. Alle ingrediënten zijn’ aldus ‘aanwezig’ voor ‘vurige en bloederige rellen’ zoals in november vorig jaar in Frankrijk.
    - Bij deze laatste uitlating dient dan de volgende opmerking te worden gemaakt. Opvallend was nu juist ook van de rellen in Frankrijk dat zij intens waren, veel materiele schade opgeleverd hebben, maar dat daar relatief weinig bloed bij gevloeid is.

Door het bewust introduceren van de term ‘bloederig’ in dit verband, wordt het ernaar gestreefd het voorgehouden apocalyptische beeld van dreiging van ‘bloederige’ Marokkaanse rellen te versterken.

Er wordt dus, bewust, een beeld opgeroepen van acute dreiging van ‘bloederige’ Marokkaanse ‘rellen’, als gevolg van Marokkaanse ‘agressie, vandalisme en haat jegens de Nederlandse samenleving’ en ‘een hekel aan Nederlanders’.

In dit verband wordt het ‘bloederige’ karakter van wat ons aan Marokkaanse furie boven het hoofd hangt nog verder geaccentueerd en gecultiveerd door, aan het slot van het artikel, in te spelen op angstgevoelens, en daarvoor welbewust te spreken van ‘de jihad van de straat’, waarvan dan wordt gesuggereerd dat die zelfs nu al aan de gang zou zijn.

Hier worden bovendien woorden gebezigd - ‘de jihad van de straat’-, zonder een duiding te geven omtrent hun precieze betekenis en inhoud in dit verband, met als enige bedoeling om een sfeer van angst op te roepen.

En het ‘bloederige’ karakter van de Marokkaanse Apocalyps die ons boven het hoofd hangt wordt dan, aan het slot van het artikel, definitief er ingeramd met een pseudo-intellectueel slotcitaat, dat dan aan een nader genoemd persoon zou zijn ontleend: Like the Roman, I seem to see the River Tiber foaming with much blood.

Deze Apocalyps, zo wil dit artikel, kan ons alleen ontgaan als ‘het kabinet’ ophoudt met ‘gokken’: ‘gokken’ dat ‘de immigratie op een dag ophoudt’; met ‘gokken’ dat ‘de islam op een dag de jihad zal afzweren’; met ‘gokken’ dat ‘de moslims op een dag zullen kiezen voor integratie’.

Hiermee gaan dan dus de registers van tegen van mediterrane afkomst zijnde allochtonen en tegen moslims in het algemeen gerichte vreemdelingenhaat verder wijd open.

Allereerst wordt hier gesuggereerd dat rivieren ‘foaming with blood’ alleen zijn te voorkomen als ‘de immigratie ophoudt’.

Hier wordt dus, allereerst, beoogd het idee te wekken dat er een rechtstreeks verband zou bestaan tussen het feit dat immigratie van mediterrane afkomt zijnde allochtonen, van moslims in het algemeen, naar ons land plaatsvindt en de gesuggereerde zekerheid dat, als daar geen einde aan wordt gemaakt, een bloederige Apocalyps onvermijdelijk zou zijn.

Vervolgens wordt hier dan een sfeer van indifferente gewelddadigheid opgeroepen die verbonden zou zijn - en te eeuwigen dage verbonden zal blijven - aan zoiets als ‘de islam’ als totaliteit. Dat ‘de islam op een dag de jihad zal afzweren’, is immers een vergeefse hoop.

Hiermee wordt aldus, zonder specifiek te worden, rond ‘de islam’ in zijn totaliteit en zijn algemeenheid, een sfeer van gewelddadigheid gelegd, want ‘de islam’ zal nimmer ‘de jihad afzweren’.

Opzettelijk wordt daarbij niet precies aangegeven wat met deze laatste bewoordingen bedoeld wordt, teneinde op die manier, middels het creëren van een sfeer van gewelddadigheid rond ‘de islam’ in zijn totaliteit, stemmingmakerij tegen deze religie en diens volgelingen te kunnen bedrijven.

Hier geldt dat, juist door niet uit te leggen wat hier precies bedoeld zou zijn met veronderstelde weigering te eeuwigen dage van ‘de islam’ om ‘de jihad af te zweren’, het artikel hiermee zijn beoogde doel bereikt: in casu indifferente stemmingmakerij, het zaaien van angst en haat, en het bewerkstelligen van discriminatoire maatregelen.

En tenslotte wordt, volstrekt generaliserend en stigmatiserend en in strijd met de realiteit van miljoenen aangepaste moslims in ons land, zonder meer gesuggereerd dat ‘moslims’, als mensensoort, als behorend tot een bepaalde bevolkingsgroep, als aanhangers van een bepaalde religie, ipso facto niet zouden kiezen voor integratie. Iets anders valt er uit de zinsnede ‘het gokt erop dat moslims op een dag zullen kiezen voor integratie’ niet te destilleren.

De, onderhuidse, suggestie is ook bij dit laatste: ‘de moslims’ vormen dus een blijvend gevaar.

In plaats van op dit alles te ‘gokken’, moeten we van het artikel kiezen voor ‘de volgende maatregelen’:

- Het verantwoordelijk stellen van de ouders voor de wandaden van hun minderjarige kinderen, zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk door het intrekken van de verblijfsvergunning

Uit de slotbewoordingen van deze zin blijkt onmiskenbaar dat deze maatregel uitsluitend bedoeld is tegen ouders van in dit artikel gecriminaliseerde bevolkingsgroepen. Er wordt hier immers gesproken van ‘het verantwoordelijk stellen van de ouders (...) door het intrekken van de verblijfsvergunning.

Autochtone ouders hebben geen verblijfsvergunning.

De maatregel die hier bepleit wordt is dus ipso facto discriminerend bedoeld en hiermee wordt dan ook aangezet tot discriminatie.

De overige maatregelen die het artikel eist, namelijk om allochtonen die ‘na crimineel gedrag worden veroordeeld’ het land uit te zetten - dat zou dus ook gelden voor het stelen van een brood -, het stopzetten van ‘de immigratie op niet-westerse allochtonen’ en het ‘zwaar investeren in remigratie’ van niet-westerse allochtonen - van remigratie van bijvoorbeeld Chinezen of Amerikanen die zich hier hebben gevestigd wordt niet gesproken - , zijn, zeker in hun gezamenlijk bezien, discriminatoir van aard, stigmatiseren de gehele bevolkingsgroep van niet-westerse allochtonen en zetten aan tot haat tegen deze bevolkingsgroep.

Tot slot nog dit.

Als aangrijpingspunt voor de onderhavige jegens genoemde bevolkingsgroepen en genoemde religie beledigende uitlatingen en voor de onderhavige aanzetten tot discriminatie en haat jegens die bevolkingsgroepen en jegens de islam, worden door genoemde Wilders en Broertjes incidenten gekozen die recentelijk - januari 2006 - in de Amsterdamse Diamantbuurt hebben plaatsgevonden, en die door genoemde Wilders in bedoeld artikel aldus worden gekarakteriseerd:

“Het absolute dieptepunt werd eerder deze maand bereikt, toen een groep Marokkaanse jongeren onder het schreeuwen van antisemitische leuzen de ruiten ingooide bij een joodse bewoner van de Diamantbuurt. ‘De bewoner durft geen aangifte te doen en weigert elk contact met de buitenwereld, aldus de krant van zaterdag.”

Hieromtrent werd door het duo-raadslid van het stadsdeel Oud-Zuid, de heer H. Rijpkema, in een ingezonden stuk in de Volkskrant van 18 januari 2006, onder meer opgemerkt:

“‘Treiteraars zijn terug in de Diamantbuurt’, kopt de Volkskrant op 14 januari. De cijfers wijzen echter uit dat wat in de Diamantbuurt gebeurt niet veel afwijkt van het landelijke gemiddelde. Er zijn enige incidenten geweest. Dat de ruiten worden ingegooid bij een oude, dus kwetsbare man, alleen maar omdat die joods is, vinden wij uitermate laf en absoluut onacceptabel. In onze bewonersbrief hebben wij dat op een lijn gesteld met neonazistische jongeren die ruiten ingooien van een islamitische school of moskee. Dat is racistisch en fascistoïde gedrag. (...) Uit enquêtes blijkt dat zo’n 90 procent van de buurtbewoners zich op zijn gemak voelen. Helaas zijn sommige bewoners het slachtoffer van getreiter. Wij doen er alles aan om die mensen in bescherming te nemen. Het zijn op het ogenblik kleine groepjes van vrij jonge leeftijd die - soms - mensen lastigvallen. Het is voor een snotneus een klein kunstje ‘s avonds laat een steen door een ruit te gooien en snel weg te wezen. De bewoner in kwestie die dit overkwam, heeft wel degelijk aangifte gedaan, maar wenst de pers niet te woord te staan. Ik heb de man gesproken en begrijp dat de daders onbekend zijn. Alhoewel er vermoedens zijn moeten we voorzichtig zijn conclusies te trekken.”

De realiteit van vandaag de dag is helaas dat niet-westerse allochtonen zowel als joden te maken krijgen met discriminatoire uitingen, en zelfs racistisch getinte gewelddadigheden.

In beide gevallen moet dit even hard worden aangepakt en bestreden.

MITSDIEN wordt verzocht om tot vervolging over te gaan.

Ik verzoek u tenslotte om een ontvangstbevestiging van dit schrijven o.v.v. ‘strafklacht 1’.

N.M.P. Steijnen,

gemachtigde