Plaatsjes in Friesland
Balk
Dokkum
Franeker
Heeg
Workum
Onderstaand is met toestemming overgenomen uit "Dorpen in Nederland", een uitgave van Reader's Digest N.V.
BALK
Friesland is niet alleen een land van meren en uitgestrekte weidevlakten. In Gaasterland strekt zich van het Mirnserklif tot aan Wijckel een groot bosgebied uit, met wandelpaden, doorkijkjes op weien akkerland, schilderachtige plekjes aan de Luts, en bosgezichten die bijna aan een parklandschap doen denken.
Gaasterland is niet alleen de naam van deze grote boswachterij, maar ook van een Friese gemeente van zo'n tien dorpen, waarvan Balk de hoofdplaats is. Balk (in het Fries heet het net zo) is bepaald geen naam die poëtische gedachten oproept. Toch inspireerde dit plaatsje Herman Gorter tot zijn beroemde gedicht 'Mei'. Gorters grootvader was predikant in Balk, en de dichter heeft hem daar in zijn jeugd dikwijls bezocht. Wie kent niet de beroemde aanhef van zijn lange lyrisch-epische gedicht ?
    'Een nieuwe lente en een nieuw geluid
    Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit
    Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
    In een oud stadje, langs de watergracht.
    In huis was 't donker, maar de stille straat
    Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
    Nog licht, er viel een gouden, blanke schijn
    Over de gevels in mijn raamkozijn...'
Dat Gorter Balk een stadje noemt in plaats van een dorp vergeven de inwoners hem graag. De watergracht waar hij over spreekt, is de Luts, een klein riviertje dat vroeger het water van de hoge Gaasterlandse gronden afvoerde. Later werd de Luts gekanaliseerd, maar tegenwoordig is hij alleen nog geschikt voor boten met een geringe diepgang.
De naam Balk betekent 'brug', en is dus gewoon een aanduiding voor een kleine brug over de Luts. Dit water is tegenwoordig een verstilde, met lindebomen omzoomde gracht. Als haar water zo stijf bevroren is, dat ze de rijders van de Elfstedentocht kan dragen, wordt zij voor even een van de drukste grachten van ons land.
Balk werd in het grijze verleden Wyckelre Balk genoemd; de oostelijke helft hoorde toen tot Wijckel, de westelijke tot Harich. De huidige Raadhuisstraat heette vroeger de Wijckeler Side, omdat het gelegen was aan de kant van Wijckel. Langs de Luts ontwikkelde Balk zich in de loop der eeuwen tot een typisch rijdorp, waar nu nog mooie 17e- en 18e-eeuwse trap- en halsgevels te bewonderen zijnOok het raadhuis uit 1615 heeft een trapgevel, een opengewerkt torentje uit 1739 en een hoge bordestrap. Het gebouw diende oorspronkelijk als rechthuis. De rijkdom van het dorp kwam vooral voort uit de boterhandel, die hier in de 18e eeuw tot grote bloei kwam.
Balk heeft in het godsdienstig leven van ons land een merkwaardige rol gespeeld. Van ca. 1550 tot 1854 was er namelijk een gemeente van de zogenaamde Fijne Mennisten of Mennonieten ( doopsgezinden die zich ook Oude, T ere of Bekommerde Friezen noemden). Deze streng rechtzinnige gemeente onderscheidde zich duidelijk van de hoofdstroming van de doopsgezinde richting. Toen in 1811 de Algemene Doopsgezinde Sociëteit werd opgericht, als overkoepeling van alle Doopsgezinde Gemeenten, weigerde Balk zich daarbij aan te sluiten. Er kwamen conflicten, o.a. met de overheid over de anti-militairistische opvattingen van de Fijne Mennisten. Hun predikanten Symensma en Smit drongen herhaaldelijk bij de Nederlandse regering op vrijstelling van dienstplicht voor hun gemeenteleden aan, maar hun verzoek werd niet ingewilligd. Uiteindelijk vertrokken de twee predikanten daarom op 9 april 1853 met een deel van hun aanhangers naar Amerika, in de hoop daar meer vrijheid te kunnen vinden. De achtergebleven gelovigen sloten zich uiteindelijk toch bij de Sociëteit aan. Tweevijfde van de gemeente was toen echter al naar Amerika geëmigreerd. De naam Mennonieten is afgeleid van Menno Simonsz, een Friese dorpspastoor, afkomstig uit Witmarsurn, die in de 16e eeuween belangrijke rol in de doopsgezinde beweging speelde.
Het huidige Balk is het centrum van Gaasterland en kan daarom 's zomers op een flinke stroom toeristen rekenen. Het dorp heeft zich na de Tweede Wereldoorlog sterk uitgebreid.
Wie een bezoek aan Balk brengt, moet zeker de tijd nemen voor een wandeling door de prachtige bossen in de omtrek. Het woord 'gaast' betekent 'hoogte'; die hoogten zijn ontstaan in de IJstijd, een periode waarin enorme ijsmassa's zand, keien en leem voor zich uitschoven. Toen het klimaat later weer wat milder werd en het ijs begon te smelten, bleef alles wat er door de gletsjers was meegevoerd, hier achter. Daardoor ontstonden natuurgebieden als de Gelderse Veluwe, en ook het Friese Gaasterland.
Eeuwenlang had het bos vooral een praktische functie; de omwonenden haalden er hun hout vandaan en wanneer ze landbouw wilden bedrijven werden er grote stukken van het bos gekapt. In onze tijd proberen we de bossen zo goed mogelijk in stand te houden en zorgen we zelf voor een gevarieerde beplanting. Vroeger bestond het Gaasterlandse bos bijna geheel uit eikehakhout, omdat daar in de industrie veel vraag naar was. Tegenwoordig vinden we er beuken, eiken, dennen en sparren. Het is in het uitgestrekte Gaasterlandse bos nog zo stil, dat het zeker niet uitgesloten is dat u op uw wandeling reeën tegenkomt. Ook vogelliefuebbers kunnen hier hun hart ophalen. Bij dat alles is er ook aan de toerist gedacht, want er zijn aantrekkelijke wandelroutes uitgezet en men vindt er voorzieningen als picknickplaatsen, parkeerterreinen en ruiterpaden.
naar boven
DOKKUM
Dat Dokkum de noordelijkste stad van Nederland is, zullen niet zoveel mensen weten - dat de zendeling Bonifatius er in 754 werd vermoord, weet bijna iedereen. Zover gaat de geschiedenis van dit voormalige admiraliteitsstadje dus terug. Na Staveren is Dokkum ook de oudste van de Friese elf steden. In stoffige Friese kronieken lezen we het verhaalover Ubbo, hertog der Friezen, die al in het jaar 248 een sterk kasteel aan de Lauwerszee zou hebben gebouwd, dat hij de Dockenburg noemde. Daaraan zou Dokkum zijn naam te danken hebbenIn werkelijkheid is er echter over de tijd vóór de moord op Bonifatius maar weinig bekend.
Het huidige Dokkum is een levendige stad, waarvan het oude centrum knus binnen de zeshoekige, 16e-eeuwse omwalling is gelegen. Van welke kant u het stadje ook nadert, opvallend is steeds het silhouet. Nergens ziet u hoogbouw, maar in plaats daarvan een prachtig stadsgezicht met enkele markante torens en twee opvallende molens. De Dokkumers zelf gaan er prat op dat zij de oude stadskern niet hebben opgeofferd aan de commercie of het verkeer, en dat is ook grotendeels zo.
De auto kunt u achterlaten op een van de parkeerplaatsen buiten de poorten, of op de Markt in het centrwn. Een goed uitgangspunt voor een zwerftocht door Dokkum is de 'Zijl', een pleinachtige brug over het Dokkumer Diep, d-at door het stadje stroomt. De Zijl (sluis) werd in 1583 gebouwd om de scheiding tussen de zee en het binnenwater te kunnen beheersen. De betekenis van
Dokkum als zeehaven verdween later, door het dichtslibben van de zeearm waaraan het stadje lag.
Op de Zijl staand, ziet men het prachtige stadhuis uit 1608, dat twee eeuwen later ingrijpend werd verbouwd. Het heeft een vroedmanskamer met goudleren behang, en een raadszaal in Lodewijk xve-stijl. Het torentje geeft de statige gevel nog iets speels. In 1955 werd er in dit koepeltOrentje een nieuw klokkenspelopgehangen, ter gelegenheid van het feit dat Dokkum in 1954 twaalfhonderd jaar bestond.
Tegenover het stadhuis zijn enkele 17e-eeuwse Renaissancegevels te bewonderen. Nog steeds vanaf dezelfde plaats ontwaart u ook één van de twee rijzige korenmolens op de bolwerken.
In de aanhef van deze beschrijving hadden we het over Dokkum als 'admiraliteitsstad'. Die aanduiding gaat terug naar het begin van de 17 e eeuw, toen in Dokkum de zetel van de admiraliteit van Friesland en Groningen was gevestigd. De admiraliteit was een college dat het beheer had over de zeezaken. Er bestonden er vijf in de Republiek der Vereenigde Nederlanden: drie in Holland (Amsterdam, Rotterdam en Hoorn/Enkhuizen), een in Zeeland (Middelburg) en een in Friesland. In 1646 ging de zetelover van Dokkun;l naar Harlingen.
Uit die periode stamt nog het Admiraliteitshuis aan de Schoolsteeg. Het werd gebouwd in 1618, en is tegenwoordig ingericht als streekmuseum. Er zijn onder meer terpvondsten uit de omgeving van Dokkum en voorwerpen uit de voormalige kloosters Mariëngaarde en Klaarkamp te zien. Ov.er terpen gesproken: er zijn nog een paar hellende straten in Dokkum, want ook deze Friese stad is op twee terpen gebouwd. Op één daarvan vinden we de prachtig gerestaureerde Grote- of St. Martinuskerk, aan de Markt. Niet ver daar vandaan, aan de Bargemerk, ligt de r.-k. kerk, een schepping van de bekende architect P.]. H. Cuypers uit 1871. Binnen zijn veel relieken van Bonifatius te vinden.
Misschien wandelt u nog even naar de plaatselijke vvv , voor wat folders en gegevens over Dokkum. Dan kunt u tegelijk de oude Waag bekijken, want daarin is het vvv-kantoor ondergebracht. U zult het echter bij de fraaie gevel moeten laten, want het interieur van dit Waaggebouw aan de Grote Breedstraat is niet te bezichtigen. 'Weegt en waakt', vermaant een gevelsteen ons nog.
Alles wat we tot nog toe gezien hebben, ligt ten noorden van het Klein- en het Grootdiep, dat de stad van oost naar west doorsnijdt. Welopen nu weer terug naar de Zijl en steken het water over. Door de Vlasstraat en de Molensteeg lopen we naar een van de twee 1ge-eeuwse korenmolens die Dokkum nog rijk is: de molen 'De Hoop'. Wat westelijker ligt de andere molen, de 'Zeldenrust'. Ze staan allebei op de stadswallen en zijn nog in bedrijf. Na afspraak kunnen ze ook van binnen worden bezichtigd. Nu we toch bij de wallen zijn aangekomen, verlaten we door de Woudpoort heel even de oude stad, voor een kijkje in het Bonifatiuspark, met een kapel, een standbeeld en een bron die aan de vermoorde zendeling zijn gewijd.
naar boven
FRANEKER
Een van de mooiste Friese steden (er zijn er elf, zoals bekend) is Franeker, de oude academiestad. Frjentsjer, zoals het door de Friezen wordt genoemd, is natuurlijk onverbrekelijk verbonden met de naam van Eise Eisinga, wiens Planetarium jaarlijks door tienduizenden mensen wordt bezocht. Maar dat is zeker niet de enige bezienswaardigheid van de stad. Wie een bezoek aan Franeker brengt, mag daar wel een hele dag voor uittrekken - en tijdens de grote kaatsfeesten in de zomer misschien wel meer.
Franeker heeft zoveel te bieden dat we haast niet weten waarmee we moeten beginnen. Toch maar met een stukje geschiedenis ? Dan volgt de rest vanzelf. Omdat de binnenstad nog heel goed bewaard is gebleven, is het ontstaan van Franeker gemakkelijk te herleiden. Op een oude terp, die door dijken met andere terpen werd verbonden, vinden we de Martinikerk en de Ereede Plaats. De eerste dijk werd gevormd door de Sjaerdemastraat en de Vijverstraat; haaks daarop werden de Dijkstraat en de Voorstraat aangelegd, en zo ontstond het kruispunt waarop zich in de loop der eeuwen de stad Franeker ontwikkelde. In de 15e eeuw kreeg Franeker stadsrechten, en maakte het geslacht Sjaerdema, dat er een burcht bezat, de dienst uit in de stad. Later, in de Tachtigjarige Oorlog, koos Franeker de zijde van de opstand tegen Spanje - aanvankelijk daartoe gedwongen door Rennenberg, de stadhouder van Groningen en Friesland. Toen Rennenberg in 1580 naar de Spanjaarden overliep, bleef Franeker echter de zaak van de geuzen steunen, en sinds dien is het een bolwerk van het Calvinisme gebleven. Een belangrijke rol daarbij speelde de hogeschool, die in 1585 in Franeker werd gesticht, als tweede in Nederland. Ruim tweeëneenhalve eeuw heeft die hogeschool bestaan. In 1811, ten tijde van Napoleon, werd de academie opgeheven. Vier jaar later, na een onderwijshervorming, kreeg Franeker een Rijksatheneum, waar wel hoger onderwijs werd gegeven, maar geen academische examens konden worden afgelegd ( de studenten gingen daarvoor meestal naar Groningen). In 1842 waren er in Franeker echter nog maar 16 studenten over, en een jaar later werd ook deze laatste vorm van wetenschappelijk onderwijs opgeheven.
De gebouwen van de oude academie, tussen de Academie- en de Vijverstraat, zijn ingrijpend verbouwd en behoren nu voor een groot deel tot het psychiatrisch ziekenhuis van Franeker. Aan de universiteit herinneren ook de 'Professorenhuizen' aan de VOOrstraat, waarvan het 'Coopmanshus' uit 1746 dienst doet als gemeentelijk museum. Hierin is een grote collectie bijeengebracht waarin veel van het rijke verleden van Franeker is terug te vinden. Een deel van het museum is gewijd aan de kaatssport: Franeker is immers de kaatsresidentie. Er wordt vooral gekaatst op het Sternse Slotland, een grasveld aan het eind van de Voorstraat, waar heel vroeger de burcht van de Sjaerdema's heeft gestaanDe hoogtijdagen van het kaatsseizoen zijn de bondswedstrijd op Tweede Pinksterdag en de P.C. (permanente commissie) op de eerste woensdag in augustus of de vijfde in juli.
Naast dit Sternse Slotland ligt de 'Eogt fên Guné', die ook nog dateert uit de dagen van de hogeschool. Met wetenschap heeft dit etablissement maar zijdelings te maken; het mag er zich op beroemen de oudste studentenkroeg van Nederland te zijn. De naam zou zijn ontstaan na een gesprek tussen graaf Johan Maurits van Nassau en de eigenaar van de uitspanning, die herinneringen ophaalden aan West-Afrika. In een nostalgische bui noemde de waard zijn herberg toen naar de Golf van Guinea.
Aan oude tijden herinneren ook de drie stinzen die Franeker nog telt: de Martenastins, de Botniastins en de Camminghastins. In de Camminghastins ( ook wel het Sjaerdemahuis genoemd) bevindt zich boven de Friesland Bank het penningen- en muntenkabinet van het Fries Museum. Het gebouw ligt aan de Voorstraat en dateert in aanleg uit ca. 1400. In de loop der tijden heeft het talloze wijzigingen ondergaan. De zware oostgevel is een overblijfsel van het oudste deel, de woontoren.
De Martenastins, in 1498 gebouwd door Hessel van Martena, is een van de twee raadhuizen in Franeker. Sinds 1895 is deze stins het gemeentehuis van Franekeradeel. Het andere raadhuis is het stadhuis van Franeker zelf, aan het Raadhuisplein. Het is in 1591 in Friese Renaissancestijl gebouwd. In 1980 werd het grondig gerestaureerd en van een carillon voorzien.
Het centrum van Franeker is klein maar fijn. 'Franeker schoon, ghy staet ten thoon', zo heet de gemeentegids van het stadje, en de samenstellers ervan gebruikten vooral beelden om zijn schoonheid op u te laten inwerken.
Aan het planetarium van Eise Eisinga moeten natuurlijk wel enige woorden worden gewijd, want daaraan dankt Franeker een groot deel van de jaarlijkse toeristenstroom. Tweehonderd jaar geleden, in 1781, voltooide Eise Eisinga dit wonder van technisch vernuft.
Het ligt voor de hand om te denken dat Eise Eisinga een wetenschapsman moet zijn geweest, maar dat was hij niet - althans niet van beroep. Hij oefende het degelijke vak van wolkammer uit. Heel jong droomde Eise echter al van de sterren, en hij begon zich steeds meer in het heelal te verdiepen. Op 17-jarige leeftijd kwam hij al met een indrukwekkende publikatie over het onderwerp. Er werd toen - net als nu - ook weleens onzin verkondigd, en een van die nonsensverhalen vormde de aanleiding tot de bouw van Eises planetarium. In 1774 verspreidde Eelco Alta, dominee van Bozwn, namelijk het alarmerende bericht dat er zich op 8 mei van dat jaar een botsing tussen enkele planeten zou voordoen, met rampzalige gevolgen. De bevolking raakte daarvan enigszins in paniek, en Eise Eisinga vond dat er maar eens iets aan de onkunde van de mensen moest worden gedaan. De beste manier was de bouw van een planetarium, maar waar?
Na veel heen- en weergepraat vond zijn vrouw Pietje het goed dat hij een deel van hun eigen woonhuis voor dit doel zou bestemmen. Eise pakte een zaag en maakte zeven cirkelvormige gleuven in het houten plafond van de woonkamer: de banen van zes planeten en een buitenste gleuf voor een wijzer die de datum aangaf. Het was het begin van een project dat in totaal zeven jaar in beslag zou nemen, want Eise kon alleen zijn vrije uurtjes aan zijn planetarium besteden. Het resultaat was echter een uniek staaltje van technisch vakmanschap: een bewegend model van het zonnestelsel, in een kleine kamer van een eenvoudig huis in Friesland. Hoe het precies werkt, zullen wij hier niet uit de doeken doen; daarvoor moet u zelf maar eens een kijkje gaan nemen.
naar boven
HEEG
Het voormalige schippersplaatsje Heeg staat in het zomerseizoen volledig in het teken van de zeilsport. Ten oosten van het dorp ligt op een eiland een in zeilkringen vermaarde jeugdherberg en een werf waar men tjotters en andere platbodems bouwt. Het aanzien van het dorp wordt er door allerlei recreatieve voorzieningen, zoals een bungalowdorp, niet mooier op. Toch kan men bij een rondwandeling door het dorp nog altijd van een paar fraaie 18e-eeuwse panden genieten.
De oude huizen, waaronder het Kapiteinshuis in de Harinxmastraat, dateren uit de bloeitijd van de palinghandel op Engeland. In de 15e en 16e eeuw was er al vanuit Holland export van paling naar Londen, maar in de 17e en 18e eeuw werd deze geheel door de Friezen overgenomen. De paling werd overal vandaan opgekocht en kwam zelfs uit het Duitse astfriesland en uit Denemarken. In Heeg en het nabijgelegen dorp Gaastmeer werd de paling verzameld en in grote bunnen in leven gehouden. Vervolgens ging de vis met palingaken naar Engeland. De aken waren een kleine 20 m lang, ca. 5 m breed en hadden een bemanning van drie koppen. Ze maakten de overtocht vaak met 10000 kilo paling in de bun. Bij gunstig weer duurde de reis 24 uur en anders soms een week. Bij Billingsgate Market hadden de Hegemers een eigen, tolvrije ligplaats. Volgens de overlevering kregen ze die van Karel II, omdat ze in 1666 Londen voor een grote brand hadden behoed. Eeuwenlang bracht deze handel in Heeg geld in het laatje: in 1936 werd de laatste overtocht met een palingaak gemaakt.
Wie ten volle van dit waterrijke gebied wil genieten, moet niet verzuimen een wandeling te maken langs het Heegermeer of naar de ldsegasterpoel. 's Zomers wemelt het in de lucht van de weidevogels en 's winters kan men er zelfs ganzen zien weiden. Belangrijke evenementen in de zomer zijn het Skutsjesilen op het Heegermeer en de reunie van ronde- en platbodemjachten.
naar boven
WORKUM
Frieslands negende stad kwam als zeehaven tot bloei, maar raakte deze functie weer kwijt. ~iet op de eerste plaats doordat de Zuiderzee in een meer veranderde, maar eerder nog door verzanding van de haven 'it Soa!'. In de bloeitijd is er echter goed verdiend, wat nog steeds zichtbaar is aan de rijkversierde, eeuwenoude woonhuizen en andere gebouwen aan Merk, Sud en Noard.
De eerste bewoning vond in dit gebied al vóór het begin van onze jaartelling plaats. Als woonplaats dienden de kwelderruggen, waarop in perioden dat de zeespiegel rees (transgressieperioden) woonheuvels of terpen werden opgeworpen. Workum ontstond op een lange, noord-zuid verlopende rug. Deze vormde de scheiding tussen het water van de Vliestroom, die na 1200 een onderdeel werd van de Zuiderzee, en een merencomplex, bestaande uit het Makkumer-, het Parregaaster- en het Workumermeer. Van de toen opgeworpen terpen zijn de Algeraburen, in het noordoosten, en de Kerkeburen, waar de Gertrudiskerk staat, nog als zodanig te herkennen. Zijn economische betekenis ontleende Workum aan de waterlopen tussen deze kernen en de Zuiderzee, het Workumermeer en andere plaatsen in de omgeving. Workum kon stad worden door de betekenis van een van deze - meestal gegraven wateren, de Wymerts. Deze vormde een scheepvaartverbinding tussen de Zuiderzee en het Workumermeer, waarlangs Bolsward en de rest van het Friese vasteland bereikbaar was.
Hoe oud Workum is, weet niemand. In 1957 heeft men het 1050-jarig bestaan gevierd, omdat de burgers in 1907 nu eenmaal de duizendste verjaardag hadden gevierd. Toch lijkt die tiende eeuwals stichtingsperiode niet te vroeg. Er bestaat namelijk een Latijns vers uit die tijd van een poëtische monnik, die zich U ffing van Workum noemde.
Albrecht van Beieren verleende de plaats in 1399 markt- en poortrecht. Tot de aanleg van versterkingen kwam het echter niet. Slechts een tweetal evenwijdig aan de Wymerts lopende buitengrachten, de Droge en de Diepe Dolte, boden enige bescherming. Mede door deze zwakke verdedigingsmogelijkheid kwam het dat de Schieringers en Vetkopers elkaar als bezetters voortdurend afwisselden. Aan het begin van de 16e eeuw werd de stad enkele malen geplunderd, maar daarna trad er geleidelijk een economisch herstel op door de levering van schepen en mensen voor de Hollandse zeevaart en handel. Ook kwam er hier enige nijverheid. Men wierp zich op de potten- en pannenbakkerij, bouwde kalkovens en begon een lucratieve zouthandel. Uit Frankrijk en Portugal werd ruw zeezout ingevoerd en in Workumer zoutketen gezuiverd met schoon zeewater. Speciale waterschepen brachten het zilte nat over de Wymerts de stad binnen.
Helaas verzandde de haven 'it Soal' meer en meer. Men groef een geul, maar die verzandde bijna even snel als hij gegraven was. ;\[en was dus genoodzaakt zich meer op de binnenlandse mogelijkheden te concentreren. De enige overzeese handel was in de 1ge eeuw nog de winstgevende palingvaart op Londen (zie het artikelover Heeg). In 1914 kwam echter ook hieraan een eind. De stad moest het voortaan hebben van de aardewerkindustrie, de zuivelfabriek en de verzorgende centrumfunctie voor het omliggende gebied. Tegenwoordig wordt de recreatie een steeds belangrijker bron van inkomsten voor het stadje, dat verscheidene jachthavens en een moderne camping rijk is.
Het aanzien van Workum werd in 1875 ingrijpend gewijzigd, toen men de Wymerts dempte en dit de hoofdstraat werd. De scheepvaartroute kwam nu definitief buiten de stad te liggen langs Diepe Dolte en Hollemeer. De ene kant van de straat werd Stid genoemd, de andere (richting Bolsward) Noard. In de 20e eeuw is het dempen van vaarten en het opvullen van de agrarische ruimten in de stad in versneld tempo voortgezet.
Wandelend door de hoofdstraat herkent men de hooggelegen trottoirs van gele klinkers nog als de vroegere smalle kaden van de Wymerts. Tussen voetpad en rijbaan liggen de zo karakteristieke zwerfkeien, op zijn Workums 'balstiennen' genoemd. Tientallen antieke geveltjes rijen zich hier aaneen. ;Vlerkwaardig is het mooie huis Noard 5, uit 1663. Voor de trapgevel springen gevelstukken uit, die duiden op een aanzet tot een halsgevel. Aan het Noard staat ook de 17e-eeuwse doopsgezinde Vermaning, een eenvoudige schuilkerk in boerderijvorm, gedekt door een tentdak. Het interieur is opmerkelijk, met twee langs drie zijden rondlopende galerijen boven elkaar. Op deze manier was men in staat aan honderden kerkgangers plaats te bieden.
Een imposant gebouw is de Grote of St.Gertrudiskerk aan de Merk. Zij is nooit afgebouwd, maar in deze vorm is zij al de grootste middeleeuwse kerk van Friesland. In de vette jaren is het budget voor de bouw danig aangetast door branden die volgens ingemetselde oorkonden de kerk in 1515, 1523 en 1594 hebben beschadigd. Na een geldverslindende herbouw in 1615 besloot men dan ook maar de onvoltooide westkant dicht te metselen. Als gevolg daarvan bleef de eerder begonnen en eveneens onafgemaakte Gertrudistoren wat verloren staan. Zijn dikke, bakstenen lijf veronderstelt een hoger streven, maar toen het geld op was, werd er een eenvoudig tentdak opgezet met een open koepeltje, met daarin het carillon en de stadsklok. Aan de zuidzijde van het koor is de fraaie, 16eeeuwse sacristie, waarvan de bovenverdieping nog altijd de Latijnse School heet. Op het kerkhof bevindt zich aan de zuidzijde van de kerk de graftombe van Joseph SinkeI, van de vermaarde Winkel van SinkeI. Hij verdronk in 1832 voor de kust van Workum.
Men moet zeker niet verzuimen het inwendige van de kerk te bezichtigen. Niet op de eerste plaats vanwege het koorhek, het orgel, de preekstoel en de rouwborden - die overigens ook de moeite waard zijn -, maar vanwege de unieke verzameling gildebaren. Het zijn er negen en ze worden bewaard in de zijbeuken. Op die baren, beschilderd met de voorstellingen van de diverse ambachten en voorzien van spreuken, werden de leden van de verschillende gilden ten grave gedragen. Aanwezig zijn de baren van de grootschippers (zeeschippers), kleinschippers (binnenvaartschippers ), landbouwers (die overigens nooit een gilde hebben gevormd), de apothekers, de chirurgijns, de timmerlieden en de goud- en zilversmeden, alsmede twee kinderbaren. Kennelijk bleven de rangen en standen hier ook bij de laatste gang op aarde angstvallig gehandhaafd.
De Friese zuidwesthoek, waarin Workum is gelegen, biedt vele mogelijkheden tot recreatie. Langs het IJsselmeer loopt een aantrekkelijk fietspad met uitzicht op rijke vogelgebieden. Wie van bossen houdt, kan in Gaasterland ruimschoots terecht en voor de watersportliefhebber liggen hier werkelijk talloze grote en kleine meren.
naar boven
downloaden (DOC) terug naar Extra's & Links