|
|
Mijn eigen hond, "Herder", (foto 5) was inmiddels na het verwisselen van de nestharen geel - lichtbruin geworden met een zwart masker. Ofschoon ik tot plm. 1950 met Dr. v.d. Akker in verbinding ben gebleven en tot 1945 lid van de NHC, ben ik mij wel steeds blijven interesseren voor de langhaar. Pas in 1977 zag ik er weer een groter aantal bijeen in Apeldoorn en in 1978 op een nestkeuring in Stroe. Daar heb ik mijn ogen uitgekeken, er waren jonge langharen van precies dezelfde kleur als mijn hond had bijna veertig jaar daarvoor! Wij weten nu dat zich ook bij de korthaar nog in de dertiger jaren het geel - probleem heeft voorgedaan. Wat er van de gestroomde, kostbare en door Dr. v.d. Akker terecht gekoesterde honden uit het eerste nest is terecht gekomen, kan men slechts bij benadering naar gissen. Later zullen we er nog op terugkomen. |
| Het eerste oorlogsjaar 1940 bracht de zojuist begonnen
fokkerij van de langhaar viermaal een slag toe: de stamvader "Faust"
was bij de oorlogshandelingen op 10 mei omgekomen. Een hond die
jarenlang bij de kudde had gewerkt en bij Ir. Voskens in Tilburg was
ondergebracht (hij had de hond ook opgespoord) was weggelopen. Deze hond
was afkomstig uit Lage Mierde en was vanwege zijn uitstekende werk bij
de kudde gedurende acht à negen jaar, zoals zijn vroegere baas het
uitdrukte, "gepensioneerd". Hetzelfde gebeurde met een andere
hond die ook bij een kudde had gewerkt; deze hond, ook een reu kwam uit
Hilvarenbeek en was ondergebracht bij dhr. W. Klerk in Zeist. Een maand
voor zijn verdwijnen heb ik deze hond nog gezien, het was een prachtige
langhaar van het ouderwetse type en bestemd als echtgenoot voor mijn
Herder, op de dag van de dekking was de hond spoorloos verdwenen. Deze
beide honden, herdershonden uit de praktijk, waren natuurlijk niet
gewend aan een riem of ketting te liggen of om te zijn opgesloten en bij
de eerste de beste gelegenheid namen ze de benen. We hebben er nooit
meer iets over gehoord. De reeds eerder genoemde kastanjebruin
gestroomde teef uit het nest van Dr. v.d. Akker was kort daarna door een
verkeersongeval om het leven gekomen. Ook Herder vertoonde typische
herdershonden eigenschappen; als je te lang stil stond om b.v. met
iemand te praten, duwde ze haar neus in je hielen. Ze was in alle
opzichten een prachtige hond met een schitterend karakter en Dr. v.d.
Akker zag en wist het. Weergaloos trouw, dapper en intelligent is
ze voor mij tot op de dag van vandaag het ideaal gebleven wat betreft
het karakter van de (langharige) Hollandse Herder. De consequentie van het verdwijnen van de hond van de heer Klerk was, dat we moesten besluiten mijn Herder te laten dekken door een hond van de "tweede keus", een hond ergens aan de rand van Zeist. Direct ná het verdwijnen van de oorspronkelijke echtgenoot bracht Dr. v.d. Akker mij daar naartoe. Hij had in die tijd al een soort "reserve" opgebouwd en inderdaad kon men met een beetje goede wil die hond een landslag langhaar noemen. Maar we hadden immers ook geen keuze. Herder zou de tweede generatie voortbrengen en de gehele variëteit hing aan een zijden draad. Wie zou er vandaag de dag nog aan denken zijn hond bij de eerste loopsheid al te laten dekken? Ook de kleur van Herder was allesbehalve ideaal: geel -lichtbruin, dus zandkleurig. En dan te bedenken dat Dr. v.d. Akker een fervente tegenstander was van elke vorm van kleurverruiming buiten goud - en zilvergestroomd. Maar het karakter was geweldig; dat moet voor hem de doorslag gegeven hebben én de ernst waarmee ik verder wilde gaan. Verdere opbouw: Blida - Prins II en Djoeka - Cora van het Eigen Land In de nazomer van 1940 werd zo het tweede nest langharige Hollandse Herders geboren uit Herder en een verder onbekend gebleven hond. Dr. v.d. Akker raadde mij aan de eventuele miskleuren zoveel mogelijk uit het nest te halen. Op een enkeling na is dat ook gebeurd. Ik kan me overigens niet herinneren of er in dat nest kortharen of honden met wit voorkwamen. Na enige tijd heeft Dr. v.d. Akker mij opgezocht en alle honden die gestroomd waren meegenomen en geplaatst. Over geld werd niet gesproken; het speelde nóch bij hem, nóch bij mij een rol, daar ging het immers ook helemaal niet om. Hij stond op het standpunt dat je een hond, drachtig of niet, toch moest voeden. Mijn eigen hond had ik indertijd voor f 7.50 van hem gekocht, zelfs voor die tijd een idioot laag bedrag en meer symbolisch dan reëel. In die tijd kostte een hond minstens f 25,-. Het idee van verdienen aan een nest was ons toen zo vreemd, dat het niet eens in onze gedachten opkwam, het ging immers om een bijna onmogelijk geachte onderneming: het doen herleven van de als uitgestorven gewaande langhaar! |