Inleiding De zorgsector
is de laatste decennia ingrijpend veranderd. Zo zijn op technologische
gebied grote stappen vooruit gezet. Ook zijn patiënten en consumenten
mondiger geworden en neemt door meer keuzemogelijkheden de concurrentie
toe. Verder zijn fusies en reorganisaties aan de orde van de dag en bereikt
de gezondheidszorg in financieel opzicht haar grenzen. Deze ontwikkelingen
vragen om een brede aandacht voor de kwaliteit van zorg in instellingen.
Ongetwijfeld
is er in uw instelling de afgelopen jaren gewerkt aan kwaliteitsbeleid.
Sommige instellingen hebben een aparte kwaliteitsfunctionaris in dienst.
In andere zijn het de medewerkers die zich in werkgroepen met het kwaliteitsbeleid
bezighouden.
Ook de overheid
hecht belang aan een kwalitatief goede gezondheiszorg. Daarom stelt zij
door middel van wetten en regels eisen aan de kwaliteit van de zorgverlening.
De kwaliteitswet zorginstellingen is één van de belangrijkste
wetten op dat gebied. De centrale gedachte van deze wet is dat de instellingen
in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de kwaliteits van de
zorgverlening en daarom de ruimte moeten hebben om een eigen kwaliteitsbeleid
vorm te geven.
Kwaliteitsbeleid In de jaren zeventig
zette de zorgsector de eerste voorzichtige stappen op het gebied van kwaliteitsbeleid.
Dit beleid was met name gericht op de inhoudelijke kanten van de zorgverlening.
Zo beoordeelden specialisten in verschillende ziekenhuizen regelmatig elkaars
werk en stelden zij op basis daarvan criteria op voor behandelmethoden.
In jaren tachtig namen andere beroepsgroepen zoals huisartsen, fysiotherapeuten
en verpleegkundigen deze 'intercollegiale toetsing' over. Veel van deze
beroepsbeoefenaren werken inmiddels aan de hand van richtlijnen, standaarden
en protocollen.
Velen denken
bij het begrip 'kwaliteit van zorg' aan de effectiviteit van een behandeling.
Is de juiste diagnose gesteld? Is de behandeling juist gekozen en uitgevoerd?
Kwaliteit van zorg houdt echter meer in. Omdat patiënten en consumenten
van zorginstellingen mondig zijn, moeten hulpverleners ook over goede communicatieve
vaardigheden beschikken. Verder zullen materiële voorzieningen zoals
het gebouw, de apparatuur, de bedden en het eten aan specifieke eisen moeten
voldoen. Tenslotte zijn kundig management en een gezonde financiële
situatie voorwaarden voor een goed functionerende instelling. Kwaliteitsbeleid
gaat dus de gehele organisatie en al haar medewerkers aan. Structurele,
systematische aandacht voor kwaliteit kan tot concrete verbeteringen van
de dienstverlening leiden. Een voorbeeld daarvan is het verkorten van de
wachttijd.
Achtergronden Tot april 1996
stelde de overheid kwaliteitseisen aan instellingen via een erkeningenstelsel.Alleen
instellingen met een erkening van het Ministerie van VWS mochten zorg verlenen
voor rekening van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ).
Aan dit stelsel
kleefden enkele belangrijke nadelen.De kwaliteitseisen waren niet erg overzichtelijk
en behoorlijk gedetailleerd.Daarom lieten ze de instellingen te weinig
ruimte voor eigen beleid en was de samenhang tussen de regels soms moeilijk
te zien.Ook waren de eisen moeilijk te handhaven. De enig mogelijke sanctie
was het intrekken van de erkenning.Feitelijk zou dat sluiting van de instelling
betekenen, een wel erg zware straf.Er is dan ook nooit een erkenning ingetrokken.
Tenslotte golden
de kwaliteitseisen alleen voor de erkende instellingen en niet voor particulier
gefinancierde organisaties, zoal commerciële thuiszorginstellingen
en privé-klinieken.Daardoor vielen deze instellingen buiten het
gezichtsveld van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, terwijl ze de laatste
decennia behoorlijk in aantal groeien.
In 1989, 1990
en 1995 kwamen vertegenwoordigers van zorgaanbieders, verzekeraars, organisaties
van patiënten/consumenten en de overheid in Leidschendam bijeen om
gezamelijk afspraken te maken over kwaliteitsbeleid.
Deze afspraken
zijn bepalend geweest voor het kwaliteitsbeleid van de instellingen en
de overheid:
De verantwoordelijkheid
voor het leveren van kwalitatief goede zorg ligt primair bij degenen die
de zorg verlenen:instellingen en beroepsbeoefenaren.De overheid blijft
eindverantwoordelijk, maar op afstand. Zorginstellingen gaan systematisch
en structureel werken aan kwaliteitsbeleid. Bij de vormgeving daarvan is
afstemming met organisaties van patiënten/consumenten en verzekeraars
van wezenlijk belang.
De nadelen van
de oude regels en de veranderende opvattingen over kwaliteitsbeleid maakten
nieuwe kwaliteitsregels voor zorginstellingen noodzakelijk.De kwaliteitswet
zorginstellingen is het resultaat.
Welke zorginstellingen
vallen onder de Kwaliteitswet? In principe moeten
alle instellingen in de zorgsector aan de Kwaliteitswet zorginstellingen
voldoen.Ongeacht de financieringswijze.Ook commerciële zorginstellingen
vallen dus onder de wet.
De meeste mensen
denken bij het begrip 'zorginstelling' aan een ziekenhuis of bijvoorbeeld
een verpleeghuis.De kwaliteitswet omschrijft het begrip als 'het organisatorisch
verband dat strekt tot de verlening van zorg'.Een ruime omschrijving, waaronder
bijvoorbeeld ook een groepspraktijk van samenwerkende fysiotherapeuten
valt of een centrum waar mondhygiënisten en een diëtist werken.Ook
apotheken en enkele diensten van de GGD's vallen eronder.Alleen solistisch
werkende beroepsbeoefenaren, zoals een huisarts met een assistente, vallen
niet onder de reikwijdte van de wet. Om er voor te zorgen dat zij aan soortgelijke
kwaliteitseisen voldoen, bevat een speciaal artikel in de Wet Beroepen
in de Individuele Gezondheidszorg (de Wet BIG) voor hen bijna dezelfde
regels. De enige uitzondering is dat zij geen kwaliteitsjaarverslag hoeven
op te stellen.
Kwaliteitseisen De Kwaliteitswet
stelt globale eisen en laat de invulling daarvan over aan de zorginstelling
zelf. Dit hoofdstuk behandelt de vier belangrijke punten uit de wet.
Verantwoorde
zorg Instellingen
moeten verantwoorde zorg leveren. Dat wil zeggen, zorg van een goed niveau
en in ieder geval doeltreffend, doelmatig, patiëntgericht en afgestemd
op de reële behoefte van de patiënt.
De overheid laat
verdere uitwerking van het begrip'verantwoorde zorg' over aan de zorginstellingen,
de verzekeraars en de organisaties van patiënten/consumenten.Mede
op aandringen van die partijen zelf. Het gaat erom elke keer opnieuw de
juiste verhouding tussen de aspecten doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht
te vinden. Zo kan een hulpverlener, terwijl hij technisch tot meer in staat
is, op uitdrukkelijke wens van de patiënt voor een bepaalde behandeling
kiezen. Ook schaffen instellingen uit het hoogte punt van doelmatigheid
soms samen met andere instellingen in de regio dure apparatuur aan.
Daar komt bij
dat zorginstellingen buitengewoon van aard verschillen. Een verzorgingshuis
bijvoorbeeld wil het bedrijf voor de bewoners zo aangenaam mogelijk maken.
En een apotheek wil haar klanten op een juiste, veilige wijze van geneesmiddelen
voorzien. Elke instelling heeft haar eigen doelstellingen en dat vraagt
om eigen kwaliteitseisen. Bij de uitwerking van die eisen kunnen de instellingen
bijvoorbeeld bestaande standaarden en protocollen als uitsgangspunt nemen.
Zij hebben deze vaak samen met de koepelorganisatie ontwikkeld.Daarnaast
kan samenwerking met verzekeraars en organisaties van patiënten/consumenten
bijdragen aan een doelmatiger en klantvriendelijker zorgverlening.
Bewust beleid Hoe is verantwoorde
zorg nu het beste te bereiken en te behouden? De Kwaliteitswet benadrukt
dat verantwoorde zorg tot stand komt op basis van bewust beleid. Dat betekent:
er doelbewust aan werken. De wet geeft aan welke aspecten een anstelling
in ieder geval bij haar kwaliteitsbeleid moet betrekken:
Duidelijke verdeling
van taken en verantwoordelijkheid
Het moet duidelijk
zijn welke medewerkers welke taken uitvoeren en wie daarvoor verantwoordelijk
zijn. Uiteraard is daarbij goede communicate tussen de medewerkers, tussen
de verschillende afdelingen en tussen derectie en medewerkers noodzakelijk.
Duidelijkheid over taken en verantwoordelijkheden, een goede communicatie
en daardoor vertrouwen in elkaars werk en expertise leveren een positieve
bijdrage aan de kwaliteit avn de zorgverlening.
Kwaliteit van
personeel en materieel
Om verantwoorde
zorg te kunnen leveren moet een instelling beschikken over voldoende en
capabel personeel èn het juiste materieel. Dat betekent onder meer
dat de hulpverleners een goede opleiding hebben en zich regelmatig laten
bijscholen. Daarnaast stelt de zelfstandiger en mondiger houding van de
patiënt en consument belangrijke eisen aan de communicatieve vaardigheden
van hulpverleners.
Geestelijke verzorging
In instelling
waar mensen langer dan vierentwintig uur verblijven, is geestelijke verzorging
beschikbaar die aansluit bij de levensovertuiging van de patiënt en
consument. Uiteraard hoeft niet iedere zorginstelling haar eigen dominee
of priester aan te stellen. Zij kan ook afspraken maken met geestelijk
verzorgers in de regio.
Om al deze aspecten
bij het kwaliteitsbeleid te betrekken, kunnen instellingen zeer uiteenlopende
activiteitn ontwikkelen. Ze zijn onder te verdelen in vier categorieën:
-Activiteiten
gericht op het creëren van een noodzakelijke basis
Voorbeelden zijn
opleiding en bijscholing, de aanschaf van nieuwe apparatuur en onderhoud
van het gebouw.
-Activiteiten
gericht op het behouden en verbeteren van de zorg zelf
Deze activiteiten
omvatten onder andere het formuleren ven richtlijnen, standaarden en protocollen,
het maken van een kwaliteitshandboek en het opstellen van een duidelijke
klachtenregeling.
-Activiteitn
gericht op evaluatie van de zorgverlening
Denk aan een
enquête onder patiënten of intercollegiale toetsing.
-Externe beoordeling
Een instelling
kan zich laten beoordelen door een ofhankelijke commissie van deskundigen
[visitatie]. Uiteindelijk kan zij zelfs proberen om een kwaliteitscertificaat
van een onafhankelijke instantie te verkrijgen.
Kwalitetssysteem Juist door hun
uiteenlopende aard krijgen de hierboven beschreven kwaliteitsactiviteiten
vaak geen logisch vervolg. Bijvoorbeeld: een enquête onder patienten
besteedt geen aandacht aan de nieuwe klachten regeling. Terwijl de patiëntenvertrouwenspersoon
juist daarvoor de mening van patiënten wilde weten. Ook ontbreekt
dikwijls de onderlinge samenhang tussen de verschillende activiteiten.
In de Kwaliteitswet
staat daarom dat een instelling de kwaliteit van zorg systematisch moet
bewaken, beheersen en zo mogelijk verbeteren. Dat kan zij het beste doen
door een kwaliteitssysteen te ontwikkelen. In zo'n systeem zijn alle kwaliteitsactiviteiten
op elkaar afgestemd. Door regelmatig gegevens over deze activiteiten en
de kwaliteit van de zorgverlening te registeren krijgt zij inzicht in de
resultaten van het gevoerde kwaliteitsbeleid. Eventuele problemen kunnen
aanleiding zijn om het beleid aan te passen.
De eerste stap
in het ontwikkelen van een kwaliteitssysteem is het formulren van duidelijke
kwaliteitsdoelstellingen.
Voorbeeld
De afdeling eerste
hulp registreert al enkele jaren het aantal gemaakte fouten en bijna-ongevallen.
Het personeel maakt de kwaliteitsfunctionaris erop attent dat verbeteringen
mogelijk zijn. Na overleg met deze functionaris besluit men gezamelijk
te gaan werken aan een reductie van het aantal fouten en bijna-ongevallen
met tien procent.
Wil het nieuwe
beleid succes hebben, dan zullen alle medewerkers daarachter moeten staan
en daaraan mee willen werken. Dat kan worden bereikt door hen actief bij
de ontwikkeling van het kwaliteitsbeleid te betrekken. Ook moeten zij op
de hoogte zijn van het ontwikkelde beleid en daar in de praktijk mee kunnen
werken.
Voorbeeld
Het personeel
inventariseert samen met de kwaliteitsfunctionaris van het ziekenhuis welke
fouten en bijna-ongevallen het meeste voorkomen op de afdeling eerste hulp.
Daarna bespreken zij hoe zij deze het beste kunnen voorkomen. De oplossingen
leggen ze vast in een handboek met standaardprocedures. Alle personeelsleden
krijgen een exemplaar van dit kwaliteitshandboek.
Na enige tijd
is evaluatie noodzakelijk:zijn er inderdaad minder fouten gemaakt?Zo niet,
wat is daarvan de oorzaak?
Voorbeeld
De afdeling gaat
een jaar aan de slag met de nieuwe procedures. De medewerkers registreren
niet alleen het aantal gemaakte fouten en bijna-ongevallen, maar ook de
aard daarvan. Uit die gegevens blijkt dat zij op een aantal fronten vooruitgang
hebben geboekt en dat op enkele andere gebieden nog verbeteringen nodig
zijn.
De resultaten
van de evaluatie kunnen aanleiding zijn om het beleid en eventueel de doelstellingen
aan te passen. het proces begint dan van voren af aan.
Vooral in grotere
instellingen is het vaak lastig om in één keer een goed functionerend
kwaliteitssysteem in te voeren. In zo'n situatie is het soms aan te bevelen
om eerst per afdeling aan de slag te gaan. Zoals in bovenstaand voorbeeld.
Wanneer de afzonderlijke
kwaliteitssystemen goed werken, kunnen zij worden ondergebracht in een
overkoepelend systeem voor de hele instelling.
Kwaliteitsjaarverslag In een kwaliteitsverslag
legt een isntelling verantwoording af over haar kwaliteitsbeleid. De kwaliteitswet
stelt instellingen verplicht om jaarlijks een kwaliteitsverslag te publiceren.
Het verslag is
ten eerste bedoeld voor de eigen organisatie. Door op te schrijven wat
de instelling aan kwaliteitsbeleid heeft gedaan en wat de resultaten zijn,
krijgt de leiding een goed beeld van de sterke en zwakke kanten in de organisatie.
Met die informatie kan zij toekomstig kwaliteitsbeleid ontwikkelen. En
het personeel kan zien wat voor resultaten hun inspanningen om de kwaliteit
te verbeteren hebben opgeleverd. De informatie kan ook nuttig zijn voor
externe organisaties zoals het regionaal patiënten/consumentenplatform,
de verzekeraars en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. In het kwaliteitsjaarverslag
moet een instelling in elk geval aandacht besteden aan:
1 de kwaliteit
van de verleende zorg
2 het gevoerde
kwaliteitsbeled
Voor het eerste
deel kan de instelling van uiteenlopende gegevens gebruik maken. Bijvoorbeeld
de aard en de omvang van het aantal klachten, een systematische analyse
van de resultaten van een behandeling en het registreerde aantal fouten
en bijna-ongevallen.
In het tweede
deel komt het kwaliteitsbeleid aan bod. Hierin geeft de instelling aan
hoe zij verantwoorde zorg, de centrale eis van de Kwaliteitswet, tot stand
brengt. Daarom zullen in ieder geval de volgende vragen aan de orde moeten
komen:
-Wat waren in
het verslagjaar de kwaliteitsdoelstellingen en welke kwaliteiesactiviteien
heeft de instelling ondernomen om die doelstellingen te bereiken?
-Op welke manier
wordt de kwaliteit van de geleverde zorg in de instelling geëvalueerd,
en wat zijn de resultaten van die evaluatie?
-Wat heeft de
instelling gedaan met klachten en meldingen over de kwaliteit van de verleende
zorg?
-Zijn naar aanleiding
van de evaluatie en de binnengekomen klachten beleidsaanpassingen noodzakelijk?
Ook moet de instelling
in het verslag aangeven hoe zij patiënten en consumenten en hun belangorganisaties
heeft betrokken bij haar kwaliteitsbeleid.
De vorm van het
verslag is verder vrij. Instellingen kunnen bijvoorbeeld een apart kwaliteitsjaarverslag
opstellen, maar ook een hoofstuk inruimen in het algemene jaarverslag.
Vanaf 1997 moeten zij het verslag vóór 1 juni niet allen
de Minister van Volksgezondheid en de regionale Inspectie voor de Gezondheidszorg
toezenden, maar ook aan het regionale patiënten/consumentenplatform.
Toezicht en
handhaving Hoewel de instellingen
zelf verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de zorg blijft onafhankelijk
toezicht op de naleving van de Kwaliteitswet noodzakelijk.Dat is de taak
van de Inspectie voor de Gezondheidszorg.Het toezicht richt zich met name
op het kwaliteitsbeleid van zorginstellingen.Zo zal de inspectie toezien
op de aanwezigheid en werking van een kwaliteitssysteem.Bij de beoordeling
van zo'n systeem zullen naast de wettelijke regels ook de standaarden en
protocollen die de instellingen en hun organisaties zelf hebben een belangrijke
rol spelen.
De kwaliteitswet
heeft de Inspectie meer bevoegheden gegeven om de kwaliteit van zorg te
handhaven.Ten eerste kan een inspecteur een instelling een bevel geven.Dat
is een dwingende opdracht om bepaalde maatregelen te nemen.Dat kan alleen
als er direct gevaar voor de gezondheid van de patiënten of consumenten
is.In het uiterste geval kan de inspecteur zelfs het bevel geven de zorgverlening
tijdelijk te staken.Verder heeft de inspecteur de bevoegheid om in instellingen
poolshoogte te nemen.Hij mag hun gegevens inzien, zonodig kopiëren
of tijdelijk meenemen.
Tenslotte heeft
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de bevoegheid om een
zorginstelling een schriftelijke aanwijzing te geven. In die aanwijzing
staat op welke punten de zorgverlening niet voldoet en binnen welke termijn
de instelling maatregelen moet nemen.
Wanneer een instelling
een bevel van de inspecteur of een aanwijzing van de minister niet opvogt,
kan de minister haar een dwangsom opleggen of zolfs bestuurdwang toepassen.
Tenslotte Een zorginstelling
moet de ruimte hebben om een eigen kwaliteitsbeleid te ontwikkelen dat
is afgestemd op de behoeften van haar cliënten. De Kwaliteitswet zorginstellingen
biedt die ruimte en stelt daarom geen gedetailleerde kwaliteitseisen.Centraal
in de wet staat dat instellingen verantwoorde zorg leveren op basis van
bewust kwaliteitsbeleid. Dat kan op vele verscillende manieren en in vele
verschillende vorm.
Het is aan de
zorginstellingen om samen met organisaties van patiënten/consumenten
en verzekeraars de eisen in de wet verder uit te werken, zodat de kwaliteit
van zorg ook in de toekomst gewaarborg is. De overheid is daarvoor eindverantwoordelijk,
maar wel op afstand.