Thonon-les-Bains - Samoëns: 3 juli - 12 juli 2003 (1)
1. Algemeen
Het traject door de Alpen tussen Thonon en Samoëns is zwaarder dan het traject door de Jura. Daar staat tegenover dat het indrukwekkend mooi is. De route is zomers “licht toeristisch”. Begin juli kom je er wandelaars, mountainbikers en dagjesmensen tegen. Op bijna elke col staat wel een boerderij, refuge of restaurant. Het landschap is eerst lieflijk maar wordt allengs ruiger. Het is hier en daar aangetast door de wintersport. De route is in het begin nog redelijk vlak en bebost. Daarna loop je in het voorgebergte met veel groene alpenweiden en grijze en witte rotsen. In het laatste deel komen de besneeuwde bergen dichterbij, zij maken deel uit van een indrukwekkend landschap. Grootste steden in de omgeving: Génève en Chamonix.
Donderdag 3 juli 2003: Den Haag – Reyvoz
Het startschot van de vakantie gaat af met een lichte scheut in de buik als de trein zich om zes uur ’s ochtends in beweging zet richting Schiphol. Bij het opstijgen weet je dat er ook dit jaar geen weg terug meer is. Zou het trainen op de sportschool genoeg zijn geweest om over de bergen te komen? Heb ik niet te hard en te snel getraind zodat mijn knieën al protesteren voordat ik ook maar een meter heb geklommen? Het zijn de zorgen van de onervaren bergwandelaar op weg naar onbekende kwellingen.
Ik sta dankzij Easyjet om 13.00 uur in Thonon en loop de stad door naar de outdoorwinkel Au vieux campeur (48 Avenue de Génève) voor mijn Coleman-gastankje. Voorzien van gas en gevuld met een plat du jour loop ik de stad uit. Het eerste deel van de route gaat door het bos. De schaarse doorkijkjes geven me achteromkijkend zicht op Thonon en het meer van Génève. Voor me zie ik de toppen van de Dent de l’Oche. Het pad is vandaag nog redelijk vlak. Iets voor Renvoy en net voorbij het bos vind ik in een weiland een plekje voor de nacht. Het is bewolkt maar soms schijnt de zon op het heldere wit van de bergen voor me. Prachtig en veelbelovend.
Vrijdag 4 juli 2003: Reyvroz - Le Grand Chesnay
In Reyvroz, een gat met een kerk en wat huizen, vraag ik aan een meneer of ik ergens koffie kan drinken. Hij geeft aan dat dat niet kan omdat het enige café gesloten is. Hij biedt aan koffie voor me te zetten. Ik bedank vriendelijk en geef aan liever door te gaan. Achteraf realiseer ik me de man behoorlijk beledigd te hebben. Buiten Bioge waar de rivier de Dranzes en de rivier de Brevon samenkomen, in de buurt van een nog kleiner gat, is een rafting centrum. Daar kun je ieder geval koffie drinken met uitzicht op een klimwand waar kinderen van de lagere school de elementaire kennis van het klimmen krijgen bijgebracht. Dit deel van de route bestaat overwegend uit velden en weinig spectaculaire bossen. Af en toe een kleine oefening in dalen en klimmen als voorbode voor wat komen gaat. Bij Les Clouz wijk ik voor de lunch even af van de route en loop richting Vinzier. Ik eet er een “bar menu” in het café restaurant en doe mijn inkopen in de naastgelegen grote supermarkt. (NB de camping in Les Clouz is nu aangegeven met een goed zichtbaar bordje dus niet doorlopen naar Vinzier om daar weer terug te worden verwezen). De route daalt voorbij Les Clouz sterk tot aan een stroompje dat je met behulp van een metalen mecanobrug oversteekt. Even voorbij Primuza is het wandelvoorspel afgelopen. Bij dit plaatsje begint het echte werk. De route loopt door het bos en over de kam van de heuvel stevig omhoog tot aan de velden van de boerderij Sur les Trables. De boerderij is gesloten en er is, in tegenstelling tot wat is aangegeven in het boekje, geen water. Water is er wel in de waterbak van de even verderop gelegen en eveneens gesloten boerderij van Le Grand Chesnay. Op de heuvelrug heb je een prachtig uitzicht over het meer van Génève. Het weer was tot nu toe vriendelijk, niet te warm met af en toe een buitje in de verte. Maar nu gaat het mis. Er komt achter me een zwartblauwe dreigende wolk aanzetten over het evenzo zwartblauwe meer. Mijn optimistische inschatting dat de wolk wel elders tot ontlading zal komen blijkt misplaatst. Opeens verandert het landschap. Ik bevind me midden in de wolken en in de stromende regen. De temperatuur daalt. Ik schuil met veel moeite onder het smalle afdakje van de boerderij. Na drie kwartier ben ik het zat. Ik pak mijn spullen en loop een heuveltje op en zet mijn tent op in de regen. Eenmaal klaar houdt de regen op. Een uur nadat ik bijna ben weggespoeld schijnt de zon weer. Het uitzicht is weer prachtig. Het meer van Génève is niet meer zwartblauw maar blauw met een gouden gloed. Rond de gekartelde tanden van de berg Oche hangen nog slierten wolk. Na een korte drijfjacht op de iets te nieuwsgierige koeien keert de rust terug. De dag is voorbij.
Zaterdag 5 juli 2003: Le Grand Chesnay - Chalets de Bise
De aankoop van het jaar is een waterfilter van Katanin. Ik test hem uit bij de waterbak van de boerderij. Hij werkt goed en het filter van 200 gram krijgt voorlopig het voordeel van de twijfel boven de chloor pilletjes van 2 gram. De boerderij van Le Grand Chesnay waar ik vannacht bij heb overnacht ligt op 1414 meter. De route loopt van daar verder omhoog door alpenweiden en bos. Langs een stoeltjeslift bereik ik de de Tete de Fieux (1772 meter). Uit het bos komend loop ik vervolgens voor het eerst over een smalle bergkam met aan beide kanten een mooi vrij uitzicht. De bergkam loopt uiteindelijk af naar de voet van een berg met skihelling (la Pointe de Pelluaz). Daar is het goed opletten. Ondanks de kaart en de beschrijving verkeer ik in de veronderstelling dat ik over de skihelling en dus langs de kunststof afzetting omhoog moet om bijna aan de top onder de skilift door te gaan. Met een enorme inspanning bereik ik die top om te bemerken dat de route daar niet loopt. Ik doe nog een onverantwoorde poging om over het topje de ander kant van de berg te bereiken maar zie er na het nodige geblubber en geklim vanaf. Dit is dus niet goed! Met een minstens zo grote inspanning loop ik daarom weer naar beneden. Wat een ongelofelijke verspilling van kostbare energie.
Aan de voet van de berg moet je ter hoogte van het hutje rechts, rechtdoor lopen langs de linkerkant van de berg, midden onder de skilift door. Daar loopt de enige goede route. Let op, er is hier ook water. Onder de goede route loopt er nog een schapenpaadje dat na 150 meter langs een vermolmde waterbak komt met een ijzeren staaf die uit de berg steekt. Hier stroomt water uit waar de schapen maar ook ik dankbaar gebruik van maken. Na de skihelling op de Pointe de Pelluaz is het vooral klimmen en een enkele keer dalen. Eerst loopt de route richting een verlaten boerderij. Daarna langs een fraai meertje en tenslotte loopt het pad op circa 2000 meter hoogte tussen de rotsen over grove steenslag.
Het is er zwaar lopen in de zon. Ik krijg hoofdpijn en ik heb een beetje misselijk gevoel. Zijn dit symptomen van hoogteziekte? Op de top draait de route en even heb je het gevoel dat je terugloopt naar het meer van Génève. Ik neem een foto van een aantal berggeiten (gemzen?). Het is me niet duidelijk of ik nu iets heel bijzonders zie of dat ik nu gewoon langs een geitenweitje loop. Ik ben te moe om me er echt druk over te maken. Na de top begint het dalen, eindeloos dalen in de hitte met een zware rugzak door de ruige alpenweiden.
Ik zit er compleet doorheen en denk er serieus over om er helemaal mee te stoppen. De slopende afdaling eindigt bij Chalets de Bise. Chalets de Bise is een verzameling van zes huizen in een hoog dal tussen de bergen. Eén van de huizen is tot gite en één tot refuge omgebouwd. Voor de refuge is een terras. Uitgeput plof ik neer, drink cola en eet er een dagschotel van zurige worst en een soort gebakken meelpudding. Ik wil helemaal niks meer en vraag dus of er plek is in de refuge. Dat is niet het geval, het is er behoorlijk druk met weekend wandelaars en schoolkinderen, maar ik mag wel 100 meter verderop gratis kamperen achter een heuveltje. Ik zet m’n tent op en plof neer. Achter me reist een bergwand op waar (gewone) geiten grazen. Ze komen klingelend langs mijn tent als de boer ze voor de nacht ophaalt. Ik kom een beetje bij en spreek mezelf moed in. Ik geef het nog een kans. Als het morgen beter gaat loop ik verder, is het weer zo zwaar dan ga ik overmorgen naar huis.
Zondag 6 juli 2003: Chalets de Bise - Chalet de la Torrens
Vanaf Chalets de Bise loop ik in gezelschap van diverse dames en heren 300 meter steil de bergwand op naar de Pas de la Bosse. De meeste wandelaars, met van die kleine rugzakjes, gaan sneller dan ik. Boven gekomen bel ik naar huis om verslag te doen van het eerste uitzicht op de besneeuwde bergen aan de horizon.
Ik had er na gisteren op gerekend dat ik de rest van de dag bezig zou zijn met afdalen richting la Chapelle de Abondance maar na een paar uur loop ik het stadje al binnen. Ik strijk neer bij een restaurant in een klassiek houten boerderij met een overdaad aan rode geraniums. Ik zit te wachten op de dagschotel als ik me plotseling realiseer dat het zondag is en dat ik voor onderweg niets meer te eten heb. Ik sprint met achterlating van mijn rugzak richting de luxe op toerisme gerichte winkels aan de hoofdweg en koop er kaas, worst en brood. Terug in het restaurant kondigt het bosje in spek gebonden haricots vertes op mijn bord, links achter de bospaddestoelen, de wat hogere dan normale rekening van de dagschotel aan. Lekker was het wel. Het gaat vandaag zo goed dat ik in een vlaag van verstandsverbijstering besluit om door te gaan. Na een kilometer langs de provinciale weg richting La Pantiaz te hebben gelopen klim ik 700 meter de berg op richting Col des Mattes. Ik loop grote delen door het bos en dus uit de zon. Dat loopt lekker en scheelt enorm veel energie. Ik gebruik mijn waterfilter voor het eerst bij water uit een beekje. Grappig om met je pannetje, je filter en je veldfles in de weer te zijn. Aangenaam gedoe. Ik voel me net een woudloper. Het pad door het bos komt uit op een vallei. Een uitgestrekte alpenweide omgeven door bergtoppen. In de verte zie ik koeien maar hier aan het begin van de weide is een mooi vlak heuveltje, net uit het zicht. Het is te verleidelijk om dit ideale plekje voorbij te lopen. Ik zet mijn tent op en verwarm mijn tweede warme maaltijd van de dag; een blikje ravioli. Eergisteren uit voorzorg gekocht maar nog steeds geen gelegenheid gevonden om het op te eten. Ik baal van het gewicht en besluit het nu op te maken. Tijdens het verwarmen dienen de eerste nieuwsgierige koeien zich aan. Snuivend, schijtend en beierend met hun enorme bellen. Ik kom met moeite overeind en jaag ze weg. Het helpt niet. Ik scheld ze uit en dreig ze door de ravioli te roeren. Helpt ook niet. In plaats dat ze wegrennen, komen ze dichterbij. Ik sta weer op en ren achter ze aan. Het middeldeel van de kudde waggelt weg. Maar van links over het heuveltje komen er nieuwe koeien aan om te kijken wat er allemaal gebeurt. Ook die jaag ik weg. De ravioli is klaar, ik ga voor mijn tent zitten en eet. Na drie happen komt de kudde net verjaagde koeien weer eens kijken hoe het is met die schreeuwlelijk. Twintig paar bruine ogen kijken me aan en brengen me een new age-achtige ode in carillonvorm. Hoe moet ik straks in godsnaam slapen met dat indringende gebeier op een meter afstand. Ik doe een laatste poging. Ik pak mijn wandelstok, ik loop achter ze aan, dreig met de gehaktmolen en geef het grootste nieuwsgierige Aagje een tik op haar bil. Het werkt. Het dringt door dat ze me even met rust moeten laten en een ander plekje moeten zoeken in dit enorme dal. Maar ik zit nog niet of krijg direct een schuldgevoel over mijn daad van zinloos geweld. Met een beetje ongemakkelijk gevoel ga ik slapen. Waarom kunnen koeien niet op twee poten hippen en de andere twee poten gebruiken om die bel om hun nek stil te houden. Het zou een stuk rustiger zijn in een alpenwei. Nu rest mij slechts mijn oordoppen.